HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, rov. 2.3.
HR, 16-05-2023, nr. 21/03786
ECLI:NL:HR:2023:720
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
16-05-2023
- Zaaknummer
21/03786
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:720, Uitspraak, Hoge Raad, 16‑05‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:329
ECLI:NL:PHR:2023:329, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 21‑03‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:720
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑07‑2022
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0099
JIN 2023/88 met annotatie van mr. C. van Oort
NTS 2023/50
Uitspraak 16‑05‑2023
Inhoudsindicatie
Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. belediging van ambtenaar (art. 266.1 jo. 267.2 Sr), bedreiging (art. 285.1 Sr) en wederspannigheid (art. 180 Sr). Aanhoudingsverzoek door niet gemachtigde raadsman tijdens tz. per telefoon en e-mail gedaan op grond dat raadsman tot zojuist geen contact heeft kunnen krijgen met verdachte en dat verdachte gebruik wil maken van aanwezigheidsrecht, door hof afgewezen o.g.v. ontbreken van nadere onderbouwing van verzoek. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1737 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat raadsman niet concreet de omstandigheid heeft aangevoerd die ten grondslag ligt aan aanhoudingsverzoek dat namens verdachte is gedaan, zodat verzoek moet worden afgewezen. In aanmerking genomen dat raadsman slechts verklaring heeft gegeven dat hij zojuist pas contact heeft kunnen leggen met verdachte en verder uitsluitend heeft volstaan met stelling dat verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03786
Datum 16 mei 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 19 augustus 2021, nummer 21-003708-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben T. Straten en I.T.H.L. van de Bergh, beiden advocaat te Maastricht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
2.2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de verdachte daar niet is verschenen en dat de raadsman van de verdachte evenmin is verschenen. Het houdt verder het volgende in:
“De griffier heeft op verzoek van de voorzitter om 11.30 uur, het aanvangstijdstip van de zitting, telefonisch contact gezocht met de raadsman van verdachte, welke oproep onbeantwoord is gebleven. Hierop heeft de griffier telefonisch contact gezocht met het kantoor van de raadsman. Een medewerker van het kantoor gaf aan dat mr. A.L. Rinsma op vakantie is en derhalve niet ter zitting zal verschijnen. De zaak zou worden waargenomen door zijn kantoorgenoot mr. M.H.A. Horsch (hierna: mr. Horsch), waarop de griffier is doorverbonden met mr. Horsch. Door mr. Horsch is aan de griffier medegedeeld, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen spreken en dat hij niet was gemachtigd om de verdediging te voeren. Mr. Horsch gaf aan dat hij zijn cliënt evenwel net telefonisch heeft gesproken en dat zijn cliënt heeft aangegeven dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht in het bijzijn van zijn raadsman. Tevens gaf mr. Horsch aan dat hij per e-mail een aanhoudingsverzoek zal doen.
De voorzitter merkt op dat mr. Horsch inderdaad zojuist, heden om 11:33 uur, per e-mail een aanhoudingsverzoek heeft ingediend. Deze e-mail is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht. Mr. Horsch geeft in deze e-mail aan dat hij voor het eerst heden contact met zijn cliënt heeft kunnen krijgen en zijn cliënt hem heeft laten weten dat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht.
(...)
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede:
Het door mr. Horsch ingediende aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen, vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van het verzoek. Het is het hof niet gebleken waarom de verdachte vandaag niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn. Tevens leidt het hof uit de inhoud van het aanhoudingsverzoek af dat mr. Horsch niet van plan was om heden ter zitting te verschijnen.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.2.2
De bijlage van het proces-verbaal van de terechtzitting (e-mail met aanhoudingsverzoek) houdt het volgende in:
“Ondergetekende had tot zojuist geen contact met cliënt kunnen verkrijgen en zou – wegens het niet gemachtigd zijn – ook niet ter zitting verschijnen. Zojuist belde cliënt dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht c.q. wenst te worden bijgestaan door zijn raadsman.Het is dan ook hierom dat ik u verzoek de zaak ter zitting tot een nader te bepalen datum aan te houden.”
2.3
Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting (hierna: aanhoudingsverzoek) kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of door zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een aanhoudingsverzoek doen voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op het effectueren van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of om de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging alsnog te verkrijgen. Op grond van de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daarover is gehoord.De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt.Als zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen. (Vgl. in iets andere bewoordingen HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737).
