Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/5.3.3.3
5.3.3.3 De harmonisatie van het gegevensbeschermingsrecht
mr. T.F. Walree, mr. P.T.J. Wolters, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree, mr. P.T.J. Wolters
- JCDI
JCDI:ADS267482:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
Opmerking verdient dat de AVG keuzeruimte aan de lidstaten gunt ten aanzien van de invulling van een groot aantal bepalingen in de AVG, zoals art. 6 lid 2, art. 8 lid 1 en art. 9 lid 4. In Nederland wordt in de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming van die keuzeruimte gebruikgemaakt. Zie ook over deze keuzeruimte voor lidstaten Blume 2012, p. 132-133; Davies 2016, p. 294-296.
Zie ook paragraaf 3.3.2; noot 40.
Zie over deze mogelijke verschillen Wolters 2019, p. 22-23; Van der Jagt-Vink 2019, p. 290-292.
Het recht op schadevergoeding bij een schending van het mededingingsrecht (paragraaf 3.3.2) vloeit wel voort uit het recht van de Europese Unie. De procedurele regels worden echter door de lidstaten vastgesteld. Zie bijvoorbeeld HvJ EG 20 september 2001, C-453/99, ECLI:EU:C:2001:465 (Courage/Crehan), punt 29; HvJ EG 13 juli 2006, gevoegde zaken C-295/04-C-298/04, ECLI:EU:C:2006:461 (Manfredi); HvJ EU 14 maart 2019, C-724/17, ECLI:EU:C:2019:204 (Skanska), punt 24 en 27. Zie over de invloed van deze regels op de harmonisatie overweging 8 Richtlijn privaatrechtelijke handhaving mededingingsrecht.
Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad (‘Richtlijn oneerlijke handelspraktijken’) (PbEU 2005, L 149/22).
Art. 1 en 4 en overweging 2, 3, 5, 12 en 13 Richtlijn oneerlijke handelspraktijken (vrije verkeer van goederen en diensten en vrijheid van vestiging) en art. 1 lid 1 en 3 en overweging 2, 3, 5, 6, 12, 53, 123 en 166 AVG (vrije verkeer van persoonsgegevens).
Zie uitgebreid Verkade 2016, nr. 8 en 74; Faraj & Tigelaar 2018, p. 284-293.
De richtlijn verschilt in dit opzicht van het in paragraaf 3.3.2 besproken mededingingsrecht. Het mededingingsrecht is in de eerste plaats gericht op de bescherming van ‘de markt’, maar ook mede op de bescherming van concurrenten. HvJ EG 4 juni 2009, C-8/08, ECLI:EU:C:2009:343 (T-Mobile/NMa), punt 38; HvJ EG 6 oktober 2009, gevoegde zaken C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, ECLI:EU:C:2009:610 (GlaxoSmithKline/Commissie), punt 63. Vergelijk Whish & Bailey 2018, p. 21-22. Zie voor een voorbeeld van een vordering tot schadevergoeding in een conflict tussen concurrenten HvJ EU 23 oktober 2014, C-302/13, ECLI:EU:C:2014:2319 (flyLAL/Starptaustikā).
Zij gaat buiten de genoemde overweging 9 zelfs in het geheel niet in op de positie van concurrenten.
