Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/9.3.5.1
9.3.5.1 De verplichte dekkingstransactie bij commerciële koopcontracten
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS380011:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Van een beperkte werking van de schadebeperkingsverplichting bij nakoming van overeenkomsten van aanneming van werk spreekt Peters 1995, p. 754-758.
Vgl. Laithier 2004, nr. 286, p. 394; en Sharpe 1992, nr. 7.90.
Zie voor Engeland bijv. Treitel 2004a, nr. 27-002; Peel 2007, nr. 21-018, p. 1101; en Beatson 2002, p. 633. Zie voor Amerika bijv. Farnsworth 2004, p. 748: `Because entering into a substitute transaction is a more efficient way of preventing further injury than is specific performance or an injunction, there is good reason to limit the injured party to damages in such a case.' Yorio 1989, p. 181 wijst erop dat vanwege het subsidiaire karakter van het recht op nakoming in de Verenigde Staten het toepassingsbereik van nakoming is beperkt tot de situaties dat er geen schadebeperkingsverplichting voor de schuldeiser bestaat: 'when the injured party is able and expected to mitigate, there is usually no right to specific relief; conversely, when specific performance is available to remedy a breach, there is usually no duty to mitigate.' Zie ook Layock 1991, p. 16. Spry 2001, p. 149 e.v., relativeert echter het belang van de schadebeperkingsgedachte als argument voor Engelse rechters om geen veroordeling tot nakoming te geven.
Bijv. Goetz & Scott 1983, p. 983-986; Murris 1982, p. 1060 e.v.; Eisenberg 2005, p. 1021-1024; en Smith 2005, p. 226 e.v, zie ook par. 2.4.
Sharpe 1992, nr. 7.90-7.100.
HR 19 november 1999, NJ 2000, 117, r.o. 3.5(Van Leeuwen/Van der Kaaij), vgl. ook de Conclusie van A-G Huydecoper onder 27 bij HR 15 december 2006, RvdW 2007, 11.
Kronman 1978, p. 352 vtnt. 85. Het door Kronman gehanteerde onderscheid tussen `property rules' en liability rules' is gebaseerd op het werk van Calabresi & Melamed 1972, p. 1089-1128.
Keirse 2003, p. 56-57 en 151.
Webb 2006, p. 66.
Het recht op nakoming verschaft de schuldeiser de bevoegdheid om van de schuldenaar in rechte de prestatie te vorderen die de schuldenaar op zich had genomen. Het recht op nakoming garandeert, binnen zekere grenzen, het recht van de schuldeiser op uitvoering van de overeenkomst zoals voorgesteld bij het aangaan van het contract. Het recht van de schuldeiser op nakoming ontneemt de schuldeiser echter de prikkel om de schade te beperken door op zoek te gaan naar een andere, mogelijk goedkopere, wijze waarop hij zijn beoogde contractsdoel kan realiseren. In andere woorden, bij een recht op nakoming lijkt er geen ruimte te zijn voor een schadebeperkingsverplichting.1 Indien de schuldeiser daarentegen geen nakoming, maar schadevergoeding vordert, dient hij wél het nodige te doen om de schade niet onnodig te laten oplopen (art. 6:101). Nakoming en de schadebeperkingsverplichting worden derhalve veelal als elkaar uitsluitende grootheden gezien.2 De doorkruising van de schadebeperkingsverplichting door het recht op nakoming is één van de klassieke en meest zwaarwegende argumenten van `common law' juristen3 en rechtseconomen4 tegen een standaard recht op nakoming. Zo zal bijvoorbeeld een koper die bij het uitblijven van levering nakoming vordert, geen vervangingsaankoop doen, omdat het recht op nakoming hem juist ertoe aanzet te wachten totdat de verkoper de toegezegde prestatie levert.5
Het is dan ook vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat art. 6:101, de geboekstaafde schadebeperkingsverplichting, bij nakoming geen rol speelt.6
De Rechtbank [is] blijkens (...) haar vonnis kennelijk uitgegaan van de opvatting dat degene die nakoming van een contractuele verplichting verlangt, geen volledige nakoming kan vorderen indien en voorzover hij nalaat maatregelen te nemen om het voor hem uit de niet-nakoming voortvloeiende nadeel te beperken. Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Het bepaalde in art. 6:101 BW, dat de Rechtbank voor ogen kan hebben gestaan, is uitsluitend van toepassing op vorderingen tot schadevergoeding.
Dat de schuldeiser met een recht op nakoming immuun is voor de schadebeperkingsverplichting, heeft in de rechtseconomische literatuur geleid tot de vergelijking van het recht op nakoming met het absolute eigendomsrecht.7
Dat het recht op nakoming een schadebeperkingsverplichting voor de schuldeiser uitsluit, is volgens Keirse terecht:8
Indien een schuldeiser (...) nakoming van een contractuele verplichting vordert en niet tevens schadevergoeding wegens wanprestatie, vindt art. 6:101 geen toepassing. (...) De debiteur die zelf bij machte is om de schade te beperken door (alsnog) te doen waartoe hij zich krachtens overeenkomst verplicht heeft, maar desalniettemin de schade op zijn beloop laat, mag van zijn wederpartij niet verlangen dat deze schadebeperkend ingrijpt.
In Engeland is de uitsluiting van de schadebeperkingsverplichting bij nakoming alsmede bij schadevergoeding gebaseerd op herstelkosten van een gebrek in de prestatie (`performance interest claims'), verdedigd met het argument dat deze vorderingen niet gericht zijn op compensatie, maar op het afdwingen van de primaire contractsverplichting. Webb schrijft:9
However, in such a form, the doctrine of mitigation can have no relevance to performance interest claims. This is because the nature of the claim is not of compensation for losses caused by the breach of contract but of enforcement of the defendant's primary obligation under the contract. There is no scope for the application of any principle requiring the claimant to act reasonably as the claim lies in the very fact that the defendant is under an obligation to perform his contractual obligations. Nothing that the claimant does or refrains from doing following the breach has any bearing on the right on which the claimant is relying and the claim he is bringing. His claim is that simply that the defendant perform his part of the contract. This is incapable of mitigation.
In deze paragraaf onderzoek ik of er, niettegenstaande de vaste lijn in de jurisprudentie en de literatuur op dit punt, niet toch gevallen zijn waarin de schuldeiser, nadat hij de schuldenaar middels een ingebrekestelling tevergeefs tot nakoming heeft aangesproken, schadebeperkende maatregelen zou moeten nemen in plaats van te kunnen volharden in zijn eis tot nakoming.