2.4
Het hof heeft als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de raadsman niet concreet de omstandigheid heeft aangevoerd die ten grondslag ligt aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting dat namens de verdachte is gedaan, zodat het verzoek moet worden afgewezen. In aanmerking genomen dat de raadsman slechts een verklaring heeft gegeven dat hij zojuist pas contact heeft kunnen leggen met de verdachte en verder uitsluitend heeft volstaan met de stelling dat de verdachte gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht, getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 mei 2023.
Conclusie 21‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Afwijzing aanhoudingsverzoek vanwege het ontbreken van ‘een nadere onderbouwing van dat verzoek’. Afwijzing is onvoldoende gemotiveerd, zowel in het geval het hof van oordeel is dat aan het aanhoudingsverzoek geen concrete omstandigheid ten grondslag is gelegd, als in het geval het hof van oordeel is dat daarvan wel sprake is. Middel slaagt. Conclusie strekt tot vernietiging terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03786
Zitting 21 maart 2023
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De verdachte is op 19 augustus 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 27 juni 2019. Naar het oordeel van het hof heeft de niet ter zitting van het hof verschenen verdachte geen bezwaren opgegeven tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof ziet zelf ook geen noodzaak tot een inhoudelijke behandeling van de zaak.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. T. Straten en I.T.H.L. van de Bergh, beiden advocaat te Maastricht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof het aanhoudingsverzoek van de raadsman heeft afgewezen “vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van dat verzoek, terwijl dat oordeel ontoereikend gemotiveerd is. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat niet is voldaan aan de eis dat een concrete omstandigheid moet worden aangevoerd die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de raadsman het aanhoudingsverzoek heeft ingediend omdat hij (de verdachte) vlak voorafgaand aan de zitting pas voor het eerst heeft gesproken. Indien er volgens het hof wel een concrete omstandigheid aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de motivering niet blijkt dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen alle betrokken belangen, terwijl het hof ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd”.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt het volgende in:
“De griffier heeft op verzoek van de voorzitter om 11.30 uur, het aanvangstijdstip van de zitting, telefonisch contact gezocht met de raadsman van verdachte, welke oproep onbeantwoord is gebleven. Hierop heeft de griffier telefonisch contact gezocht met het kantoor van de raadsman. Een medewerker van het kantoor gaf aan dat mr. A.L. Rinsma op vakantie is en derhalve niet ter zitting zal verschijnen. De zaak zou worden waargenomen door zijn kantoorgenoot mr. M.H.A. Horsch (hierna: mr. Horsch), waarop de griffier is doorverbonden met mr. Horsch. Door mr. Horsch is aan de griffier medegedeeld, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen spreken en dat hij niet was gemachtigd om de verdediging te voeren. Mr. Horsch gaf aan dat hij zijn cliënt evenwel net telefonisch heeft gesproken en dat zijn cliënt heeft aangegeven dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht in het bijzijn van zijn raadsman. Tevens gaf mr. Horsch aan dat hij per e-mail een aanhoudingsverzoek zal doen.
De voorzitter merkt op dat mr. Horsch inderdaad zojuist, heden om 11:33 uur, per e-mail een aanhoudingsverzoek heeft ingediend. Deze e-mail is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht. Mr. Horsch geeft in deze e-mail aan dat hij voor het eerst heden contact met zijn cliënt heeft kunnen krijgen en zijn cliënt hem heeft laten weten dat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht.
(…)
Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter de beslissing van het hof mede:
Het door mr. Horsch ingediende aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen, vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van het verzoek. Het is het hof niet gebleken waarom de verdachte vandaag niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn. Tevens leidt het hof uit de inhoud van het aanhoudingsverzoek af dat mr. Horsch niet van plan was om heden ter zitting te verschijnen.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.3
Voorop staat dat de verdachte of zijn raadsman bij een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting concreet de omstandigheid moet aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag ligt. Indien zo’n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.1.Als zo’n omstandigheid wel wordt aangevoerd, dient de rechter bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek vrijwel altijd een afweging te maken tussen het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in art. 6 lid 3, aanhef en onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht – waaronder het recht om zich bij zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen – en het belang van de verdachte en/of de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting. “Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing.”2.Wanneer de rechter de aan een verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk acht, kan hij het aanhoudingsverzoek afwijzen zonder dat hij de zojuist bedoelde belangenafweging heeft gemaakt. Uit de jurisprudentie blijkt dat de rechter dat ‘niet aannemelijkheidsoordeel’ niet te snel mag vellen. In de regel zal hij de verzoeker eerst in de gelegenheid moeten stellen de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheid nader te onderbouwen. Die gelegenheid hoeft de rechter de verzoeker niet te bieden wanneer hij van oordeel is dat de aangevoerde omstandigheid van geen betekenis is voor de voorgeschreven belangenafweging.3.
