Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/5.4.1
5.4.1 Goed ex-werknemerschap, redelijkheid en billijkheid
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687225:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 september 2013, JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk, JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, TRA 2013/103, m.nt. J.J.M. de Laat, NJ 2014/67, m.nt. E. Lutjens (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG) legt een wijzigingsbeding langs de maatstaf van artikel 3:13 BW en artikel 6:248 BW. Ook A-G Timmerman meent dat artikel 6:248 BW de rechtsverhouding met ex-werknemers beheerst (r.o. 3.3). In HR 21 juni 2013, PJ 2013/159 (ABN AMRO/ex-werknemers) volgt afwijzing op grond van artikel 81 Wet RO, maar toetst het hof aan artikel 6:248 BW en artikel 6:258 BW. HR 30 januari 2015, JAR 2015/55, TRA 2015/40, m.nt. M.D. Ruizeveld, PJ 2015/79, m.nt. T. Huijg (ex-werknemers/ABN AMRO), komt niet aan laatstgenoemde artikelen toe wegens gebrek aan een feitelijke grondslag. Voor lagere rechtspraak zie bijvoorbeeld Rb. Middelburg 5 november 2003, JAR 2003/291 (ACZC/ex-werknemers); Hof Arnhem 26 juni 2007, PJ 2008/36 (Kema/ex-werknemer); Hof Arnhem 27 mei 2008, PJ 2008/67 (Vereniging van gepensioneerden van Akzo Nobel c.s./Akzo Nobel Nederland c.s.); Rb. Rotterdam 20 mei 2009, JAR 2010/136 (Hanselman/Ernst & Young); Rb. Utrecht 3 juni 2009, PJ 2009/160, m.nt. H.P. Breuker (Honing c.s./FNV Bondgenoten); Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/282 (Neerincx/Rabobank).
C.J. van Zeben en J.W. du Pon, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek, Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 1828. Deze toets is (zeer) terughoudend, aldus ook bijvoorbeeld W.A. Zondag, ‘Wegen en wikken bij het wijzigen van arbeidsvoorwaarden. De betekenis van gezichtspunten in de (lagere) rechtspraak’, ArA 2006/3, p. 30; A.R. Houweling (red.), Loonstra & Zondag.Arbeidsrechtelijke themata I, Den Haag: Bju 2018, p. 614. Volgens W.H.A.C.M. Bouwens, D.M.A. Bij de Vaate en R.A.A. Duk, Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, Deventer: Kluwer 2020, p. 59-60, is er daarom van de toepassing van artikel 6:258 BW in het arbeidsrecht weinig te verwachten. Een beroep op artikel 6:258 BW wordt bijvoorbeeld verworpen in Hof Arnhem 25 oktober 2011, JAR 2011/312 (Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands c.s./Elementis Specialties Netherlands).
Twijfelachtig volgens bijvoorbeeld de annotator bij Ktr. Terneuzen 22 augustus 2001, PJ 2002/28, m.nt. L.H. van den Heuvel (Van den Bos c.s./ACZC).
Hof Arnhem 25 oktober 2011, JAR 2011/312 (Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands c.s./Elementis Specialties Netherlands). Idem Hof Amsterdam 26 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:5246 (ex-werknemers/ASR Nederland).
Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2014, PJ 2014/52, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy (Aegon/ex-werknemers). Aldus ook A.R. Houweling (red.), Loonstra & Zondag.Arbeidsrechtelijke themataI, Den Haag: Bju 2018, p. 609. Rb. Apeldoorn 23 december 2009, PJ 2010/146 (ex-werknemer/Wegener) lijkt eveneens hiervoor open te staan.
HR 26 juni 2015, JAR 2015/191, TRA 2015/83, m.nt. M.D. Ruizeveld (Aegon/ex-werknemers).
Rb. Utrecht 3 juni 2009, PJ 2009/160, m.nt. H.P. Breuker (Honing c.s./FNV Bondgenoten); Hof ’s-Hertogenbosch 28 februari 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV7614 (MEBIN/ex-werknemer); Rb. ’s-Hertogenbosch 14 november 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY3465 (ex-werknemer c.s./Maxfurn c.s.).
Rb. Amsterdam 20 januari 2006, JAR 2006/53, m.nt. R.M. Beltzer (Belangenvereniging Pensioengerechtigden ABN AMRO c.s./ABN AMRO c.s.).
Rb. Arnhem 9 juli 2007, PJ 2008/72 (ex-werknemers/Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland).
Hof Den Haag 18 januari 2022, PJ 2022/30, m.nt. E. Lutjens (ex-werknemer/ex-werkgever), r.o. 9.2 en 9.3.
