Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.2
23.2 Art. 3:316 BW; welke daad van rechtsvervolging stuit?
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS367794:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
MvA II, Pafi. Gesch. 3, p. 934.
11 januari 2006, NJF 2006, 370.
Beekhoven van den boezem, diss., p. 315.
Zie met name (met nadere voorbeelden en verwijzingen) Janssen, Advocatenblad 2004. Zijn stuk heeft primair betrekking op art. 700 lid 3 Rv. (dat handelt over de vereiste van het instellen van een eis in de hoofdzaak in geval van beslag), maar is ook van belang voor art. 3:316 BW omdat daar dezelfde terminologie wordt gehanteerd.
§ 17.2.3.
Ik vind steun voor mijn stelling bij Beekhoven van den Boezem, diss., p. 313: 'In het hier besproken geval heeft de debiteur echter aan een waarschuwing terzake geen behoefte: hij heeft immers zelf besloten het debat omtrent het bestaan van de vordering in volle omvang aan de rechter voor te leggen. Waar een waarschuwing geen doel dient, zou die door de wet ook niet moeten worden geëist.'
Ik heb dus bedenkingen bij de Conclusie, maar bijvoorbeeld Haak schrijft in zijn noot: 'In navolging van de heldere en overtuigende conclusie van de A-G tot verwerping van het beroep kan de Hoge Raad in het afwijzen van de cassatieonderdelen kort zijn'.
Beekhoven van den Boezem, diss., p. 313.
NJ 1992, 112. Zie ook over deze uitspraak, deels instemmend, deels kritisch, Beekhoven van den Boezem, diss., p. 311.
Volgens art. 3:316 BW wordt de verjaring gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde. Bij beantwoording van de vraag welke daden vallen onder dat begrip "iedere andere daad van rechtsvervolging" is doorslaggevend of de betreffende handeling het de debiteur duidelijk maakt dat de crediteur zijn recht wenst uit te oefenen.
Het doel van de daad van rechtsvervolging is, in stuitingsrechtelijk opzicht althans, hetzelfde als dat van andere stuitingshandelingen: het gaat erom de schuldenaar een voldoende duidelijke waarschuwing te geven dat hij ook na ommekomst van de verjaringstermijn (i) de beschikking houdt over zijn bewijsmateriaal en (ii) bij de inrichting van zijn vermogenspositie rekening houdt met de mogelijkheid dat hij alsnog zal moeten nakomen.
Hiermee is direct duidelijk dat, bijvoorbeeld, het indienen van een tuchtklacht geen stuitende werking heeft. Uit die tuchtklacht blijkt immers niet direct dat de klager ook vermogensrechtelijk gevolg aan de vermeende onzorgvuldigheid wil verbinden. Hetzelfde geldt voor het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, omdat ook daaruit de intenties van de crediteur niet per se duidelijk worden.
Wel een daad van rechtsvervolging in de zin van art. 3:316 zijn volgens de parlementaire geschiedenis het indienen van een verzoekschrift of het nemen van een conclusie in reconventie, de vermeerdering van eis, en de indiening van een vordering ter verificatie in het faillissement.1
Eveneens een daad van rechtsvervolging is bijvoorbeeld het leggen van executoriaal beslag (zie al HR 7 juni 1935 — er is geen reden thans anders te oordelen) en het indienen van een civiele vordering in het strafproces. Rechtbank Alkmaar2 overwoog te dien aanzien illustratief: "Door het indienen van een vordering in het strafproces tegen gedaagde terzake van het meermaal plegen van ontucht met een minderjarige, heeft eiseres onmiskenbaar te kennen gegeven dat zij schadevergoeding wenste van gedaagde. Het indienen bij de officier van justitie van een voegingsformulier met daarop een specificatie van een deel van de schade vormt een jegens (gedaagde) ingestelde eis." Beekhoven van den boezem bepleit met kracht van argumenten dat ook de betekening van de afwijzende uitspraak in het executiegeschil de verjaring van de dwangsomvordering stuit 3
In zijn arrest van 15 april 20054 overwoog de Hoge Raad in een arbeidsrechtelijke kwestie: "Het oordeel van het hof dat de vordering in de kortgeding-procedure tot doorbetaling van loon en schadevergoeding op de voet van art. 7:680 BW voor de toepassing van art. 3:316 lid 1 BW niet kan worden aangemerkt als een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 7:681 BW getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, zodat de verjaring van de vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag niet is gestuit." Nadere voorbeelden zijn elders in de literatuur te vinden.5 Ook de eerder geciteerde Duitse pendant van ons art. 3:316 BW6 kan ter inspiratie dienen.
