Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.6.4
III.6.4 Tussenconclusie overtrederschap leidinggevenden
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460242:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 15 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF8999, AB 2008/364, m.nt. Michiels (CZL Tilburg). Zie voor de toepassing van de CZL Tilburg-toets in uitspraken van na de inwerkingtreding van de Vierde tranche Awb bijvoorbeeld: ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1273; ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1274; ABRvS 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1053, JOM 2017/414; M&R 2017/124, m.nt. Arentz; ABRvS 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:396; ABRvS 30 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3630; ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2521, AB 2012/134, m.nt. van Mil; ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2639, M&R2020/13, m.nt. van ’t Lam, r.o. 3.2.
Bijvoorbeeld door een betrokkene die geen normadressaat is, aan te merken als pleger – wat niet kan – in plaats van deze te kwalificeren als deelnemer. In de Houtwal-uitspraak kwam de Afdeling tot de slotsom dat de aangesprokene geen normadressaat was – wat overigens betwijfeld kan worden – en dus geen overtreder is, terwijl via feitelijk leidinggeven de weg naar overtrederschap nog openlag. ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1667, M&R 2015/151, m.nt. Van ’t Lam (Houtwal). Het tegenovergestelde gebeurde in de rechtszaak tegen de Holding van Chemie-Pack: het is me onduidelijk waarom daar wordt gekozen voor een deelnemingsfiguur in plaats van de aansprakelijkheid via functioneel plegen te laten lopen. Voordeel is dat dan geen voorwaardelijk opzet aangetoond hoeft te worden. Zie r.o. 5.3 van ABRvS 19 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:515, AB 2014/193, m.nt. Kortmann (Chemie-Pack Holding). Ook in ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:598, M&R 2020/37, m.nt. Pellekaan & De Graaf gaat het om voorschriften die zijn geadresseerd aan de appellant, waardoor de weg van plegen nog open lag. In plaats daarvan wordt gekozen voor feitelijk leidinggeven. Die weg loopt vervolgens dood, omdat de boedel geen rechtspersoon is in de zin van artikel 51 lid 2 en 3 Sr.
Instemmend, Doorenbos 2013, o.a. par. 8.15.
Zie par. II.3.4 en par. II.7.2.
In paragraaf III.6 heb ik onderzocht of in het bestuursrecht natuurlijke personen in een leidinggevende functie kunnen worden aangemerkt als overtreder van een milieuvoorschrift. Daartoe stond ik stil bij de invulling die de hoogste bestuursrechters geven aan het leerstuk van overtrederschap. Mijn indruk is dat het CBb de in het strafrecht ontwikkelde aansprakelijkheidscriteria voor overtrederschap reeds nauwgezet toepast. De bestudering van de rechtspraak van de Afdeling laat echter zien dat de door de wetgever beoogde aansluiting van overtrederschapsvormen op strafrechtelijke daderschapsvormen nog niet volledig is gerealiseerd. Het meest in het oog springende verschil met het strafrecht is de invulling die de Afdeling geeft aan functioneel plegerschap. De Afdeling gebruikt – zowel bij natuurlijke personen als bij rechtspersonen – in plaats van de verruimde IJzerdraadcriteria nog altijd haar eigen formule voor de toerekening aan de functionele pleger, namelijk de weinig richtinggevende CZL Tilburg-toets.1 Verder valt op dat de Afdeling voor de beoordeling van feitelijk leidinggeven de Slavenburg-toets wel omarmt, maar sommige criteria anders invult. Ook komt het voor in jurisprudentie van de Afdeling dat partijen niet redeneren aan de hand van een op-de-situatie-toegesneden overtrederschapsvorm, maar het overtrederschap via een omslachtige of onmogelijke route proberen vast te stellen.2
In deze paragraaf doe ik de aanbeveling dat de Afdeling wat betreft overtrederschap alsnog aansluit bij het strafrecht.3 Dit is niet alleen in lijn met de wil van de wetgever, maar zorgt ook voor een beter gestructureerde en meer inzichtelijke beoordeling van overtrederschap, waarbij het overtrederschap bovendien beter aansluit op de materiële verantwoordelijkheid van de aangesprokene. De huidige toets voor functioneel plegerschap van de Afdeling is naar mijn mening weinig richtinggevend en te ruim. Het is te ruim, omdat een aanvaardingsvereiste ontbreekt en omdat zelfs beschikkingsmacht geen noodzakelijk vereiste blijkt te zijn, waardoor ook iemand die niet zelf de bestanddelen van het geschonden voorschrift vervult kan worden aangesproken als pleger. Zodoende komt de aansprakelijkheidsdrempel wel erg laag komt te liggen. Ook wat betreft feitelijk leidinggeven verdient het aanbeveling dat de Afdeling meer aansluiting zoekt bij het strafrechtelijke leerstuk. Door de nadruk die de Afdeling legt op de formele positie van de feitelijk leidinggever bij toepassing van de Slavenburg-toets, ontspringen sommige feitelijk leidinggevers onterecht de dans, en worden anderen juist onterecht (of om de verkeerde redenen) aangemerkt als feitelijk leidinggever.
In veel gevallen zal de strafrechtelijke toets leiden tot hetzelfde resultaat als de huidige toets van de Afdeling, zij het met een andere motivering of andere grondslag. Maar de aansluiting bij het strafrecht zorgt naar mijn idee voor meer rechtszekerheid en beter gemotiveerde beslissingen. De aansprakelijkheidsdrempel voor functioneel plegerschap komt weliswaar hoger te liggen, maar niet te hoog. Dat het overtrederschap van leidinggevenden daarmee niet illusoir wordt, blijkt ook uit het strafrechtelijke hoofdstuk.4
Dat wil echter niet zeggen dat als de aanbeveling niet wordt gevolgd, dat met de overtrederschapstoets zoals de Afdeling hem in de bestudeerde rechtspraak heeft gehanteerd de eerste onderzoeksvraag van dit hoofdstuk ontkennend moet worden beantwoord. De huidige toets van de Afdeling is immers juist ruimer dan de strafrechtelijke. Er zijn verschillende voorbeelden in de rechtspraak die illustreren dat ook in de huidige doctrine sancties kunnen worden opgelegd aan bestuurders, directeuren, bedrijfsleiders, eigenaren, en andere natuurlijke personen met een leidinggevende functie. Dat leidt tot de slotsom dat zowel met de toets die de Afdeling hanteert als met de strafrechtelijke systematiek een leidinggevende kan worden aangemerkt als overtreder van milieunormen.