Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.6.0
10.6.0 Introductie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS493409:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Commission Staff Working Document bij het Groenboek bankbeslag, p. 26, alsook: overweging (15) bij het voorstel Europees bankbeslag (impliciet), p. 16.
Het Commission Staff Working Document bij het Groenboek bankbeslag vermeldt dat sprake is van grote verschillen in de regelingen omtrent aansprakelijkheid in de lidstaten, reden waarom een Europese regeling expliciet zou moeten zijn over de vraag wie het risico van een onrechtmatig beslag draagt. In het huidige voorstel Europees bankbeslag wordt hieromtrent geen keuze gemaakt.
Overweging (15) bij het voorstel Europees bankbeslag, p. 16.
De voorwaarden waaronder de beslagene recht heeft op vergoeding van schade verschillen aanzienlijk. In sommige lidstaten is de beslaglegger niet aansprakelijk, tenzij hij zonder de ‘normale voorzichtigheid’ (normal prudence) heeft gehandeld. Ook zijn er lidstaten waarin slechts aansprakelijkheid bestaat in geval van nalatigheid of opzet op grond van de algemene regels van onrechtmatige daad: Commission Staff Working Document bij het Groenboek bankbeslag, p. 26.
Meijsen & Jongbloed 2010a (Research Memorandum), p. 88-98.
De regeling inzake aansprakelijkheid en de hieruit volgende verplichting tot schadevergoeding, waartoe de beslaglegger gehouden is in geval van onrechtmatig beslag, wordt algemeen beschouwd als een waarborg voor de beslagene.1 De aansprakelijkheid van de beslaglegger in het voorstel Europees bankbeslag wordt beheerst door het nationale recht2 (de tekst vermeldt niet welk recht daarmee wordt bedoeld).3 Indien dit de lidstaat van uitvaardiging van het EAPO zou (kunnen) zijn dan betekent dit dat de vraag of sprake is van onrechtmatig beslag alsook de procedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd daarmee ook kan worden beheerst door buitenlands recht. Er is dan sprake van een ernstig gebrek aan transparantie ten aanzien van hetgeen de (onterecht) beslagene van zo een procedure te verwachten heeft. De drempel om een beroep op deze waarborg te doen is daarom in beginsel, mede gezien de in andere lidstaten gehanteerde grondslagen voor aansprakelijkheid en voorwaarden voor schadevergoeding,4 onacceptabel hoog. De beslagene die op grond van het voorstel Europees bankbeslag naar Nederlands recht schadevergoeding wegens onrechtmatig beslag wenst te verkrijgen verkeert echter ook niet in een gemakkelijke positie. Vreemd genoeg zou het daardoor uiteindelijk toch in zijn voordeel kunnen zijn indien een Nederlander in een andere lidstaat een rechter moet adiëren om een schadeclaim in te dienen. Naar Nederlands recht blijkt dat een succesvol beroep op schadevergoeding namelijk niet als vanzelfsprekend mag worden beschouwd. Alhoewel heeft te gelden dat de beslaglegger bij onrechtmatig beslag aansprakelijk is voor de schade die de beslagene hierdoor heeft geleden (art. 6:162 BW en bestendige rechtspraak van de Hoge Raad), wordt in de praktijk slechts zeer beperkt een beroep op deze waarborg gedaan. Een eerste voorwaarde voor een schadeprocedure is dat er een rechterlijke uitspraak in de hoofdzaak beschikbaar is; in veel gevallen komt deze er niet omdat de hoofdzaak lopende de procedure wordt ingetrokken of geroyeerd. Indien het wel tot een uitspraak komt en de vordering van de beslaglegger in het geheel niet blijkt te bestaan, geldt een risicoaansprakelijkheid. Ook indien de vordering die aan het beslag ten grondslag is gelegd in rechte slechts ten dele wordt erkend, een beslag lichtvaardig is gelegd of onnodig gehandhaafd, kan sprake zijn van onrechtmatigheid. De beoordeling of hiervan sprake is gebeurt aan de hand van de criteria van misbruik van recht. De redenen dat de regeling van aansprakelijkheid van de beslaglegger in de praktijk maar moeizaam toepassing vindt zijn te vinden in langdurige en moeizame procedures (in de hoofdzaak en de schadeprocedure), bewijsperikelen inzake causaliteit en het onderscheid in beoordeling van geheel en gedeeltelijk onterechte vorderingen. Het is een typisch voorbeeld van een op papier goed uitziende regeling die in de praktijk niet leidt tot een goed werkende waarborgfunctie, waar eenvoudig en zonder problemen een beroep op kan worden gedaan.5 Reeds het enkele feit dat de beslagene ermee wordt belast om uit te vinden wat de derde pijler in zijn situatie kan betekenen maakt dat geen sprake is van een goed werkende waarborgfunctie waar eenvoudig en zonder obstakels een beroep op kan worden gedaan.
Door de regeling van aansprakelijkheid in geval van onrechtmatig beslag over te laten aan nationaal recht ontstaat de situatie dat, door een gebrek aan transparantie over de inhoud en werking van de zeer uiteenlopende regelingen in de diverse lidstaten op dit gebied, niet inzichtelijk is in hoeverre de derde pijler de waarborgfunctie invult voor de beslagene. Ook de beslaglegger heeft geen zicht op de vraag wat hem in het kader van aansprakelijkheid in verband met een onrechtmatig beslag mogelijk te wachten staat.