Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.1:5.1 Opzet van het hoofdstuk
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.1
5.1 Opzet van het hoofdstuk
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971906:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De voorgaande hoofdstukken zagen op informatierechten die verband hielden met de algemene vergadering. In dit hoofdstuk staat centraal de redelijkheid en billijkheid als juridische grondslag voor een informatierecht van individuele aandeelhouders buiten het verband van een aandeelhoudersvergadering. Ik zal kortheidshalve spreken van het informatierecht buiten vergadering. De overige wettelijke informatierechten van individuele aandeelhouders buiten vergadering laat ik buiten beschouwing.1
In dit hoofdstuk bespreek ik de volgende onderwerpen. Ik begin in paragraaf 5.2 met een weergave van de ontwikkeling van het informatierecht buiten vergadering aan de hand van richtinggevende rechtspraak. Het informatierecht buiten vergadering is een belangrijk onderdeel van de zorgplicht die de vennootschap heeft te betrachten ter bescherming en bevordering van de belangen van haar aandeelhouders.
Vervolgens behandel ik in paragraaf 5.3 een aantal aspecten van het informatierecht buiten vergadering. Ik sta onder meer stil bij de reikwijdte van dat informatierecht, de uitoefening daarvan en enkele logistieke aspecten van de informatieverstrekking. In paragraaf 5.4 ga ik in op de regulering van het informatierecht buiten vergadering, aan de hand van een viertal aan de rechtspraak ontleende gezichtspunten. Ook hier ligt de nadruk weer op de beslotenheid van het samenwerkingsverband. In open verhoudingen, die worden gekenmerkt door een gespreid aandelenbezit en beperkte betrokkenheid van aandeelhouders, zal geen ruimte zijn voor een informatierecht buiten vergadering.
Ik deel enkele slotbeschouwingen in paragraaf 5.5. Daarbij benoem ik het belang van verdere ontwikkeling van dit leerstuk om meer houvast te bieden aan de praktijk. Ook licht ik toe dat het geen meerwaarde zou hebben om het informatierecht buiten vergadering, dat is gestoeld op artikel 2:8 BW, te codificeren. In dit verband wijs ik onder meer op de beperkte meerwaarde die de codificatie van het recht op inlichtingen ter vergadering heeft gehad, alsmede de kritiek die is geuit op de codificatie van de Duitse tegenhanger van het informatierecht buiten vergadering.