Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/3.6.2
3.6.2 Vermogensovergang (1976-1991)
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS500298:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 12 mei 1960 tot vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Stb. 1960, 205, vervolgens Wet van 8 april 1976 tot vaststelling van de hoofdstukken 1 en 6 van de Invoeringswet Boek 2 nieuw B.V., Stb. 1976, 228 en ten slotte Stb. 1976, 395.
Kamerstukken I1960, 3769, 37ste vergadering.
F. Molenaar, 'Omzetting', TVVS 1982-4, p. 88.
Door Van Meeuwen in: Kamerstukken I1960, 3769, 37ste vergadering, p. 2274.
Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-11, p. 119-120.
T.J. van der Ploeg, Het burgerlijk Recht en de vrijwillige organisaties. Beschouwingen n.a.v. de regeling van de vereniging en de stichting in Boek 2 BW, Deventer: Kluwer 1978, p. 149.
Kamerstukken I1960, 3769, 37ste vergadering, p. 2282.
Rb. Breda 28 maart 1980, NJ 1980, 569.
Ibidem.
F. Molenaar, 'Omzetting', TVVS 1982-4, p. 87.
Kamerstukken II 1957/58, 3769, nr. 15.
Kamerstukken I1957/58, 3769, nr. 201.
Bij de vaststelling van Boek 2 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek kwam de Wet op stichtingen te vervallen. Twee regelingen voor omzetting bestonden naast elkaar maar hadden een verschillend rechtsgevolg.1 De eerste wijze van omzetting betekende vermogensovergang onder algemene titel; de tweede wijze van omzetting betekende vermogenshandhaving. De eerste wijze van omzetting was geregeld in de algemene bepalingen wat duidde op omzetting als verzamelomschrijving. Artikel 2.1.10.f bepaalde in lid 2 het volgende:
`Een omzetting krachtens dit of het voorgaande artikel moet geschieden volgens de bepalingen, voor de oprichting van de nieuw te vormen rechtspersoon gegeven. Zij doet de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke rechtspersoon onder algemene titel op de nieuw gevormde rechtspersoon overgaan.2
Omzetting leidde tot rechtsovergang onder algemene titel door oprichting van een nieuwe rechtspersoon. Was onder de Wet op stichtingen nog sprake van vermogen dat ingebracht moest worden, nu werd gesproken over overgang onder algemene titel. De eerste ontwikkelingsfase van de rechtsfiguur was een feit; van vermogensoverdracht naar vermogensovergang onder algemene titel.
Uitgangspunt was de omzetting als alternatief om ontbinding te voorkomen. Omzetting vond plaats voor die rechtspersonen die op grond van de materiële kenmerken niet meer aan de rechtsvorm voldeden. Van vrijwillige omzetting was nog geen sprake.
Een rechtspersoon in een verkeerde categorie leidde niet tot nietigheid van de rechtspersoon. De rechtspersoon was niet vanaf het ontstaansmoment nietig, maar deze rechtspersoon werd ontbonden, tenzij de rechtspersoon werd omgezet, bijvoorbeeld een cooperatie die functioneerde als een naamloze vennootschap, maar de rechtspersoon had geen verklaring van geen bezwaar ontvangen. Van terugwerkende kracht was geen sprake. Alles wat tot de omzetting was gebeurd, was geldig. Alles, wat na de omzetting was gebeurd was ook rechtsgeldig, wanneer aan alle vereisten was voldaan, maar dan als naamloze vennootschap. De rechtsopvolging onder algemene titel impliceerde dat geen registratierechten verschuldigd waren.