2.4
In de onderhavige zaak heeft het hof het per mail gedane aanhoudingsverzoek van de raadsman van de verdachte – welk verzoek was gericht op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte – “vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van het verzoek” afgewezen. Kennelijk is het hof van oordeel dat de door de raadsman van de verdachte aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde omstandigheden (i) dat hij niet eerder in contact kon komen met de verdachte, (ii) dat hij de verdachte pas vlak voor de terechtzitting voor het eerst telefonisch heeft gesproken en (iii) dat de verdachte toen heeft aangegeven dat hij graag gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht, niet als voldoende onderbouwing van het aanhoudingsverzoek kunnen gelden. Met de stellers van het middel meen ik dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is. Mogelijk heeft het hof beoogd dat oordeel te verduidelijken met de – aansluitende – zinsnede dat “het hof niet (is) gebleken waarom de verdachte vandaag niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn”.4.Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat alleen omstandigheden die de verdachte hebben verhinderd ter terechtzitting te verschijnen, als onderbouwing van een aanhoudingsverzoek kunnen gelden. Als dat zo is, dan was het (wellicht) beter geweest dat het hof bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek had overwogen dat het verzoek niet onderbouwd was in plaats van te overwegen dat een ‘nadere onderbouwing van het verzoek ontbreekt’.
2.5
Wanneer in het kader van de beoordeling van het aanhoudingsverzoek, de vraag waarom de verdachte niet op de zitting van het hof is komen opdagen, cruciaal is, had het op de weg van het hof gelegen de raadsman daar – telefonisch of per mail – naar te vragen. Dat is echter niet gebeurd. Bovendien had het dan voor de hand gelegen dat het hof had vastgesteld wanneer de verdachte op de hoogte was geraakt van de zittingsdatum. Daarvan blijkt niet uit het proces-verbaal van de zitting, noch uit het arrest.
Uit de onderliggende processtukken volgt dat de uitnodiging voor de zitting in hoger beroep niet aan de verdachte in persoon is uitgereikt. Niet uitgesloten kan worden dat de verdachte eerst kort voor de zitting van diens raadsman heeft vernomen dat de zaak die dag diende. In dat geval zou het voor de verdachte feitelijk onmogelijk zijn geweest zich tijdig op de zitting te melden. Wat daar ook van zij, het hof heeft hier niets over vastgesteld.
Daarmee is ook de overweging van het hof dat niet is gebleken waarom de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn, niet zonder meer begrijpelijk.
2.6
In het geval het hof met zijn afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet tot uitdrukking heeft willen brengen dat de raadsman van de verdachte geen concrete omstandigheid aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, is de afwijzing van het verzoek eveneens ontoereikend gemotiveerd. Uit de motivering blijkt immers niet dat het hof de hiervoor onder randnr. 2.3 beschreven belangenafweging heeft gemaakt.5.Evenmin is het hof – zoals in de toelichting op het middel terecht wordt betoogd – ingegaan op hetgeen de raadsman aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag heeft gelegd.
2.7
Met de stellers van het middel ben ik dan ook van oordeel dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek onvoldoende is gemotiveerd, zowel in het geval het hof van oordeel is dat aan het aanhoudingsverzoek geen concrete omstandigheid ten grondslag is gelegd, als in het geval het hof van oordeel is dat daarvan wel sprake is. Het middel is dus terecht voorgesteld.
2.8
Ten overvloede merk ik nog op dat de raadsman van de verdachte heeft aangegeven dat hij voorafgaand aan de dag van de terechtzitting niet gemachtigd was om de verdediging te voeren, en dat hij daarom niet voornemens was om ter terechtzitting te verschijnen. Gelet daarop is de vaststelling van het hof dat mr. Horsch niet van plan was om ter terechtzitting te verschijnen op zichzelf weliswaar juist, maar het is niet begrijpelijk dat het hof deze vaststelling kennelijk ten nadele van de verdachte heeft meegewogen in de beoordeling van het aanhoudingsverzoek.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑03‑2023
Vgl. onder meer HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737, NJ 2020/230, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.5 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, rov. 2.3.
Zie naast de in de vorige noten genoemde arresten onder meer ook HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285, m.nt. P.A.M. Mevis, HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229, m.nt. P.A.M. Mevis en HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.
