Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.3.2.3
3.3.2.3 Rechterlijke toetsing en kwijtschelding
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940228:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Scheltens (losbl.), par. 57.
Zie ook Scheltens 1959, p. 70-72. Zie voor vindplaatsen voorts Feteris 2002, par. 1.3.3.6.
Tot 1994 werd het kwijtscheldingsbesluit bij een naheffingsaanslag pas genomen bij de uitspraak op bezwaar (art. 25 lid 5 (oud) AWR). Vanaf 1994 werd het kwijtscheldingsbesluit bij de naheffingsaanslag, evenals bij de navorderingsaanslag, tegelijk met het vaststellen van de aanslag genomen. Zie hierover nader Haas 2009, par. 1.2 en Scheltens 1959, p. 71-72.
Scheltens (losbl.), par. 56. In zijn opzet achtte Scheltens een dergelijk stelsel juist, omdat hier de administratie en de rechter samen de boete regardeerden (Scheltens 1959, p. 72).
Zie Haas 2009, par. 1.3.2 en Scheltens 1959, p. 72.
Scheltens 1959, p. 74.
Zoals zal blijken, lijdt het thans geen enkele twijfel meer dat de rechter geheel zelfstandig een eigen, rechterlijk oordeel velt over de hoogte van de boete (de strafmaat), zie paragraaf 14.4.4.
De invoering van de AWR zorgde er verder voor, dat de kwijtscheldingspraktijk een wettelijke basis kreeg. Ook werd de weg naar de rechterlijke toetsing van die kwijtschelding geopend. De vraag hoe dat juridisch moest worden vormgegeven, groeide uit tot het belangrijkste discussiepunt in de parlementaire geschiedenis van de AWR. De regering wilde aanvankelijk niet dat de rechter zich ging bemoeien met het bedrag van de verhoging in het concrete geval, omdat een schrikbeeld opdoemde van onverwerkbare stromen beroepschriften.1 Onder druk van de Tweede Kamer2 werd uiteindelijk in de AWR geregeld dat de inspecteur voortaan een besluit moest nemen of en in hoeverre de (nog steeds) rechtstreeks uit de wet belopen verhoging werd kwijtgescholden.3 Tegen dat kwijtscheldingsbesluit kon vervolgens in rechte worden opgekomen, en zo kon over de uiteindelijke hoogte van de boete (inclusief de individuele straftoemeting door middel van kwijtschelding) voortaan het oordeel van de rechter worden gevraagd.4 Wel werd, vanwege de vrees voor een te grote toeloop op de rechter, de toetsing door die rechter op initiatief van de regering beperkt tot een marginale.5 De mogelijke beroepsgronden waren limitatief in de wet opgesomd en kwamen neer op schendingen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het beginsel van détournement de pouvoir en het beginsel van een redelijke belangenafweging.6
Scheltens wees al vóór de invoering van de AWR op de strijdigheid van deze beperking van de beroepsgronden met het strafkarakter van de fiscale bestuurlijke boete.7 Volgens Scheltens behelst de inhoudelijke maatregel (het opleggen van een straf) iets heel anders dan ‘regulier’ overheidshandelen (zoals het verlenen van een vergunning), waarvoor de beperking van de beroepsgronden op zichzelf legitiem kan zijn. Voor regulier overheidshandelen is immers beleidsvrijheid noodzakelijk en daar past een marginale rechterlijke toetsing bij. Dat is bij het opleggen (en vooral toemeten) van een straf niet aan de orde. Hoewel ik het inhoudelijk met de visie van Scheltens eens ben,8 oordeel ik wat milder over de wetgever van de vijftiger jaren van de vorige eeuw. Uiteindelijk kwam er in de AWR in ieder geval een rechterlijke toetsingsmogelijkheid, hetgeen zeker niet zonder slag of stoot is gegaan.