Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.5.3
4.5.3 Omzetting op grond van het huidige recht; vermogensklem
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388543:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rechtbank Arnhem 14 mei 1992, NJ kort 1992, 45 (Stichting Werkpool). Zie hierover Snijder-Kuipers 2010, p. 133.
Snijder-Kuipers (Snijder-Kuipers 2010, p. 133-137, en Snijder-Kuipers 2008) maakt onderscheid in twee leren. De strikte leer gaat uit van het gehele vermogen van de stichting op het moment van omzetting, te weten alle afzonderlijke vermogensbestanddelen, zowel aan de activa- als de passivazijde van de balans. Vruchten van het vermogen zijn in deze leer de inkomsten uit de vermogensbestanddelen ook na de datum van omzetting, bijvoorbeeld rente op een bankrekening en dividenden op aandelen die de stichting hield. De flexibele leer gaat uit van de waarde van het vermogen op het moment van omzetting: het saldo van de activa en passiva. Op deze manier wordt het eigen vermogen van de stichting op de datum van omzetting gefixeerd. Vruchten van het vermogen zijn in de flexibele leer vruchten van het gefixeerde vermogen per de datum van omzetting (en niet daarna). P.-G. Vlas stelt in zijn conclusie bij het Optas-arrest (HR 21 januari 2011, RO 2011/25) dat uit de wetsgeschiedenis en de rechtspraak niet kan worden geconcludeerd of er voor de strikte of de flexibele leer moet worden gekozen.
HR 21 januari 2011, RO 2011/25 (Optas).
Deze zin is toegevoegd naar aanleiding van een opmerking van Kamerlid Wolffensperger over het lot van het vermogen van een stichting na omzetting in een andere rechtsvorm terwijl de omgezette rechtspersoon vervolgens bij een fusie verdwijnt. Kamerstukken, 1987-1988, 17 725, nr. 18.
In de juridische literatuur is opgemerkt dat omzetting van een stichting in een BV, gevolgd door grensoverschrijdende omzetting van die BV in bijvoorbeeld een Duitse GmbH (of grensoverschrijdende fusie met een Duitse GmbH die het vermogen van de BV verkrijgt), er toe leidt dat het gebonden stichtingsvermogen de Nederlandse rechtssfeer verlaat omdat de Nederlandse vermogensklem niet over de grenzen heen werkt (Boschma & Schutte- Veenstra 2014). Grensoverschrijdende omzetting is vooralsnog niet wettelijk geregeld. In 2012 heeft de Commissie Vennootschapsrecht geadviseerd over een wetswijziging en daartoe een concept wetsvoorstel opgesteld. In dit wetsvoorstel wordt grensoverschrijdende omzetting van een NV of BV met een gebonden stichtingsvermogen vanwege het verdwijnen van de vermogensklem uitgesloten. Door Boschma (Boschma 2013) is een minder radicale regeling voorgesteld, inhoudende dat BV’s en NV’s met een “geoormerkt” stichtingsvermogen (het voormalige stichtingsvermogen dat nu beklemd is) zich in beginsel wel grensoverschrijdend kunnen omzetten, maar dat een veiligheidsklep wordt ingebouwd. Deze veiligheidsklep houdt in dat voor de grensoverschrijdende omzetting (net als bij binnenlandse omzetting op grond van artikel 2:18 lid 4 BW) een rechterlijke machtiging vereist is. De rechter kan dan per geval toetsen of er een dwingende reden van algemeen belang speelt die zich tegen de grensoverschrijdende omzetting verzet, aldus Boschma.
Zie ook Dorresteijn 2011, p. 109-120.
Zie ook Hof Amsterdam (OK) 10 november 2011, RO 2012/9 (Stichting Kinderopvang Noord-West Friesland) waarin de ondernemingsraad in een procedure op grond van artikel 26 WOR als belangrijk bezwaar tegen het voorgenomen besluit tot omzetting van de stichting in een BV aanvoerde dat het beklemde vermogen niet op de juiste wijze was berekend.