Aldus ook M. Heemskerk, Van pensioencrisis naar pensioen(r)evolutie, Den Haag: Bju 2013, p. 36; E. Lutjens, ‘Wijziging van de pensioenregeling’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 463. Hof Den Haag 18 januari 2022, PJ 2022/30, m.nt. E. Lutjens (ex-werknemer/ex-werkgever), r.o. 9.3, stelt daarentegen dat de eisen van redelijkheid en billijkheid niet ‘wezenlijk’ anders zouden moeten zijn dan voor het einde van de arbeidsovereenkomst.
Onder meer annotator Ruizeveld bij HR 26 juni 2015, JAR 2015/191, TRA 2015/83, m.nt. M.D. Ruizeveld (Aegon/ex-werknemers); C.P.R.M. Dekker, ‘Afschaffing bijdrage ziektekostenverzekering voor gepensioneerden; makkelijker gezegd dan gedaan’, in: De positie van gepensioneerden, Amersfoort: Sdu 2006, p. 18; E. Lutjens, ‘Pensioenvoorziening bij CAO’, SR 2004/53; M. Heemskerk e.a., ‘Wijzigingsvraagstukken in de pensioendriehoek’, TPV 2012/42; M. Heemskerk, Van pensioencrisis naar pensioen(r)evolutie, Den Haag: Bju 2013, p. 35; M. Heemskerk, Pensioenrecht, Den Haag: Bju 2020, p. 240 en p. 245. P.G. Vestering, ‘Voorwaardelijke indexering van pensioenen: blijvend onzeker’, P&P 2010/5, lijkt dit ook te bepleiten. Anders: P.B. van den Bos, ‘Beperking van pensioenindexatie: een stroomschema’, ArbeidsRecht 2009/47.
Zie paragraaf 5.3.1.
HR 6 september 2013, JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk, JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, TRA 2013/103, m.nt. J.J.M. de Laat, NJ 2014/67, m.nt. E. Lutjens (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG).
Bijvoorbeeld Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/282 (Neerincx/Rabobank) en Hof Amsterdam 28 december 2010, PJ 2011/36 (Hopstaken c.s./ING Personeel). In beide gevallen wordt de wijziging getoetst aan maatstaven van redelijkheid en billijkheid. De ex-werkgever had een voldoende zwaarwegend belang en kon van ex-werknemers verlangen dat deze met een redelijke overgangsregeling akkoord gingen. De ex-werkgever passeert ook de toets in Hof Amsterdam 20 oktober 2009, JAR 2009/283 (Sneller/Delta Lloyd), maar daarbij lijkt mee te spelen dat het toepasselijke reglement ook een koppeling bevatte met de (gewijzigde) cao. In Rb. Arnhem 9 juli 2007, PJ 2008/72 (ex-werknemers/Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland) krijgt de ex-werkgever ook gelijk, omdat speciale voorzieningen voor ex-werknemers waren getroffen, die aansloten bij de voorzieningen voor de werknemers. Vergelijk verder Hof Den Haag 31 maart 2015, PJ 2015/82, m.nt. E. Lutjens (Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG/Energieonderzoek Centrum Nederland), waar een wijziging niet onaanvaardbaar wordt geacht vanwege de vergaande financiële gevolgen voor de ex-werkgever.
Bijvoorbeeld Rb. Middelburg 5 november 2003, JAR 2003/291 (ACZC/ex-werknemers); Rb. ’s-Gravenhage 1 mei 2007, PJ 2007/144 (Vereniging van Aegon Gepensioneerden c.s./Aegon Nederland c.s.); Hof Arnhem 26 juni 2007, PJ 2008/36 (Kema/ex-werknemer); Rb. Den Haag 5 december 2007, JAR 2008/1 (Van Mook/Aegon Nederland); Rb. Alkmaar 8 september 2008, ECLI:NL:RBALK:2008:BF9735 (eiser/Pipelife Nederland); Rb. Utrecht 28 januari 2009, JAR 2009/86 (Steenhuisen/SNS Reaalgroep); Rb. Utrecht 3 juni 2009, PJ 2009/160, m.nt. H.P. Breuker (Honing c.s./FNV Bondgenoten); Hof Arnhem 25 oktober 2011, JAR 2011/312 (Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands c.s./Elementis Specialties Netherlands); Hof ’s-Gravenhage 14 februari 2012, PJ 2012/89 (ABN AMRO/ex-werknemers), later in cassatie afgedaan op artikel 81 Wet RO, HR 21 juni 2013, PJ 2013/159 (ABN AMRO/ex-werknemers); Hof ’s-Hertogenbosch 28 februari 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV7614 (MEBIN/ex-werknemer); Hof Arnhem 16 oktober 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY7817 (FNV/Teijin Aramid); Hof Arnhem-Leeuwarden 18 februari 2014, PJ 2014/52, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy (Aegon/ex-werknemers); Hof Amsterdam 23 september 2014, PJ 2014/164, m.nt. H.P. Breuker (ex-werknemers/ASR Nederland).
