Informatierechten van aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.5:5.5 Slotbeschouwingen
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/5.5
5.5 Slotbeschouwingen
Documentgegevens:
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971896:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het informatierecht buiten vergadering past binnen een ontwikkeling in de (enquête)rechtspraak over de afgelopen vier decennia. Daarin is de nadruk steeds meer komen te liggen op transparantie van de vennootschap jegens haar aandeelhouders, ook buiten het verband van de aandeelhoudersvergadering. Waar die ontwikkeling aanvankelijk met name zag op gevallen van (dreigende) belangenverstrengeling, lijkt het informatierecht buiten vergadering zich inmiddels te verbreden. Het informatierecht buiten vergadering dient daarbij te worden geplaatst binnen de sleutel van een zorgvuldige uitoefening van de bestuurs- en toezichthoudende taak van de vennootschapsleiding en niet de formele bevoegdheidsverdeling binnen de vennootschap.
In de praktijk komt met name aan het informatierecht buiten vergadering veel betekenis toe. Dit leerstuk ontwikkelt zich in rap tempo in de rechtspraak, mede dankzij de bestendige lijn die de Ondernemingskamer sinds Bosal voert. Ik verwacht dat deze lijn uiteindelijk – uitdrukkelijk – door de Hoge Raad zal worden bekrachtigd, zoals ook kan worden afgeleid uit de 81 RO-beschikking inzake Steenfabriek. Deze ontwikkeling zal bijdragen aan de invulling van de toepasselijke open norm en daarmee zorgen voor meer rechtszekerheid in de praktijk.
Het kan verleidelijk zijn om die rechtszekerheid trachten te bieden door het informatierecht buiten vergadering te codificeren, zoals is gebeurd met het recht op inlichtingen. Met Lennarts,1 vraag ik mij af of de wetgever daar verstandig aan zou doen. Het risico bestaat dan dat een uitdrukkelijke wettelijke bepaling verder zou worden uitgewerkt en ‘dichtgemetseld’, waardoor de benodigde flexibiliteit verloren kan gaan. Bij een te open wettelijke bepaling is dan weer de vraag wat de meerwaarde is van die bepaling ten opzichte van het huidige artikel 2:8 BW. Wordt die bepaling te breed geformuleerd, dan bestaat bovendien het risico op een te breed informatierecht. Ik breng in herinnering de kritiek die in Duitsland is geuit op § 51a GmbHG, een informatierecht buiten vergadering dat vanwege zijn breedte zijn doel voorbijschiet.2
De zorgplicht van artikel 2:8 BW biedt reeds een voldoende basis voor het informatierecht buiten vergadering en past bij het Nederlandse open norm-denken. Die open norm kan flexibel meebewegen, niet alleen naargelang de betreffende vennootschap daartoe noopt maar ook naargelang de maatschappelijke visie op de rol en positie van de aandeelhouder verandert. Rechtspraak kan helpen om daarbij richting te geven. De praktijk is daar beter mee gediend dan een wettelijk verankerd informatierecht buiten vergadering.