De vraag kan zich voordoen of een daad van rechtsvervolging door de debiteur in plaats van de crediteur terzake van de litigieuze vordering stuitende werking heeft. De Hoge Raad heeft die vraag ontkennend beantwoord. Dat evenwel een beroep op de verjaring door de debiteur gegeven zijn eigen instigerende handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, lijkt verdedigbaar.
Over het algemeen ligt het niet voor de hand dat de debiteur terzake van de litigieuze vordering een daad van rechtsvervolging verricht, eenvoudig omdat hij daarbij in de regel geen belang heeft. Er zijn echter uitzonderingen. Men kan bijvoorbeeld denken aan de verklaring voor recht dat men niets verschuldigd is, en het aanhangig maken van een executiegeschil door de dwangsomdebiteur (de dwangsomdebiteur en niet de -crediteur maakt dit geschil aanhangig, omdat de dwangsomveroordeling de crediteur een executoriale titel verschaft).
In een kwestie waarin de verklaring voor recht aan de orde was, heeft de Hoge Raad bepaald dat de daad van rechtsvervolging door de debiteur geen stuitende werking toekomt. Een vervoerder vorderde een verklaring voor recht dat hij niet of beperkt aansprakelijk was voor schade als gevolg van diefstel van het vervoerde. Voordat Interpolis, de crediteur onder de verzekeringspolis, van antwoord diende en een eis in reconventie instelde, was volgens de vervoerder de verjaringstermijn voltooid. Dat verjaringsberoep werd door Hof en Hoge Raad gehonoreerd. De Hoge Raad overwoog:
"Zoals ook het hof heeft overwogen, volgt uit de tekst van art. 3:316 BW en de wetsgeschiedenis (Parl. Gesch. Boek 3, blz. 932 e.v.) dat onder "het instellen van een eis" in dat artikel slechts is te begrijpen het instellen van een eis van de zijde van de gerechtigde (schuldeiser) en niet mede het geval dat de wederpartij (schuldenaar) een eis instelt welke ertoe strekt dat in rechte wordt vastgesteld dat de door de gerechtigde gepretendeerde vordering niet bestaat. Dat de ratio en strekking van de verjarings- en stuitingsregels tot een ander oordeel zouden moeten leiden, valt niet in te zien. Anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, zijn ratio en strekking van genoemde regels niet daarin gelegen dat de zaak tijdig aan de rechter wordt voorgelegd."
Inderdaad lijkt men art. 3:316 BW te buiten te treden door aan de daad van rechtshandeling van de debiteur stuitende werking toe te kennen. Er staat ondubbelzinnig "van de zijde van de gerechtigde" en de verwijzing naar de parlementaire geschiedenis snijdt ook hout.