Hof Arnhem 26 juni 2007, PJ 2008/36 (Kema/ex-werknemer), r.o. 5.28.
Hof ’s-Gravenhage 14 februari 2012, PJ 2012/89 (ABN AMRO/ex-werknemers), later in cassatie afgedaan op artikel 81 Wet RO, HR 21 juni 2013, PJ 2013/159 (ABN AMRO/ex-werknemers).
Naast de in de vorige voetnoot genoemde uitspraak zie eveneens Rb. Utrecht 28 januari 2009, JAR 2009/86 (Steenhuisen/SNS Reaalgroep); Rb. Utrecht 3 juni 2009, PJ 2009/160, m.nt. H.P. Breuker (Honing c.s./FNV Bondgenoten); Hof Arnhem 25 oktober 2011, JAR 2011/312 (Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands c.s./Elementis Specialties Netherlands).
Rb. Arnhem 9 juli 2007, PJ 2008/72 (ex-werknemers/Gemeenschappelijke Kernenergiecentrale Nederland).
T. Huijg, ‘(Eenzijdig) beëindigen van een ziektekostenbijdrage aan postactieven’, TRA 2010/6; M.F. Baltussen, ‘De cao en ex-werknemers: een (on)mogelijke combinatie?’, in: A.Ph.C.M. Jaspers en M.F. Baltussen (red.), De toekomst van het cao-recht, Reeks Vereniging voor Arbeidsrecht, Kluwer: Deventer 2011, p. 94-95.
Indien de arbeidsvoorwaarde van de ex-werknemer niet via cao of het verenigingsrecht kan worden gewijzigd, bijvoorbeeld omdat een cao of vereniging van gepensioneerden ontbreekt, is het een optie om terug te vallen op de postcontractuele werking van de artikelen 7:611, 6:248 of 6:258 BW. Ik verwijs voor mijn algemene behandeling van de (na)werking van de eerste twee van deze artikelen naar paragraaf 2.4.4. Ik concentreer mij in deze paragraaf op de bijzonderheden van wijziging.
Het is niet heel verrassend dat het in de rechtspraak vrij onomstreden is dat artikel 6:248 BW en artikel 6:258 BW van toepassing blijven op de rechtsverhouding met de ex-werknemer.1 Er is in dat geval immers onmiskenbaar een doorlopende postcontractuele verbintenis. Net als in de contractuele fase speelt artikel 6:248 BW bij wijzigingsdiscussies een prominentere rol dan artikel 6:258 BW. Dat lijkt te kunnen worden verklaard omdat dit laatste artikel de buitengrens van artikel 6:248 BW vormt, waar slechts in extreme gevallen aan toe wordt gekomen.2
Omstreden is de vraag of artikel 7:611 BW bij wijziging een rol kan spelen.3 De wetgever zwijgt, de rechtspraak is vooralsnog beperkt. Het hof Arnhem lijkt hiervoor open te staan, maar oordeelde dat artikel 7:611 BW in ieder geval niet zover gaat dat gepensioneerden verworven rechten dienen prijs te geven.4 In een later arrest hanteerde hetzelfde hof een duidelijk ruimere maatstaf, en paste de Stoof/Mammoet-criteria van artikel 7:611 BW zonder terughoudendheid toe op ex-werknemers.5 In cassatie werd geen grief gericht tegen die maatstaf en maakten zowel de Hoge Raad als A-G Langemeijer er geen woorden aan vuil.6 Uit dat arrest kunnen daarom geen algemene conclusies worden getrokken.