Het huidige artikel 2:18 lid 4 BW bepaalt dat voor omzetting van of in een stichting rechterlijke machtiging vereist is. Bij omzetting van een stichting in een andere rechtsvorm moet bovendien het vermogen beklemd worden op grond van artikel 2:18 lid 6 BW. Dit artikellid luidt als volgt:
Na omzetting van de stichting moet uit de statuten blijken dat het vermogen dat zij bij omzetting heeft en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan voor de omzetting was voorgeschreven. Hetzelfde geldt voor de statuten van een rechtspersoon voor zover dit vermogen en deze vruchten daarop krachtens fusie of splitsing zijn overgegaan.
Ingeval van omzetting in een BV of NV wordt volgens jurisprudentie aan deze wettelijke eis voldaan indien een statutaire reserve gevormd wordt, die bestemd is voor het doel waarvoor de stichting in het leven geroepen was.1De omvang van het beklemde vermogen (dat al dan niet wordt omgezet in een statutaire reserve) moet worden vastgesteld op het moment van omzetting. In dat verband kan een balans opgesteld worden, waarnaar in de akte van omzetting en statutenwijziging wordt verwezen. Voorts kunnen de statuten uitdrukkelijk bepalen dat het aldus vastgestelde vermogen en de vruchten daarvan slechts met toestemming van de rechter anders mogen worden besteed dan overeenkomstig het doel zoals dat voor de omzetting luidde.
Vermogen en vruchten daarvan
Uit de wet is niet op te maken wat precies moet worden verstaan onder “vermogen” en “vruchten daarvan”.2 P.-G. Vlas stelt in zijn conclusie bij het Optas-arrest3 uit 2011 dat afhankelijk van de omstandigheden van het geval de activa en passiva dan wel het saldo daarvan beklemd is. Hij noemt het voorbeeld van een stichting die ten doel heeft een bepaalde collectie waardevolle schilderijen te bewaren en ten toon te stellen. In dat geval ligt voor de hand dat de afzonderlijke vermogensbestanddelen (de schilderijen) het beklemde – dus te beschermen – vermogen vormen. In dat geval wordt een strikte leer gevolgd. In andere gevallen, zoals bij een pensioenfonds, kan worden uitgegaan van het saldo van het eigen vermogen bij omzetting, aldus Vlas, hetgeen ook wel de ruime leer wordt genoemd. De HR volgt Vlas hierin en overweegt dat de strikte leer in het geval van pensioenfonds Optas tot onpraktische gevolgen zou leiden, aangezien voor elke besteding rechterlijke machtiging vereist zou zijn. Het vermogen van de stichting zou in feite afgezonderd moeten worden teneinde na te kunnen gaan wat de vruchten van de beklemde vermogensbestanddelen zijn.
Op grond van de tweede zin van artikel 2:18 lid 6 BW is beklemming eveneens voorgeschreven in het geval vermogen overgaat door een op de omzetting volgende juridische fusie of splitsing.4 De regeling is niet van toepassing op juridische fusie of splitsing van de stichting zelf, maar slechts op de juridische fusie of splitsing van de omgezette rechtspersoon (de voormalige stichting).5 De vraag kan gesteld worden of het doelgebonden vermogen van een stichting niet in andere gevallen dan omzetting in een andere rechtsvorm een zekere mate van bescherming behoeft.6
Rol van de raad van toezicht?
Vanwege het belang van het doelgebonden vermogen kan gezegd worden dat een van de taken van de raad van toezicht van een stichting of een voormalige stichting zou moeten zijn er op toe te zien dat het vermogen wordt aangewend conform het doel van de stichting. Ik meen dat de raad van toezicht bovendien voldoende mogelijkheden en bevoegdheden zou moeten hebben teneinde een rol te kunnen spelen bij de bescherming van het doelgebonden vermogen.
Indien er een raad van toezicht is ingesteld ligt het mijns inziens voor de hand dat deze – net als bij het besluit tot doelwijziging – bij het besluit tot omzetting van de stichting wordt betrokken, bijvoorbeeld door voorafgaande goedkeuring van het besluit tot omzetting voor te schrijven. De raad van toezicht dient na te gaan of het bestuur de gevolgen van de omzetting en de belangen van degenen die bij de stichting zijn betrokken voldoende heeft afgewogen en kan daarbij toetsen of het vermogen voldoende beschermd wordt.7
Voorafgaande goedkeuring zou statutair geregeld kunnen worden maar aangezien dit voor alle stichtingen relevant is, zou een dergelijke betrokkenheid van de raad van toezicht mijns inziens in de wet geregeld dienen te worden.