Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.2.2
2.2.2 Vennootschappelijk belang
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS386091:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 1 april 1949, NJ 1949, 465 (Doetinchemse IJzergieterij).
Kamerstukken 11, 1969-1970, 10751, nr. 3, p. 12.
De theorie dat het vennootschappelijk belang gelijk staat aan ik hier buiten beschouwing, nu deze theorie in Nederland niet aanvaard wordt.
J.J.M. Maeijer, Het belangenconflict in de Naamloze vennootschap (oratie Nijmegen 1964); J.M.M. Maeijer, 25 jaren belangenconflict in de Naamloze Vennootschap, Zwolle: Tjeenk Willink 1989, p. 6.
Zie onder andere: P. Borst, ‘Marginale toetsing in het publiek- en privaatrecht’, WPNR 1962-4737, p. 402. Ook Van Solinge en Nieuwe Weme spreken hun voorkeur uit voor deze benadering, maar wijzen er wel op dat de discussie over wat onder vennootschappelijk belang moet worden verstaan vooral weinig praktische relevantie heeft. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* 2009, nr. 394.
Van der Heijden/Van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap 1992, p. 406–407.
B.M.T. Steins Bisschop, ‘Rumoer in de polder. De blijvende actualiteit van het poldermodel’, TvOB 2006-6, p. 213.
M.J. van Ginneken, L. Timmerman, ‘De betekenis van het evenredigheidsbeginsel voor het ondernemingsrecht’, Ondernemingsrecht 2011, 123.
P van Schilfgaarde, J.W. Winter, J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 27.
L. Timmerman, Gedragsrecht, belangenpluralisme en vereenvoudiging van het vennootschapsrecht. Wat moet dwingend blijven in het vennootschapsrecht van de toekomst?, Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar in het ondernemingsrecht aan de Universiteit van Leiden 2004, p. 12.
Hoge Raad 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex). Zie ook: Hoge Raad 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Melchers).
Hoge Raad 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Melchers). Deze overweging werd herhaald in Hoge Raad 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora).
J.M.M. Maeijer, ‘Het belangenconflict in de onderneming-vennootschap: rechtsmiddelen en jurisprudentie’, in: J.M.M. Maeijer e.a., Ondernemingsraad en vennootschap, Deventer: Kluwer 1982, p. 3.
J.M. de Jongh, ‘Redelijkheid en billijkheid en het evenredigheidsbeginsel, in het bijzonder in de verhouding van aandeelhouders tot het bestuur’, Ondernemingsrecht 2011,124.
J.L.P. Cahen, ‘De invloed van de belangenverbreding op het handelen van de aandeelhouders’, in: Honderd jaar rechtsleven, Nederlandse Juristen-Vereniging 1870-1970, Zwolle: Tjeenk Willink 1970, p. 77.
P. van Schilfgaarde, J.W. Winter, J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 28.
Monitoring Commissie Corporate Governance, Rapport over de evaluatie en actualisering van de Corporate Governance Code, juni 2008. Dit rapport is te downloaden op www.corpgov.nl.
Kamerstukken II, 2008-2009, 31877, nr. 3, p. 4. De omstandigheid dat aandeelhouders niet in overeenstemming met het vennootschappelijk belang hoeven te handelen, is een van de redenen waarom de ministers geen motiveringsverplichting aan de AV(A) hebben willen opleggen
Zie onder meer: J.M.M. Maeijer, 25 jaren belangenconflict in de vennootschap, Zwolle: Tjeenk Willink 1989 p. 8; M. Koelemeijer, Redelijkheid en billijkheid in kapitaalvennootschappen, Deventer: Kluwer 1999; M. Tabaksblat, ‘De rol van aandeelhouders in beursgenoteerde ondernemingen na drie jaar Nederlandse corporate governance code; enkele observaties’, Ondernemingsrecht 2006, 192, W.J. Slagter, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2005, p.13; J.M. de Jongh, ‘Redelijkheid en billijkheid en het evenredigheidsbeginsel, in het bijzonder in de verhouding van aandeelhouders tot bestuur’, Ondernemingsrecht 2011, 124. Zie ook: Ondernemingskamer 16 oktober 2001, NJ 2001, 640 (RNA Westfield).
