Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.3.2.2:3.3.2.2 Het strafkarakter van de verhoging buiten kijf
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/3.3.2.2
3.3.2.2 Het strafkarakter van de verhoging buiten kijf
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940581:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
MvT bij art. 18, Kamerstukken II 1958/59, 4 080, nr. 3. Ook op andere plaatsen werd de bedoeling om leed toe te voegen herhaald, zie voor vindplaatsen: Feteris 2002, par. 1.3.3.4.
In dezelfde zin: Scheltens 1959, p. 24-25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de toelichting bij het wetsontwerp voor de AWR werd het strafkarakter van de verhoging definitief bevestigd. In duidelijke bewoordingen werd expliciet afstand genomen van het in het verleden ingenomen standpunt dat sprake zou zijn van een schadevergoeding voor gederfde belastinginkomsten in eerdere jaren. De verhoging in de AWR had het karakter van een ‘administratieve boete’, aldus de Memorie van Toelichting:
‘De in dit artikel bedoelde verhoging heeft het karakter van een administratieve boete; zij vormt dus niet, zoals met de verhoging van artikel 85 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 het geval was, een vergoeding voor gepraesumeerd nadeel dat de belastingplichtige de fiscus heeft berokkend.’1
Volgens de wettekst was de administratieve boete nog wel steeds een verhoging van de belasting, hetgeen wellicht is te wijten aan koudwatervrees van de wetgever (de term ‘boete’ had immers net zo goed ronduit en zonder omhaal gebruikt kunnen worden).2 Gelet op de Memorie van Toelichting was er van de zijde van de wetgever echter geen twijfel meer over het bestraffende karakter van de verhoging als fiscale bestuurlijke sanctie.