Desalniettemin lijkt het uitgesproken onbevredigend het verjaringsberoep van de debiteur hier te honoreren. Bij verjaring krachtens een korte termijn ging het erom de debiteur te beschermen tegen (a) teloorgang van bewijs en (b) het overvallen worden door een vordering die hij niet meer verwachtte. Waar de debiteur zelf werk van de vordering maakt, doet geen van die beide motieven opgeld. Aan die afwezigheid van een serieus te nemen debiteursbelang bij verjaring is nog toe te voegen dat ook de rechtvaardiging van verjaring jegens de crediteur — dat is in het normale geval: de crediteur zit gedurende lande tijd `verwijtbaar stil' — hier ongebruikelijk problematisch is: waar de debiteur een procedure instigeert, wordt de urgentie van het handelen van de crediteur weggenomen. Dat hij na de actie van de debiteur zelf niet nader doet weten dat het hem met de vordering nog ernst is, anders althans dan door in de procedure verweer te voeren, valt hem dus niet te verwijten. Het is, integendeel, een zeer voor de hand liggende manier van (niet) doen.7
Niet al te ver weg is de associatie met de erkenning. De erkenning heeft stuitende werking (art. 3:318 BW). Bij erkenning gaat het evenmin om een uiting van de crediteur, maar van de debiteur. Erkenning heeft stuitende werking, niet omdat de crediteur zijn intenties doet weten, maar omdat het handelen van de debiteur de eigen stuitingshandeling van de crediteur overbodig maakt.
De enige weg waarlangs men aan het voorgaande gevolg kan verbinden, veronderstellende dat inderdaad art. 3:316 BW voor het toekennen van stuitende werking aan de daad van rechtsvervolging door de debiteur geen ruimte biedt, lijkt mij art. 6:2 lid 2 BW te zijn: de debiteur handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door zich, na zelf terzake van de litigieuze vordering een daad van rechtsvervolging te hebben verricht, op verjaring te beroepen.
Die stelling is door Interpolis in het besproken arrest inderdaad betrokken. Het hof heeft haar evenwel verworpen en de Hoge Raad verwerpt het tegen dat oordeel gerichte middel: "De rechtsklacht neemt tot uitgangspunt a) dat de gerechtigde, indien zijn wederpartij de vordering reeds aan de rechter heeft voorgelegd op de wijze als Van Reenen heeft gedaan, erop mag vertrouwen dat de rechter zich over de vordering zal uitspreken en b) dat in een dergelijk geval geheel is voldaan aan de (...) ratio en strekking van de verjaringsen stuitingsregels. Het een noch het ander kan evenwel als juist worden aanvaard. Anders dan het onderdeel betoogt, geeft het bestreden oordeel van het hof dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting."
Deze motivering overtuigt nauwelijks. Wat a) betreft lijkt het mij toch voor de hand te liggen dat de rechter zich wel over de vordering uitspreekt. In ieder geval is het zo dat partijen over de vordering in debat geraken en meer is wat mij betreft voor de stuiting niet nodig. Wat b) betreft: hiervoor werd uiteengezet dat juist wel is voldaan aan de "ratio en strekking van de verjarings- en stuitingsregels" — zie dus nader het voorgaande betoog.
Een omstandigheid die kan hebben bijgedragen aan de naar mijn oordeel zwakke overweging van de Hoge Raad, kan gelegen zijn in de stellingen van Interpolis en de Conclusie A-G. Interpolis verdedigt, zo leest de Hoge Raad althans het middel, dat de ratio van verjarings- en stuitingsregels erin is gelegen dat "de zaak tijdig aan de rechter wordt voorgelegd". Dat is inderdaad niet juist. De Hoge Raad lijkt zich te hebben beperkt tot de negatieve beoordeling van die stelling en zich niet te hebben afgevraagd of eventueel aan de wel geldende ratio wel was voldaan.