Wellicht heeft het hof zich laten inspireren door HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172. Ook in die zaak was de verdachte niet ter terechtzitting verschenen, maar anders dan in de onderhavige zaak, de door hem bepaaldelijk gemachtigd raadsman wel. Deze raadsman had verzocht om aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting omdat de verdachte hem eerder had laten weten dat hij bij de behandeling van zijn zaak aanwezig wilde zijn. De raadsman kon niet zeggen waarom zijn cliënt niet op zitting was verschenen. Anders dan in de onderhavige zaak had het hof in die zaak bovendien geconstateerd dat de verdachte wel van de zitting wist. Het hof wijst, gehoord de advocaat-generaal, het aanhoudingsverzoek af omdat door de raadsman “geen gronden zijn aangegeven (…) die tot toewijzing van het aanhoudingsverzoek dienen te leiden”. In cassatie overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is “(i)n aanmerking genomen dat de raadsman uitsluitend heeft gesteld dat hij niet weet waarom de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen”.
Vgl. HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:79, NJ 2020/83, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4. Vgl. ook de conclusie van Hofstee voor HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:505 (HR: art. 81.1 RO), onder 13.
Beroepschrift 29‑07‑2022
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Griffienr.: 21/03786
CASSATIESCHRIFTUUR
INZAKE:
[verdachte],
Advocaten:
mr. T. Straten & mr. I.T.H.L. van de Bergh
Wilhelminasingel 97
Postbus 3084
(6202 NB Maastricht).
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekenden, mr. T. Straten en mr. I.T.H.L. van de Bergh, advocaten te Maastricht, door requirant tot cassatie bepaaldelijk gevolmachtigd tot ondertekening en indiening van deze cassatieschriftuur, hebben de eer het navolgende middel van cassatie voor te stellen:
I.
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving met nietigheid is bedreigd of de niet-naleving zodanige nietigheid met zich meebrengt, doordat het hof het door de raadsman op de zitting van 19 augustus 2021 ingediende aanhoudingsverzoek heeft afgewezen vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van dat verzoek, terwijl dat oordeel ontoereikend gemotiveerd is. Voor zover in het oordeel van het hof besloten ligt dat niet is voldaan aan de eis dat een concrete omstandigheid moet worden aangevoerd die aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag ligt, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de raadsman het aanhoudingsverzoek heeft ingediend omdat hij requirant vlak voorafgaand aan de zitting pas voor het eerst heeft gesproken. Indien er volgens het hof wel een concrete omstandigheid aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd, aangezien uit de motivering niet blijkt dat het hof een afweging heeft gemaakt tussen alle betrokken belangen, terwijl het hof ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd.
Toelichting:
In hoger beroep heeft de raadsman van requirant op de zitting van 19 augustus 2021 een verzoek tot aanhouding ingediend. Daarover is in het proces-verbaal van de zitting het volgende opgenomen:
‘De griffier heeft op verzoek van de voorzitter om 11.30 uur, het aanvangstijdstip van de zitting, telefonisch contact gezocht met de raadsman van verdachte, welke oproep onbeantwoord is gebleven. Hierop heeft de griffier telefonisch contact gezocht met het kantoor van de raadsman. Een medewerker van het kantoor gaf aan dat mr. A.L. Rinsma op vakantie is en derhalve niet ter zitting zal verschijnen. De zaak zou worden waargenomen door zijn kantoorgenoot mr. M.H.A. Horsch (hierna: mr. Horsch), waarop de griffier is doorverbonden met mr. Horsch. Door mr. Horsch is aan de griffier medegedeeld, dat hij zijn cliënt niet heeft kunnen spreken en dat hij niet was gemachtigd om de verdediging te voeren. Mr. Horsch gaf aan dat hij zijn cliënt evenwel net telefonisch heeft gesproken en dat zijn cliënt heeft aangegeven dat hij gebruik wenst te maken van zijn aanwezigheidsrecht in het bijzijn van zijn raadsman. Tevens gaf mr. Horsch aan dat hij per e-mail een aanhoudingsverzoek zal doen.
De voorzitter merkt op dat mr. Horsch inderdaad zojuist, heden om 1 1:33 uur, per e-mail een aanhoudingsverzoek heeft ingediend. Deze e-mail is als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht. Mr. Horsch geeft in deze e-mail aan dat hij voor het eerst heden contact met zijn cliënt heeft kunnen krijgen en zijn cliënt hem heeft laten weten dat hij gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht.’