J.M.M. Maeijer, Het belangenconflict in de Naamloze Vennootschap, Deventer-Antwerpen: N.V. Uitgeversmaatschappij ÆE. Kluwer 1964, p. 17.
W.J. Slagter, Compendium van het ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2005, p. 14.
M. Koelemeijer, Redelijkheid en billijkheid in kapitaalvennootschappen, Deventer: Kluwer 1999, p. 104.
President Rechtbank Assen 17 december 1993, KG 1994, 90 (BHE).
J. Barneveld, ‘PCM & private equality – over de rol van het vennootschappelijke belang bij vermogensonttrekkingen’, WPNR 2009-6791.
Ondernemingskamer 16 oktober 2001, JOR 2001/251 (RNA).
Ondernemingskamer 27 mei 2010, ARO 2010/92, JOR 2010/189 (PCM). De Ondernemingskamer lijkt te stellen dat de relatie tussen een toekomstig aandeelhouder en de vennootschap wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. In de literatuur wordt wel gesteld dat de Ondernemingskamer dit niet bedoeld kan hebben. Zie bijvoorbeeld: H.L. Kaemingk, ‘Aandeelhouderswaarde als ondernemingsstrategie’, in: P.J. van der Korst, R. Abma & G.T.J.M. Raaijmakers (red), Handboek onderneming en aandeelhouder, Deventer: Kluwer 2012 p. 505, en H.K. Schrama, ‘Aandeelhouders en het vennootschappelijk belang’, V&O 2012-6, p. 104.
Het richtsnoer van het vennootschappelijk belang is te vinden in art. 2:140 en 2:250 lid 2 BW. Deze artikelen bepalen dat de RVC zich bij de uitoefening van zijn taken moet richten op het ‘belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming’. Voor het bestuur is dit sinds 1 januari 2013 opgenomen in art. 2:129/239 lid 5 BW. Deze bepalingen kunnen worden gezien als een codificatie van het arrest Doetinchemse IJzergieterij.1 De woorden ‘en de aan haar verbonden onderneming’ zijn toegevoegd om aan te geven dat ook het belang van werknemers bij de besluitvorming moet worden betrokken.2
Wat precies onder het vennootschappelijk belang moet worden verstaan is niet duidelijk.3 Er zijn twee stromingen in de literatuur. De eerste stroming ziet het vennootschappelijk belang als een eigen belang van de vennootschap, los van de individuele belangen van de stakeholders. Maeijer is een aanhanger van deze leer en omschrijft in zijn inaugurele rede het vennootschappelijk belang als het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel.4 De andere stroming ziet het vennootschappelijk belang als een resultante van de belangen van de verschillende betrokkenen, zoals aandeelhouders, werknemers, afnemers en crediteuren; de zogenoemde participantenopvatting.5 Van der Grinten introduceerde deze stroming.6 Steins Bisschop ziet het vennootschappelijk belang als een ‘vector’ waarbij zowel gewicht als richting van de betrokken belangen overwogen moet worden, maar waarbij ook als uitgangspunt geldt dat geen van de deelbelangen doorslaggevend geacht kan worden.7 Volgens Van Ginneken en Timmerman gaat het om een combinatie van beide opvattingen. Een vennootschap is een juridische fictie en heeft geen inherent eigen belang dat geheel los kan worden gezien van de belangen van de bij de vennootschap betrokkenen.8 Ook Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman integreren beide stromingen. Zij stellen dat hetbelang van de vennootschap moet worden onderscheiden van de deelbelangen van verschillende groepen en individuen, maar dat dit weinig anders kan zijn dan een resultante van de in casu in aanmerking komende deelbelangen, waaronder die van aandeelhouders en werknemers.9 In veel juridische procedures, zoals het enquêterecht, wordt getoetst aan het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming.