De Conclusie A-G, belangrijker wellicht, begint met de naar mijn mening ongelukkige observatie dat het hier een termijn betreft die in het teken staat van de boven het concrete geval uitstijgende rechtszekerheid. Die conclusie lijkt mij onjuist: de éénjarige verjaringstermijn in het vervoerrecht bestaat zonder meer primair in het belang van de debiteur. Dat de termijn een objectief bepaald aanvangsmoment heeft, vermag aan die conclusie niet af te doen. Als we eenmaal op het dwaalspoor van de 'boven het individuele belang gelegen rechtszekerheid' geraken, is het juiste pad nauwelijks nog terug te vinden, omdat het ons in feite verboden is overwegende betekenis toe te kennen aan wat in de individuele verhouding rechtvaardig is — er is immers nog dat 'hogere belang' -, terwijl daar wat mij betreft nu juist wél doorslaggevende betekenis aan toekomt.8
De tweede passage in de Conclusie die bij mij bedenkingen oproept is de volgende over de strekking van verjarings- en stuitingsregels: "Die ratio en strekking brengen immers mee dat de schuldenaar na verloop van tijd niet meer behoort te kunnen worden gedwongen tot een debat over het ontstaan zijn of nog voortbestaan van de door de schuldeiser gestelde verplichting (met de aan een dergelijk debat verbonden problemen in verband met bewijslast en bewijsrisico) waarvan deze nakoming vordert ingeval de schuldeiser niet tijdig (dat wil zeggen voor afloop van de verjaringstermijn) en duidelijk heeft laten blijken dat hij aanspraak maakt op zijn recht. Dat de schuldenaar zelf de rechter heeft geadieerd met een vordering tot verklaring voor recht — kort gezegd — dat de door de schuldeiser gepretendeerde vordering niet bestaat, een vordering die overigens ook ertoe kan strekken om zekerheid te verkrijgen over de verjaring, is in dat verband niet van belang."
Ten eerste is onduidelijk waar in dit citaat het eerder aangekondigde algemeen belang is gebleven — kennelijk gaat het ook de A-G bij nader inzien primair om het belang van de debiteur. Belangrijker is dat door na het woord "ingeval" eenvoudig te poneren dat het er om gaat dat de crediteur duidelijk heeft laten blijken dat hij aanspraak maakt op het recht, de A-G zonder werkelijk motivering plotseling het hele probleem naar huis schrijft. Natuurlijk, als men vooropstelt dat vereist is dat de crediteur heeft laten blijken dat hij aanspraak maakt op zijn recht, dan is gegeven dat niet van belang is dat de schuldenaar de rechter heeft geadieerd. Maar het ging ons nu juist om de vraag óf en zo ja waaróm het nodig is dat de crediteur laat weten dat het hem nog ernst is, als het belang van de debiteur dat niet meer vergt nu hij zélf het spel op de wagen heeft gesteld.
Tot slot van bespreking van het arrest verdient nadruk, voor zover er verwarring mocht bestaan, dat mijn opvatting over de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in het onderhavige geval (vooralsnog) bepaald geen geldend recht is — zie immers het arrest. Ook in de literatuur is het geen uitgemaakte zaak; bijvoorbeeld Haak stemt in zijn noot van harte met de uitspraak in en Beekhoven van den Boezem, die als ik het goed zie op zichzelf dezelfde opvatting is toegedaan als ik, meent dat de Hoge Raad hier, gegeven nu eenmaal de tekst van de wet, niet anders had kunnen beslissen.9 Haar aanbeveling aan de crediteur om toch gewoon te stuiten, zij hier dus met nadruk herhaald.
Dat een rechter in een kwestie als de onderhavige ook anders kan beslissen dan de Hoge Raad in zijn hiervoor besproken arrest deed, zien wij in Hof Amsterdam 3 januari 1991:10 daar had de dwangsomdebiteur een executiegeding aanhangig gemaakt en rees de vraag of die daad van rechtsvervolging de verjaring van de dwangsomvordering stuitte.
Het Hof overweegt "dat het onderhavige executiegeschil tot hetzelfde resultaat moet leiden als in het geval dat [de dwangsomcrediteur] haar aanspraken in rechte geldend had gemaakt (...)". De argumenten voor mijn instemming met deze uitspraak gaf ik hiervoor.