Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.5.2
II.5.2 De bescherming van de minderheidsaandeelhouder
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380987:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 4 en p. 18: 'Hierbij staat voorop dat een minderheidsaandeelhouder rekening moet houden met het feit dat de besluitvorming binnen een vennootschap in beginsel door de meerderheid in de algemene vergadering wordt bepaald.'
Ontwerpen van wetten op de vennootschappen en andere, wijziging en aanvulling van de bepalingen omtrent de naamlooze vennootschap en regeling van de aansprakelijkheid voor het prospectus, Den Haag: Belinfante 1929, p. 39, § 1.
Zie in deze zin: HR 17 mei 1991, NJ 1991, 645 (Lampe/Tonnema), ro. 3.4.
Indien de OK uiteindelijk vaststelt dat van wanbeleid sprake was, kan bij wijze van definitieve voorziening een besluit worden vernietigd (art. 2:356 sub a BW) of een bestuurder worden ontslagen (art. 2:356 sub b BW).
HR 1 maart 2002, NJ 2002, 296 (Zwagerman Beheer) en HR 14 september 2007, NJ 2007, 612 (Versatel 111). Zie ook Timmerman (2009), p. 7, die schreef over de 'doorsijpeling van het in het algemene privaatrecht ontwikkelde idee van zorgplichten'.
Timmerman (2003), p. 91-92. Ten aanzien van de uittreding van art. 2:343 BW leek Timmerman genuanceerder, zie Timmerman (2003), p. 92; en (2007), p. 39-40: 'Een uittredingsrecht voor een minderheidsaandeelhouder op een zeer lichte grond past alleen in een systeem waarin de meerderheidsaandeelhouder niet gehouden is tot redelijk gedrag of althans dit gedrag van hem alleen heel moeilijk kan worden afgedwongen. In het Nederlands vennootschapsrecht is dit naar mijn mening niet het geval.'
Van Schilfgaarde (2002), p. 646.
De Kluiver (1999), p. 295; en (2010), p. 20, 23. Anders: Bartman (2002), p. 37-38.
Zie ook De Kluiver (2010), p. 20.
Ook De Kluiver (2010), p. 22, trok deze vergelijking.
Als een rode draad weeft de bescherming van de positie van de minderheidsaandeelhouder zich door de uitgangspunten voor een wettelijke geschillenregeling.1
In het spectrum van de bescherming van de minderheidsaandeelhouder signaleer ik een tweetal ijkpunten. Het eerste ziet op de feitelijke gevolgen van zijn positie. Het uitgangspunt is dat een minderheidsaandeelhouder hem onwelgevallige besluiten tegen zich moet laten gelden. Hij houdt immers slechts een minderheidspakket.2 Om met de woorden van de wetgever uit het begin van de vorige eeuw te spreken:
`(...) behooren derhalve bepalingen voor te komen, waarin de rechtmatige belangen van hen, die ter algemeene vergadering worden overstemd, steun en bescherming kunnen vinden. Niet bij ieder besluit der algemeene vergadering kan intusschen van deze bevoegdheid eener minderheid om tegen de gevallen beslissing op te komen, sprake zijn.'3
De meerderheidsaandeelhouder mag op zijn beurt zijn macht niet misbruiken. De grenzen van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW laten zich gelden.4 De repressieve sanctie op de niet-inachtneming van de normen van art. 2:8 BW is de vernietiging van het besluit van de aandeelhoudersvergadering ex art. 2:15 lid 1 sub b BW. Voor de minderheidsaandeelhouder met een zeker pakket staat daarnaast de weg open naar het enquêterecht met bijpassende onmiddellijke voorzieningen,
zoals de schorsing van het stemrecht op de aandelen van de meerderheidsaandeelhouder of de schorsing van de laatstgenoemde als bestuurder.5
De zorgplicht is het tweede ijkpunt. Uit de gedragsnorm van art. 2:8 BW volgt dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een vennootschap en de meerderheidsaandeelhouder onder omstandigheden een bijzondere zorgplicht hebben te betrachten jegens de minderheidsaandeelhouder. De Hoge Raad onderkent die zorgplichten.6
Deze ijkpunten leiden er overigens niet toe dat een minderheidsaandeelhouder per definitie een uittredingsrecht heeft. Neemt de grootaandeelhouder een besluit waar de minderheidsaandeelhouder het niet mee eens is, dan moet hij dat, gezien de aandelenverhoudingen, dulden. Zijn (financiële) belang is immers niet van zo'n gewicht dat hij een doorslaggevende stem heeft. Het negeren van de minderheidsaandeelhouder is gezien de in de jurisprudentie ontwikkelde zorgplichten echter ook weer niet toegestaan. De meerderheidsaandeelhouder mag zich niet te buiten gaan aan willekeurige machtsuitoefening. Indien de schending van de zorgplichten van zodanige aard is dat de minderheidsaandeelhouder daadwerkelijk in een benarde positie komt te verkeren, is toewijzing van zijn uittredingsvordering mogelijk.
