Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/5.2.c
5.2.c Bezwaarvereiste in cassatie
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607106:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 1989, p. 233-236.
Wet van 28 oktober 1999, Stb. 1999, 467, i.w.tr. 1 oktober 2000, Stb. 2000, 271 (Kamerstukken 26027).
Zie over de bijbehorende ‘zeeffunctie’ Spronken 2001, p. 287 en 293 en Spong 2011, contra Van Dorst & De Hullu 2007.
Van der Wilt & Tjiong 2006.
Van der Wilt & Tjiong 2006 en (ook voor een bespreking van kritiek op deze praktijk) Van Dorst 2015, p. 111-120.
Zie over deze eisen Van Dorst 2015, p. 86-100.
Cijfers uit de bijlage bij Hoge Raad 2009 tot en met Hoge Raad 2017.
Van Dorst 1998, p. 56.
Commissie Werkbelasting strafkamer Hoge Raad 1998, p. 38; Van Dorst 2015, p. 209 en 215.
HR 31 mei 2013, ECLI:CA1610; Van Dorst 2015, p. 74-75.
Zie daarover Baumgardt & Van Dongen 2016.
In cassatie heeft het bezwaarvereiste een vaste en centrale plaats verworven. Na introductie ervan als toegangsvoorwaarde voor het openbaar ministerie in 1886 en voor de verdachte in economische en Antilliaanse zaken in 1950,1 moeten sinds 2000 zowel het openbaar ministerie als de verdachte in alle gewone strafzaken bij schriftuur middelen van cassatie indienen.2 De verdachte is daarbij bovendien verplicht om procesvertegenwoordiging in te schakelen.3 De termijn voor indiening van een schriftuur vangt aan op het moment dat de ontvangst door de Hoge Raad van stukken van het geding, inclusief het bestreden arrest en proces-verbaal van de terechtzitting, aan de procespartijen is aangezegd. Aldus zijn enkele mogelijke nadelen van een bezwaarvereiste handig ondervangen. Waar vroeger op de openbare zitting in cassatie nog nieuwe middelen mochten worden ingediend, mogen tegenwoordig op de zitting alleen nog reeds ingediende middelen worden toegelicht. Daarom spreekt men ook wel van een ‘schriftuurverplichting’ in cassatie.4 De Hoge Raad is ondanks zijn bevoegdheid het beroep ambtshalve te beoordelen, in de praktijk ertoe overgegaan de cassatietoetsing vrijwel geheel te beperken tot beoordeling van de (welwillend uitgelegde) middelen.5
Voor de ontvankelijkheid van het cassatieberoep is het schriftuurvereiste op verschillende manieren van betekenis. Indien geheel niet, niet tijdig of niet conform de daaraan gestelde uitwendige of inwendige eisen een schriftuur met middelen is ingediend, wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Weliswaar bestaat voor een aantal verzuimen een herstelmogelijkheid en verlengt de Hoge Raad in enkele bijzondere gevallen de termijn voor indiening van een schriftuur,6 maar toch wordt gemiddeld ongeveer 50% van de per jaar ingestelde cassatieberoepen wegens dit soort schriftuurverzuimen niet-ontvankelijk verklaard.7 Nu werden ongemotiveerde cassatieberoepen reeds vóór de algemene invoering van de schriftuurverplichting in 2000 vaak met een standaardmotivering inhoudelijk afgedaan, en kostte dus de afdoening ervan ook toen al relatief weinig capaciteit.8 Het belangrijke verschil is evenwel dat sinds 2000 toegangsweigering zonder inhoudelijke beoordeling volgt, terwijl voorheen tot op zekere hoogte ambtshalve controle plaatsvond.9 Ten slotte zijn de middelen relevant voor de omvang van de toegang tot beroep. Indien onbeperkt cassatieberoep is ingesteld doch de middelen zich niet tegen alle cumulatief bewezen verklaarde feiten richten, dan pleegt de Hoge Raad de omvang van het beroep beperkt op te vatten.10 Dit heeft als gevolg dat niet ambtshalve inhoudelijk wordt beslist op het buiten de omvang van het partiële beroep vallende gedeelte van de bestreden uitspraak.
Het belang van bezwaren in cassatie zal in de toekomst mogelijk nog verder toenemen indien voor verdachten de verplichting wordt ingevoerd zich in cassatie door gespecialiseerde advocaten te laten bijstaan.11