Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.3.2
3.2 Informatievoorziening
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS384014:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kemperink meent overigens dat de buitenlandclausule in het huidige tijdperk een anachronisme is geworden, met name voor zover zij nu nog een rol vervult bij de economische betrekkingen van Nederland met andere lidstaten van de Europese Unie. Hij meent dat er geen goede reden meer is om aan te nemen dat een acquisitie of afstoting door de ondernemer van een in Nederland gevestigde onderneming per definitie effecten zou hebben voor het bij de onderneming van de ondernemer werkzame personeel, terwijl dit niet per definitie het geval zou zijn wanneer het hier een acquisitie of afstoting door de ondernemer zou betreffen van een in een ander land van de Europese Unie gevestigde onderneming. Hij pleit voor schrapping van de buitenlandclausule waar het gaat om voorgenomen besluiten van de ondernemer tot overname of afstoting van zeggenschap over een in een ander land van de Europese Unie gevestigde onderneming (Kemperink 2002, p. 184).
Hoofdstuk 3, nr. 2.1.
Slagter 1981, p. 33.
Hoofdstuk 3, nr. 4.5. Zie Verburg 2007, p. 306 e.v. voor een opsomming van Nederlandse internationale concerns die deze constructie hanteren of hanteerden.
Van Beurden e.a. 2009, p. 43. De Blécourt e.a. 2009, p. 31, noemen als voorbeeld het convenant dat Unilever met zijn centrale ondernemingsraad heeft gesloten, waarin de medezeggenschap is geregeld evenals besluitvorming die gevolgen kan hebben voor de Nederlandse vestigingen.
De territoriale werking van de WOR kent uitzonderingen voor de informatievoorziening aan de ondernemingsraad. De door de ondernemer te verstrekken gegevens bevatten tevens de belangrijke investeringen in binnen- en buitenland. In de buitenlandclausule van artikel 25 lid 1, laatste zin, WOR is geregeld dat het onder b bepaalde (samengevat: het overnemen of afstoten van de zeggenschap over een andere onderneming) alsmede het onder n bepaalde (samengevat: een adviesopdracht aan een deskundige buiten de onderneming voor zover dit betrekking heeft op een aangelegenheid als bedoeld onder b) niet van toepassing is wanneer de andere onderneming in het buitenland gevestigd is, en dat redelijkerwijs niet te verwachten is dat het voorgenomen besluit zal leiden tot een besluit als bedoeld onder c t/m f (samengevat: een belangrijke reorganisatie voor de onderneming die door de ondernemer in Nederland in stand wordt gehouden). Deze clausule houdt op zichzelf reeds een uitzondering in op de territoriale beperking van de WOR: wanneer bijvoorbeeld het overnemen of afstoten van de zeggenschap over een andere onderneming in het buitenland leidt tot belangrijke consequenties voor de onderneming in Nederland, geldt de buitenlandclausule niet en dient aan de ondernemingsraad advies te worden gevraagd over de transactie in het buitenland.12
Voor de informatieverstrekking aan de ondernemingsraad over investeringen in het buitenland is van belang dat de buitenlandclausule in het geheel niet geldt.34 Deze informatie dient ook te worden verstrekt wanneer de investering geen belangrijke consequenties heeft voor de Nederlandse onderneming. Het gaat alleen om verwachtingen van de Nederlandse ondernemer over investeringen door die onderneming, niet om investeringen door andere concernvennootschappen (artikel 31a lid 6 slot WOR). Hetzelfde geldt voor het meerjarenplan van de Nederlandse ondernemer (artikel 31a lid 7 WOR).
De reikwijdte van artikel 31a lid 3 WOR, dat betrekking heeft op de door de ondernemer te verstrekken financiële gegevens, is breder. Dit artikel moet zo worden uitgelegd dat de “groep”, waarvan het gezamenlijke resultaat aan de ondernemingsraad moet worden bekendgemaakt, mede de buitenlandse ondernemingen omvat die tot hetzelfde concern behoren. Het doel daarvan is dat de onderneming niet verplicht is een afzonderlijke jaarrekening op te maken voor de gezamenlijke Nederlandse tot die internationale groep behorende ondernemingen.56
De WOR heeft dus extraterritoriale werking op de genoemde punten en verschaft de ondernemingsraad in beginsel mogelijkheden om vroegtijdig inzicht te verkrijgen in het te voeren (financiële) beleid van het Nederlandse internationale concern. Daarbij is wel van belang welke entiteit als ondernemer in de zin van de WOR te gelden heeft. Wanneer de ondernemingsraad op het niveau van de topholding van het concern is ingesteld, heeft hij de mogelijkheid de zojuist beschreven rechten uit te oefenen. Dat wordt anders wanneer, zoals bij veel concerns het geval is, de raad op een lager niveau in het concern opereert. Daarmee wordt het antwoord op de vraag hoeveel recht hij op strategische beleidsinformatie heeft, mede afhankelijk van de medezeggenschapsstructuur van het concern.