In de literatuur is overigens wel geopperd de aandeelhouder een algemeen uittredingsrecht toe te kennen. Ingeval het karakter van de vennootschap en daarmee het karakter van het aandeelhouderschap wijzigen, dan kan volgens Timmerman de minderheidsaandeelhouder een appraisal right gegeven worden.7 Bij de grensoverschrijdende fusie is deze gedachte in art. 2:333h BW wet geworden. Indien een aandeelhouder tegenstemt en de fusie desondanks doorgaat, mag de aandeelhouder het toneel verlaten tegen een schadeloosstelling. Hij hoeft geen aandeelhouder te blijven van (bijvoorbeeld) een BV die over de grens naar Duitsland verdwijnt. Ook Van Schilfgaarde meende dat een wettelijk uittreedrecht zinvol kon zijn. Hij knoopte aan bij de bestaande uittreding. Een wettelijk uittreedrecht moest gelden voor de aandeelhouder die in zijn vermogensbelangen wordt geschaad.8 De Kluiver ging een stap verder. Hij meende dat naar Nederlands recht een algemeen uittredingsrecht voor de aandeelhouder gebaseerd kan worden op de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW.9 Met de aanwezigheid van een wettelijk uitgewerkte geschillen-regeling ligt het volgens mij niet direct voor de hand om zo'n uittredingsvordering toe te wijzen. Mijns inziens zal een afgewogen geschillenregeling met een door de rechter zorgvuldig toegepaste belangenafweging en toetsing van de norm voldoende uitweg bieden.
De geschillenregeling vormt het sluitstuk van de bescherming van de minderheidsaandeelhouder van een BV. Dit is één van de redenen voor de wijziging van de geschillenregeling met de invoering van de Flex-BV. De vergaande inrichtingsvrijheid kan meebrengen dat de minderheidsaandeelhouder in een benarde positie komt te verkeren. Niet alleen is de aandelenoverdracht door de afwezigheid van een markt voor aandelen in besloten verhoudingen bemoeilijkt, ook de eventuele aanwezigheid van de blokkeringsregeling draagt bij aan de onverkoopbaarheid van de aandelen.10 Met de geschillenregeling wordt de minderheidsaandeelhouder een uitweg geboden. Hij kan immers niet gedwongen blijven in de benarde positie te berusten. Dit staat in het verenigingsrecht bekend als de 'negatieve verenigingsvrijheid'.11 De verplichtingen die voor een lid van een vereniging (of een cooperatie) gelden, mogen niet dusdanig strikt van aard zijn, dat zijn uittreding feitelijk onmogelijk wordt. Een soortgelijke gedachte geldt voor de positie van de aandeelhouder evenzeer. Hij mag geen gevangene van zijn eigen aandeelhouderschap worden.