Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.7.2
8.7.2 De taks tot vergoeding van successierechten
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232382:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is een van de bepalingen die in Vlaanderen niet is afgeschaft vanwege het federale karakter van de heffing.
Bij de poging tot invoering in Nederland van een vermogensbelasting op instellingen van de dode hand (Heffing eener belasting op de goederen in de Doode hand), merkte de minister op dat het niet rekening houden met schulden ‘in hare toepassing zeer onbillijk kan werken’, Kamerstukken II 1915-1916, 209, nr. 3, p. 6 (Memorie van Toelichting).
Parl. St. Senaat 1999-2000, nr. 2-283/2, p.7.
Weyts 2004, nr. 49.
Weyts 2004, nr. 40.
Vergelijk in dit verband ook de opmerking van Koele 2011 over het derdentarief in de erfbelasting in Nederland van voor 2010 en Sonneveldt 2000a, p. 249-250 ten aanzien van het tarief voor stichtingen.
Een van de bezwaren tegen vermogen in de dode hand was altijd, dat de dode hand niet kon overlijden waardoor de overheid geen belastingen kon heffen bij de overgang van vermogen, zo is gebleken in 2.3.1. Is dit ‘probleem’ in Duitsland ondervangen door de fictie van het vererven van het vermogen van een stichting elke dertig jaar (zie 8.6), in België is gekozen voor onderwerping van de private stichting aan de federale taks tot vergoeding der successierechten, ook wel patrimoniumtaks genoemd.
De grondslag voor de heffing berust op artikel 147 Wetboek der successierechten:
‘De verenigingen zonder winstoogmerk en de private stichtingen zijn vanaf 1 januari volgend op de datum van hun oprichting onderworpen aan een jaarlijkse taks tot vergoeding van de successierechten.’1
De taks beloopt 0,17% van de bezittingen van de stichting (artikel 152 Wetboek der successierechten). Behoudens twee uitzonderingen mogen schulden niet in mindering worden gebracht op de bezittingen.2 De voor het onderwerpelijk onderzoek belangrijke uitzondering is de door de stichting als algemene legataris van een nalatenschap nog uit te voeren legaten van een geldsom (artikel 150 lid 2 onder 2 Wetboek der successierechten). Achter deze vrijstelling zit geen verdere gedachte dan dat deze vrijstelling in de in de praktijk sedert lang door de administratie werd aanvaard. Bij de wijziging van de V&S-wet in 2003 is deze praktijk gecodificeerd.3
Daarnaast zijn bepaalde bezittingen vrijgesteld. Van deze vrijgestelde bezittingen noem ik hier alleen aandelen waartegen de stichting certificaten heeft uitgegeven (artikel 150 Wetboek der successierechten).4
Als een stichting een netto vermogen heeft van € 10.000, bestaande uit € 2.010.000 activa en € 2.000.000 schulden, bedraagt de taks € 3400. Meer dan een/derde van haar netto vermogen. Onder gelijk blijvende omstandigheden, is deze heffing elk jaar verschuldigd. De taks tot vergoeding van successierechten kan daardoor worden beschouwd als een grote feitelijke belemmering vermogen onder te brengen in een Belgische stichting. De heffing kan zelfs prohibitief werken, zo schrijft Weyts:
‘Deze vorm van vermogensbelasting aan het tarief van 0,17% zou, indien zij geheven werd [over aandelen waartegenover de stichting certificaten heeft uitgegeven, toev. TR], de doodsteek hebben betekend voor de private stichting als certificeringsvehicel voor aandelen in vennootschappen.’5
Voor gecertificeerde aandelen mag dan een vrijstelling van toepassing zijn voor de taks tot vergoeding van successierechten, voor ander vermogen geldt deze vrijstelling echter niet. De taks tot vergoeding van successierechten zou voor andere private stichtingen dan administratiekantoren van aandelen met substantiële activa, wel eens de ‘doodsteek’ kunnen zijn.6