Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/12.2.1
12.2.1 Beperkte rechten
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301689:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Struycken 2007, p. 386 e.v.; Vonck 2013, p. 166 e.v.; Verdaas 2015, p. 63; Asser/Bartels & van Velten 2017, para. 217; Mollema 2013a, p. 257 e.v.
Verdaas 2015, p. 66-67.
Struycken 2007, p. 388; Vonck 2013, p. 140. Bij verschillende beperkte rechten zijn in de Parlementaire geschiedenis wel bedingen opgenomen die volgens de wetgever tot de inhoud van de betreffende rechten gemaakt kunnen worden. Zie de voorbeelden genoemd bij Verdaas 2015, voetnoot 56.
Zie Struycken 2007, p. 388, 394; Vonck 2013, p. 143 e.v.; Mollema 2013a, p. 272.
Zie Vonck 2013, p. 155, naar aanleiding van het in voetnoot 89 van hoofdstuk 9 besproken arrest waarin de Hoge Raad impliceert dat de verplichting voor de erfverpachter om een naastgelegen vaarwater op diepte te houden onderdeel van het erfpachtrecht uitmaakte.
Vonck 2013, p. 154 geeft aan dat het in de casus die in de vorige voetnoot besproken werd meer voor de hand zou liggen om een recht van erfdienstbaarheid te vestigen.
490. In de literatuur worden verschillende vereisten genoemd om een beding onderdeel te laten uitmaken van een beperkt recht: het beding mag niet in strijd zijn met de wettelijke definitie van het beperkte recht, mag niet in strijd zijn met het wezen van het beperkte recht, moet in voldoende verband staan met de aard van het beperkte recht, moet voor overgang vatbaar zijn en moet aan het beperkte recht (of het moederrecht) nut toevoegen.1. Ik bespreek daarvan hieronder de voor dit onderzoek meest interessante punten. Een meer uitgebreide behandeling van deze vereisten is te vinden in de literatuur in de voetnoot hiervoor.
491. De eerste drie vereisten – niet in strijd zijn met de wettelijke regeling van het beperkte recht, niet in strijd zijn met het wezen van het beperkte recht en voldoende verband met de aard van het beperkte recht hebben om als onderdeel daarvan te worden behandeld – vloeien voort uit de numerus clausus. Ze dienen ertoe te voorkomen dat partijen buiten de numerus clausus om aanspraken in het leven roepen die tegen derden werken. Of een aanspraak onderdeel gemaakt kan worden van een beperkt recht, is dus afhankelijk van de set met toegestane beperkte rechten die de overheid voor ogen staat. Het is lastig om in abstracte zin te zeggen welke mogelijke combinatie van beperkte rechten tot maximale welvaart zal leiden en welke numerus clausus dus optimaal zal zijn (zie ook voetnoot 123 van hoofdstuk 5). De functie van de numerus clausus moet daarom vooral worden gezocht in de rechtszekerheid die ervan uitgaat (zie ook randnummer 190-191) en niet in het feit dat de toegestane beperkte rechten een ideale catalogus vormen. Dat maakt het lastig om te bepalen of specifieke aanspraken, indien ze onderdeel zouden worden van een beperkt recht, tot een hogere maatschappelijke welvaart leiden. In plaats daarvan wordt aangesloten bij de numerus clausus, omdat deze partijen in ieder geval in staat stelt om hun gedrag af te stemmen op de voorspelbaarheid die ervan uitgaat. Dit houdt onder meer in dat geen aanspraken aan een beperkt recht kunnen worden toegevoegd waarvan partijen niet hoeven te verwachten dat dit het geval zal zijn, omdat de wet een dergelijke aanspraak uitsluit of omdat de aanspraak het beperkte recht van zijn door de overheid opgelegde karakter ontneemt.2
492. Om daadwerkelijk onderdeel te kunnen worden van een beperkt recht, is echter niet voldoende dat de aanspraak en het beperkte recht elkaar niet ‘bijten’. De aanspraak zal ook in voldoende verband moeten staan met het beperkte recht. De wetgever heeft helaas geen algemene handvatten gegeven om te bepalen of een aanspraak in voldoende verband staat met de inhoud van een beperkt recht om er onderdeel van te gaan uitmaken.3 In de literatuur zijn enige suggesties gedaan voor gezichtspunten die van belang kunnen zijn bij het beantwoorden van deze vraag. Zo zou bijvoorbeeld kunnen worden aangesloten bij de maatschappelijke functie van het beperkte recht, of zou er gekeken kunnen worden of soortgelijke bedingen bij andere beperkte rechten onderdeel uitmaken van hun wettelijke definitie.4 Eén opvatting die in het kader van dit onderzoek relevant is, is dat geen aanspraken aan het beperkte recht kunnen worden toegevoegd die zien op een ander rechtsobject dan het moederrecht.5 Dat lijkt me volledig juist; zulke aanspraken dienen geen onderdeel te zijn van het beperkte recht, maar daar los van te staan om ervoor te zorgen dat het beperkte recht niet buiten zijn grenzen wordt opgerekt. Willen partijen ervoor zorgen dat de aanspraak tóch aan rechtsopvolgers toekomt, dan zullen zij daar een andere manier voor moeten zoeken.6
493. De vereisten dat de toegevoegde aanspraak voor overgang vatbaar moet zijn en enig nut moet hebben voor het beperkte recht, zijn inherent aan de aanspraken waarmee subjectieve rechten worden aangevuld. Steeds geldt dat het gezamenlijk nut van de aanspraak en het subjectieve recht hoger moet zijn dan van beide afzonderlijk (zie de verschillende maatstaven in hoofdstuk 7). Als de aanspraak niet voor overgang vatbaar zou zijn, zou het geen zin hebben om de vraag te stellen of het subjectieve recht ermee wordt aangevuld. Toch is dit laatste vereiste nuttig om te noemen. Het maakt namelijk duidelijk hoe partijen ervoor kunnen zorgen dat een aanspraak géén onderdeel van een beperkt recht wordt (zie meer uitgebreid paragraaf 12.6).