De verplichting te handelen overeenkomstig het richtsnoer van het vennootschappelijk belang richt zich primair op het bestuur en de RVC. Timmerman spreekt van hun ‘fiduciaire positie’; zij moeten alle belangen tegen elkaar afwegen en deze binnen de vennootschap tot gelding brengen.10 Een interessante vraag is of ook de AV(A) of een individuele (groot)aandeelhouder zich moet richten naar het vennootschappelijk belang. In de literatuur en jurisprudentie is hierover het volgende gezegd: in 1944 heeft de Hoge Raad in het Wennex-arrest vooropgesteld dat de aandeelhouder zich bij het uitoefenen van zijn stemrecht alleen hoeft te richten op het eigen belang en dus niet gebonden is aan het belang van de vennootschap.11 Later voegde de Hoge Raad hieraan toe dat het een aandeelhouder in beginsel vrij staat dat recht op zodanige wijze uit te oefenen als hij dienstig oordeelt.12 Maeijer stelt dat een ieder behoefte heeft om zijn eigen belang rechtstreeks te kunnen behartigen. Het recht moet kaders scheppen waarbinnen dit mogelijk is. Naar zijn mening kunnen de aandeelhouders in de algemene vergadering binnen zekere grenzen hun eigen belang nastreven.13 De Jongh wijst erop dat het recht voor aandeelhouders om hun eigen belang te behartigen ook uit het eigendomsrecht van art. 1 van het Eerste Protocol EVRM volgt.14 Cahen is van mening dat bij de uitoefening van de dwingendrechtelijke bevoegdheden het aandeelhoudersbelang vooropgesteld mag worden. Dit is naar zijn mening anders bij de uitoefening van de bevoegdheden die door middel van regelend recht aan de algemene vergadering toekomen. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden moet de AV(A) zich rekenschap geven van het vennootschappelijk belang.15 Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman stellen dat de norm van het vennootschappelijk belang ook voor de AV(A) geldt, maar dat men – gelet op de vertegenwoordigende functie die de AV(A) vervult, zal moeten aanvaarden dat bij de belangenafweging die de AV(A) moet verrichten het bijzondere belang van de aandeelhouders een gewichtige rol speelt.16
De Monitoring Commissie Corporate Governance stelt in haar rapport van 2008: ‘anders dan het bestuur en de raad van commissarissen zijn de overige betrokkenen bij de vennootschap niet gebonden aan het richtsnoer van het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.’17 De ministers van Sociale Zaken en van justitie nemen dit ook als uitgangspunt bij de behandeling van het wetsvoorstel inzake de spreekrechten voor de or.18 Het handelen van aandeelhouders wordt wel begrensd door de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.19 Maeijer neemt in zijn oratie het standpunt in dat de goede trouw (nu de redelijkheid en billijkheid) meebrengt dat de aandeelhouder bij het dienen van het eigen belang het belang van de vennootschap mede in het oog moet houden, het zo nodig moet afwegen tegen zijn eigen belang en dat laatste desnoods moet ontzien.20 Naar het oordeel van Slagter handelen aandeelhouders in strijd met art. 2:8 BW wanneer zij verstandig ondernemersbeleid dwarsbomen.21 Koelemeijer is van mening dat een aandeelhouder bij de uitoefening van zijn stemrecht rekening moet houden met de belangen van de overige aandeelhouders en de belangen van de vennootschap.22 De president van de Rechtbank Assen oordeelde in 1994 dat de aandeelhouders zich niet door eigenbelang mogen laten leiden ten detrimente van de vennootschap.23 Barneveld stelt dat de norm van art. 2:8 BW een afweging vergt van de bij de vennootschap betrokken belangen, zij het dat het belang van de aandeelhouder een belangrijke rol mag spelen.24
Er lijkt sprake te zijn van een verschuiving in het denken over aandeelhouders en het vennootschappelijk belang. Zo oordeelde de Ondernemingskamer in de RNA-beschikking dat een beschermingsmaatregel gerechtvaardigd is indien in redelijkheid valt te betwijfelen dat de aandeelhouder bij de uitoefening van zijn bevoegdheden het vennootschappelijk belang meeweegt.25 De Ondernemingskamer denkt daarbij wel vooral aan rechten van andere aandeelhouders. En ook in de beschikking inzake PCM stelt de Ondernemingskamer dat een (toekomstig) aandeelhouder bij het verkrijgen van een belang in de vennootschap niet alleen het eigen belang, maar ook het vennootschappelijk belang dient te betrekken.26 Dit alles in het kader van de toets van art. 2:8 BW