Het recht op schadevergoeding draagt ook bij aan het vrije verkeer van persoonsgegevens en de harmonisatie van het gegevensbeschermingsrecht en zijn handhaving.1 Het stelt de concurrent allereerst in staat om een level playing field af te dwingen. De AVG heeft overal in de Europese Unie dezelfde inhoud.2 Er ontstaat echter geen level playing field zolang de nationale toezichthoudende autoriteiten en betrokkenen de AVG op uiteenlopende wijzen uitleggen en handhaven.3 Aanvullende handhaving door de concurrent kan deze verschillen in de handhaving verkleinen. Zij kan ertoe leiden dat verwerkingsverantwoordelijken zich ook aan de AVG moeten houden in landen of situaties waar de toezichthoudende autoriteit minder streng handhaaft. Zij kan daarnaast bijdragen aan het wegnemen van eventuele verschillen in de interpretatie van de AVG door een autonome interpretatie van het Hof van Justitie uit te lokken.4
Als de concurrent geen bescherming kan ontlenen aan art. 82 lid 1 AVG, kan dit daarnaast tot verschillen leiden door het bestaan van andere nationale bepalingen. Zelfs als art. 82 lid 1 AVG geen recht op schadevergoeding creëert, kan een schending van het gegevensbeschermingsrecht ook via een andere grondslag tot een dergelijk recht leiden. Zij kan bijvoorbeeld een onrechtmatige daad opleveren op grond van oneerlijke handelspraktijken.5 Een dergelijk recht op schadevergoeding vloeit, in tegenstelling tot art. 82 lid 1 AVG, niet direct voort uit het recht van de Europese Unie. Zijn bestaan en voorwaarden zullen daarom per lidstaat verschillen. Dit leidt tot verschillen in de handhaving van het gegevensbeschermingsrecht.6
De mogelijke rol van concurrenten bij de handhaving van het Europese recht blijkt ten slotte uit de ‘Richtlijn oneerlijke handelspraktijken’.7 Deze richtlijn vertoont duidelijke parallellen met de AVG. Zij beschermt consumenten tegen oneerlijke handelspraktijken.8 Zij is dus net als de AVG (zie ook paragraaf 3.3.1) niet rechtstreeks gericht op de bescherming van concurrenten. De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en de AVG hebben echter tevens het doel om de interne markt door middel van harmonisatie te versterken.9 De richtlijn erkent dat ‘legitieme concurrenten’ kunnen worden benadeeld door op consumenten gerichte oneerlijke handelspraktijken (vergelijk paragraaf 2). Zij is volgens overwegingen 6 en 8 nadrukkelijk ook gericht op de indirecte bescherming van deze concurrenten. De AVG is minder expliciet. Wel is de harmonisatie volgens overweging 9 mede bedoeld om de mededinging te versterken. Dit vormt een argument om aan te nemen dat het financiële nadeel van de concurrent, anders dan bij Jutta Leth (paragraaf 3.3.1), wel binnen de beschermingsdoelstelling van de verordening valt.
De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken bepaalt expliciet dat concurrenten een rol kunnen spelen bij de handhaving. Art. 11 lid 1 verplicht de lidstaten om te zorgen voor de invoering van passende en doeltreffende middelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken. Deze middelen dienen het mogelijk te maken om de naleving van de richtlijn ‘in het belang van de consumenten’ te kunnen afdwingen. Het artikel stelt echter ook dat partijen die belang hebben bij het bestrijden van oneerlijke handelspraktijken, ‘met inbegrip van de concurrenten’, tegen deze handelspraktijken moeten kunnen optreden. In Nederland kunnen concurrenten schadevergoeding eisen of een andere civiele vordering instellen op grond van een schending van de regels met betrekking tot oneerlijke handelspraktijken.10 De richtlijn schrijft dit echter niet dwingend voor. De handhaving door concurrenten zou op grond van art. 11 lid 1 sub b ook kunnen plaatsvinden doordat zij oneerlijke handelspraktijken voorleggen aan de ACM11 of een vergelijkbare administratieve instantie in een andere lidstaat.
De Richtlijn oneerlijke handelspraktijken laat zien dat ook concurrenten een rol kunnen spelen bij de handhaving van Unierecht dat in de eerste plaats is gericht op de bescherming van andere partijen.12 De parallellen tussen deze richtlijn en de AVG pleiten ervoor om aan te nemen dat concurrenten ook een rol kunnen spelen bij de handhaving van de verordening.
Een belangrijk verschil met de richtlijn is echter dat de AVG geen bepaling of overweging bevat over handhaving door concurrenten.13 Zij gaat buiten de genoemde overweging 9 zelfs in het geheel niet in op hun positie. Hieruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de Europese wetgever bij de AVG geen handhavende rol aan concurrenten heeft willen toekennen. Een teleologische interpretatie leidt echter tot de conclusie dat concurrenten wel degelijk een rol kunnen spelen. Het recht op schadevergoeding van de concurrent kan immers bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen van de AVG (paragraaf 3.3.2 en 3.3.3).