Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.3.3:5.3.3 De Wegnahmerechte
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/5.3.3
5.3.3 De Wegnahmerechte
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644990:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Is er sprake van natrekking, dan kent het BGB in bepaalde gevallen een Wegnahmerecht (afscheidingsrecht) toe aan degene wiens zakelijk recht teniet is gegaan. Met zo’n ius tollendi vordert de gerechtigde afscheiding van een bestanddeel. Deze Wegnahmrechte vormen een wettelijke uitzondering op de hoofdregel en zijn in aantal beperkt, omdat de eenheidszaak bescherming verdient. Voor de ontmanteling van de eenheidszaak moet een gegronde reden bestaan. Hiervan is sprake als een zakelijk recht (ongewild) door natrekking teniet is gegaan. Voor die gevallen zijn in het BGB de Wegnahmerechte opgenomen: zij hebben als doel om de ongerechtvaardigde “onteigening” door natrekking terug te draaien en de oorspronkelijke eigenaar wederom eigenaar te maken van de nagetrokken zaak. De zakenrechtelijke draad van vóór de verbinding wordt opgepikt.
De iura tollendi vloeien voort uit een contract of uit bezit. Alle gerechtigden hebben uit dien hoofde de feitelijke macht over de eenheidszaak. Denk hierbij naast de bezitter aan de vruchtgebruiker of de huurder. Het BGB kent één uitzondering hierop, namelijk §951 lid 2 BGB. Volgens die bepaling verkrijgt een niet-bezitter, zoals de leverancier onder eigendomsvoorbehoud, in bepaalde gevallen een Wegnahmerecht. Vanaf zijn ontstaan is er overigens discussie over de aard van dit afscheidingsrecht.