Soms blijkt de mogelijke toepasselijkheid van artikel 7:611 BW impliciet, bijvoorbeeld omdat een vordering op basis van dit artikel op niet principiële gronden wordt afgewezen.7 Evenzo meent de kantonrechter Amsterdam in het kader van een wijziging dat goed werkgeverschap van toepassing blijft jegens gepensioneerden, maar dat daaruit geen verplichting voortvloeit een verdergaande verhoging van pensioenen te financieren.8 Interessant is daarnaast een vonnis van de kantonrechter Arnhem, die overweegt dat artikel 7:611 BW weliswaar niet rechtstreeks van toepassing is op ex-werknemers, maar ‘toch een soort nawerking heeft in die gevallen waarin ofwel bij de beëindiging van het dienstverband specifieke afspraken zijn gemaakt die hun grondslag vinden in de (voormalige) werkgever/werknemer-verhouding ofwel bij de werkgever gehanteerde bedrijfsregelingen met een algemeen karakter ook op post-actieven van toepassing blijven’.9 In dat geval moet de rechtsverhouding worden beoordeeld in het licht van artikel 7:611 BW – in casu ging het om een wijziging van een ziektekostenregeling. Tot slot stelt hof Den Haag dat artikel 7:611 BW weliswaar na het einde van de arbeidsovereenkomst niet meer rechtstreeks van toepassing is, maar deze norm invulling geeft aan artikel 6:2 BW, welke op partijen bij een pensioenovereenkomst van toepassing blijft.10
Ik pleit in paragraaf 2.4.4 voor de nawerking van artikel 7:611 BW en wijs ook naar de rechtspraak die ik daar behandel; zoals Euronext, waar de Hoge Raad de nawerking van artikel 7:611 BW bevestigt voor de pensioenovereenkomst. Het artikel biedt ruimte om rekening te houden met het feit dat de arbeidsovereenkomst niet meer bestaat. Dat zal in zijn algemeenheid wellicht inhouden dat van een ex-werknemer minder kan worden verlangd dan van een werknemer.11 Als de arbeidsvoorwaarde voortvloeit uit de voormalige arbeidsovereenkomst, is er geen reden waarom de Stoof/Mammoet-toets niet van toepassing zou (moeten) zijn.12 Onderdeel van die toets is de aard en ingrijpendheid van het voorstel en deze kan net zo goed voor werknemers onderling verschillen als tussen werknemers en ex-werknemers. Als toch zou moeten worden teruggevallen op artikel 6:248 BW of artikel 6:258 BW, kan ook in het kader van die toets rekening worden gehouden met de bijzondere positie van ex-werknemers. Bij die bijzondere positie kan gedacht worden aan zaken als enerzijds hun beperkte wisselgeld en mogelijkheden tot collectieve actie en anderzijds solidariteit met werknemers en de ex-werkgever, waarbij het niet per definitie logisch is dat werknemers beter zijn beschermd dan ex-werknemers; argumenten voor en tegen die ook terugkomen in de discussie over de binding van ex-werknemers aan cao’s.13 Ook A-G Timmerman stelt in zijn conclusie bij ECN dat het onaanvaardbaarheidscriterium van artikel 6:248 BW in overeenstemming met het solidariteitsbeginsel tussen werknemers en ex-werknemers dient te worden uitgelegd.14
Op basis van de rechtspraak kan worden geconcludeerd dat een wijziging met de artikelen 7:611, 6:248 of 6:258 BW als grondslag ten aanzien van een ex-werknemer een onzeker pad is. Hoewel er zeker voorbeelden zijn dat een wijziging op die manier de rechterlijke toets kan doorstaan,15 is een duidelijke meerderheid van de rechterlijke uitspraken afwijzend.16 Het feit dat het niet wijzigen leidt tot een onderscheid tussen werknemers (die wel een wijziging hebben ondergaan) en ex-werknemers, wat kan worden gezien als een beroep op solidariteit, is daarbij opvallend genoeg niet als argument gezien voor wijziging,17 al is het maar omdat zij in een verschillende situatie verkeren.18 Ook wordt dikwijls als argument voor een terughoudende toetsing door de rechter genoemd het belang van de rechtszekerheid voor het uitgavenpatroon van ex-werknemers, naast het feit dat ex-werknemers niet in de positie verkeren om een verslechtering van hun inkomenspositie te mitigeren door te proberen overige voorwaarden te verbeteren.19 Tot slot moet de ex-werkgever op basis van de postcontractuele werking van artikel 7:611 BW kunnen aantonen dat bij een wijziging van arbeidsvoorwaarden rekening is gehouden met de belangen van de ex-werknemers.20
De kans op het door de ex-werkgever halen van de rechterlijke wijzigingstoets is bij het gebruik van een cao als wijzigingsinstrument aanmerkelijk groter dan het halen van die toets op basis van de artikelen 7:611, 6:248 of 6:258 BW, zo is ook door meerdere schrijvers geconstateerd in de ziektekostenzaken.21 Die constatering mag denk ik niet verbazen omdat dit voor werknemers niet anders is; het maakt niet uit of het gaat om een nog bestaande of niet meer bestaande arbeidsovereenkomst, maar wat de aard van de wijzigingsmethode is. Wanneer tot binding aan de cao wordt geconcludeerd (via de Wet CAO of via een vorm van incorporatie), is wijziging een gegeven. Bij wijziging via de cao komt de rechter eenvoudigweg niet toe aan inhoudelijke toetsingsnormen en belangenafwegingen.