Van Meeuwen3 vond de mogelijkheid tot omzetting een reële verbetering van het ontwerp Meijers, maar Van Meeuwen vreesde dat de wettekst niet ver genoeg ging. De formulering van de wettekst leek te suggereren dat een rechtspersoon bij oprichting in het verkeerde hokje terecht gekomen was. Ook uitbreiding van werkzaamheden van een rechtspersoon zou onder het toepassingsbereik moeten vallen. Daarnaast achtte hij het niet gewenst dat eerst de wet overtreden moest worden alvorens omgezet kon worden. Hij pleitte daarom voor de vrijwillige omzetting om een omslachtige en kostbare ontbindingsprocedure te voorkomen. Meijers achtte een dergelijk ruim toepassingsbereik van de regeling niet gewenst; de enige te rechtvaardigen omzetting was die van een gewone vennootschap met rechtspersoonlijkheid in een naamloze vennootschap. Molenaar voelde wel voor vrijwillige omzetting.4
Een intrigerende vraag was wat de aanleiding was om omzetting tot stand te brengen. Daarover was men verdeeld. In hoofdzaak waren twee stromingen te onderscheiden. Een visie ging er vanuit dat voor omzetting de inhoud van de statuten bepalend was en niet het feitelijk functioneren. Om omzetting mogelijk te maken diende een besluit genomen te worden in strijd met de statuten waardoor de rechtspersoon niet meer voldeed aan de materiële kenmerken van de soort. Om de strijd met de wet op te lossen en om ontbinding te voorkomen, volgde omzetting in de gewenste soort rechtspersoon. Dit werd ook wel 'de Grote Leugen' genoemd.5 Deze zienswijze van Van Meeuwen, gesteund door Maeijer6 en Van der Ploeg7, werd niet door iedereen gedeeld. Het feit dat de wet eerst overtreden diende te worden, volgde uit het vereiste dat voor omzetting nodig was dat de rechtspersoon niet viel onder de wettelijke omschrijving van zijn soort, aangevuld met de eis dat de rechtspersoon tevens diende te voldoen aan de wettelijke omschrijving van de andere soort rechtspersoon. De tweede eis werd onder de Wet op stichtingen niet gesteld. Het feitelijk gedrag werd door deze auteurs geacht niet relevant te zijn en kon daarom geen grond voor omzetting zijn. Deze zienswijze is te star in het uitgangspunt van de materiële kenmerken.
Een andere visie ging uit van de gedachte dat niet alleen de inhoud van de statuten relevant was, maar eveneens het feitelijk functioneren. Omzetting vereiste geen besluit in strijd met de wet. Dat was zelfs ongewenst omdat bijvoorbeeld onzeker was of de rechterlijke machtiging wel verkregen zou worden. Drion vermeldde dat uitgangspunt tijdens de parlementaire behandeling.8 De Rechtbank Breda9 hanteerde een soepele benaderingswijze bij een vereniging die feitelijk een stichting was. De machtiging werd zonder veel woorden door de rechtbank verleend omdat de overgelegde conceptstatuten voldeden aan de wettelijke omschrijving van een stichting. Maeijer10 onderschreef de uitspraak maar was van mening dat de rechter diende te toetsen of de betrokken rechtspersoon wel feitelijk functioneerde als rechtsvorm waarin werd omgezet. Daarvan bleek uit de uitspraak niet. Die toetsing stelde de wet wel. Niet alleen de formele inhoud van de statuten was bepalend voor de vraag of een rechtspersoon aan de materiële kenmerken van de soort voldoet, maar ook het feitelijk functioneren was bepalend.11
Een belangrijke stap in het rechtsgevolg van omzetting werd duidelijk naar aanleiding van de amendementen Versteeg.12 Voorgesteld werd aan artikel 2.3.1.8 een nieuw lid toe te voegen, luidende:
`De omzetting krachtens dit artikel doet de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke rechtspersoon onder algemene titel op de nieuw gevormde overgaan.'
Het amendement ging uit van vermogensovergang onder algemene titel, zoals dat ook bij de huidige juridische fusie- en splitsingsregeling het geval is. Regeringscommissaris Drion stelde dat het amendement niet correct was omdat geen sprake was van verdwijning van een rechtspersoon waarvoor een nieuwe rechtspersoon in de plaats trad. Er was sprake van dezelfde rechtspersoon en van vermogenshandhaving. De tweede belangrijke ontwikkelingsfase in het karakter van omzetting was een feit; van vermogensovergang onder algemene titel naar vermogenshandhaving ofwel van vermogensovergang naar vormovergang. Het amendement werd dan ook ingetrokken (zo blijkt uit het tweede nader gewijzigd ontwerp van wet).13
De tweede vorm van omzetting was van andere aard, opgenomen in de titel van de naamloze vennootschap en niet in de algemene bepalingen. Deze wettelijke bepaling was de basis voor de latere regeling van rechtsvormwijziging van en in een kapitaalvennootschap. De rechtspersoon bleef bestaan, alleen het wettelijk regime veranderde.