Dergelijke structuren komen in de praktijk in veel varianten voor. Niet alle Nederlandse internationale concerns kennen een medezeggenschapsstructuur waarin de centrale ondernemingsraad is ingesteld op het niveau van de topholding, groepsondernemingsraden acteren op het niveau van de divisies en lokale ondernemingsraden zijn ingesteld voor separate ondernemingen. Voor zover binnen het concern een centrale ondernemingsraad is ingesteld, is deze vaak verbonden aan een werkmaatschappij die zich enkele niveaus onder de topholding bevindt. Daardoor heeft de topholding niet te gelden als de ondernemer in de zin van de WOR en zijn de rechten van die raad beperkt tot medezeggenschapsrechtelijke relevante handelingen van het bestuur van de werkmaatschappij. Ook in concerns waar een gemeenschappelijke ondernemingsraad actief is, is de vraag naar de structuur daarvan relevant. In het instellingsbesluit voor deze raad kan worden opgenomen voor welke concernvennootschappen deze geldt; de topholding hoeft daarvan niet noodzakelijkerwijs deel uit te maken.
Het Nederlandse internationale concern kan zo door de structurering van de medezeggenschap invloed uitoefenen op de reikwijdte van de rechten van de ondernemingsraad over de internationale informatievoorziening en beleidsvorming. Soms zal deze medezeggenschapsstructuur historisch zijn gegroeid, maar in veel gevallen wordt bewust een scheiding gemaakt tussen de topholding, op welk niveau het concernbeleid wordt bepaald, en de werkmaatschappijen waar de ondernemingsraad is ingesteld. De vraag welke rechten de raad in die laatste situatie jegens het bestuur van de topholding heeft, hangt dan af van de vraag of sprake kan zijn van toerekening of medeondernemerschap voor bepaalde specifieke besluiten. Daarvoor geldt, zoals ik eerder opmerkte, dat dergelijke beïnvloeding sterk afhankelijk is van de omstandigheden en op een moment komt waarop de gedachten van de concernleiding in verregaande mate zijn uitgekristalliseerd.
Het scheiden van de Nederlandse en buitenlandse activiteiten van het concern kan plaatsvinden door toepassing van de Nederlandconstructie. Deze houdt in dat onder het niveau van de topholding een splitsing tussen buitenlandse en Nederlandse dochtervennootschappen wordt aangebracht, waarbij de Nederlandse dochters onder een Nederlandse structuurvennootschap worden geplaatst.78 Of werknemers in een concern dat volgens de Nederlandconstructie is ingericht enige mate van invloed kunnen uitoefenen, hangt dan mede af van de bevoegdheden die de raad van commissarissen op het niveau van de subholding waar de ondernemingsraad is ingesteld heeft gekregen. Wanneer die raad geen rol heeft bij de bepaling van het concernbeleid, is de invloed van de ondernemingsraad gering. Dat betekent dat de ondernemingsraad van het Nederlandse internationale concern weliswaar in theorie mogelijkheden heeft om tot beïnvloeding van de beleidsvorming te komen, maar dat de concernleiding van het Nederlandse internationale concern in de praktijk voldoende mogelijkheden heeft om deze invloed te beperken.
Via de ondernemingsovereenkomst van artikel 32 WOR (hierna ook: convenant) kunnen wel afspraken worden gemaakt over de rol van de ondernemingsraad bij de internationale beleidsvorming, en dat gebeurt in de praktijk in toenemende mate. Volgens onderzoek maken ondernemingsraden van Nederlandse internationale concerns het meest gebruik van de ondernemingsovereenkomst, onder meer om afspraken met de bestuurder te maken over hun betrokkenheid bij grensoverschrijdende aangelegenheden.910 De totstandkoming van een dergelijke overeenkomst staat of valt met de bereidheid van de concernleiding om hierover afspraken te maken. Dergelijke afspraken zullen overigens zelden inhouden dat de ondernemingsraad vroegtijdig betrokken is in de gedachtevorming over het internationale concernbeleid, in die zin dat hij een rol krijgt bij de vorming van de internationale strategie. Wel bevatten dergelijke convenanten geregeld een bepaling die inhoudt dat het bestuur van de topholding, waar nodig met ondersteuning door de concernstaf, het Nederlandse bestuur adequate informatie zal verstrekken, zodanig dat op het niveau van de Nederlandse dochtervennootschap voldaan kan worden aan de verplichtingen uit deWOR. Deze bepaling lijkt rechtstreeks te zijn ontleend aan de jurisprudentie van de Ondernemingskamer over informatieverschaffing in internationale concerns (zie hierna onder 4.4.1), die daardoor zijn effect op Nederlandse internationale concerns niet mist.