Het hof heeft het aanhoudingsverzoek afgewezen. Daartoe heeft het hof blijkens het proces-verbaal van de zitting het volgende overwogen:
‘Het door mr. Horsch ingediende aanhoudingsverzoek zal worden afgewezen, vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van het verzoek. Het is het hof niet gebleken waarom de verdachte vandaag niet ter terechtzitting aanwezig kon zijn. Tevens leidt het hof uit de inhoud van het aanhoudingsverzoek af dat mr. Horsch niet van plan was om heden ter zitting te verschijnen.’
Uw Raad stelt het volgende voorop als het gaat om de rechterlijke beoordeling van een door of namens de verdachte ingediend aanhoudingsverzoek:
‘Een verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting kan op de terechtzitting worden gedaan door de verdachte of zijn raadsman die daartoe door de verdachte op grond van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gemachtigd. Ook de raadsman die niet is gemachtigd tot het voeren van de verdediging van de verdachte die op de terechtzitting niet is verschenen, kan daar een verzoek doen tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting voor zover dat verzoek wordt gedaan met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van de in artikel 279 lid 1 Sv bedoelde machtiging. Overeenkomstig de artikelen 329 en 330 Sv wordt beslist op het verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord.
De verdachte of zijn raadsman moet concreet de omstandigheid aanvoeren die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt. Indien zo'n omstandigheid niet wordt aangevoerd, mag de rechter het verzoek om die reden afwijzen.
In de regel mag van de verdachte of diens raadsman worden gevergd dat hij ter staving van het verzoek (alsnog) de gegevens verstrekt die de rechter met het oog op de te nemen beslissing noodzakelijk acht. Als de rechter de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet zonder meer aannemelijk acht, kan hij gevolgen verbinden aan de omstandigheid dat het verzoek onvoldoende door bewijsstukken is gestaafd en/of aan zijn verlangen tot aanvulling niet (genoegzaam) is voldaan.
Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden — in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte — of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen. Opmerking verdient echter dat de rechter het bieden van die gelegenheid en het nemen van een beslissing over de aannemelijkheid van de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, achterwege kan laten op grond van zijn oordeel dat wat is aangevoerd — ware het juist — in de hierna weer te geven afweging van belangen niet tot toewijzing van het verzoek leidt.
Nadat in voorkomende gevallen gelegenheid is geboden voor een nadere toelichting of het overleggen van bewijsstukken, kan de rechter het verzoek reeds — dat wil zeggen: zonder tot de hierna weer te geven afweging van belangen over te gaan — afwijzen op de grond dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is.
Indien zich niet het geval voordoet dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is geoordeeld, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in artikel 6 lid 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gewaarborgde aanwezigheidsrecht — waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen — en, kort gezegd, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting. Van deze afweging, waarbij de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde gronden moeten worden betrokken, dient de rechter in geval van afwijzing van het verzoek blijk te geven in de motivering van zijn beslissing. (Vgl. HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1737 en HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769.)’ 1.
Wanneer door of namens de verdachte een aanhoudingsverzoek wordt ingediend, moeten er dus drie stappen worden gezet:
- —
Allereerst moet er worden bekeken of de verdachte of zijn raadsman concreet de omstandigheid heeft aangevoerd die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag ligt.
- —
Indien die vraag bevestigend dient te worden beantwoord, moet worden bekeken of de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, aannemelijk is.
- —
Wanneer dat het geval is, dient de rechter een afweging te maken tussen alle bij aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting betrokken belangen. Het gaat daarbij om het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn in lid 3 van artikel 6 EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht — waaronder het recht om zich in zijn afwezigheid op de terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen — en het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting.
In de onderhavige zaak heeft het hof het aanhoudingsverzoek afgewezen omdat een nadere onderbouwing van het verzoek zou ontbreken. Daarbij heeft het hof overwogen dat niet is gebleken waarom requirant niet ter zitting aanwezig kon zijn. Het hof heeft verder uit de inhoud van het aanhoudingsverzoek afgeleid dat de raadsman van requirant niet van plan was om ter zitting te verschijnen.
Het lijkt erop dat het hof hiermee tot uitdrukking heeft willen brengen dat de raadsman van requirant niet concreet de omstandigheid heeft aangevoerd die aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting ten grondslag lag. Indien de afwijzing van het aanhoudingsverzoek op dat oordeel berustte, was deze beslissing echter niet zonder meer begrijpelijk.
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de raadsman van requirant heeft aangegeven dat hij eerder niet in contact kon komen met requirant, dat hij requirant vlak voor de zitting voor het eerst telefonisch had gesproken en dat requirant toen had aangegeven dat hij graag gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. Wanneer deze uitlatingen in samenhang worden bekeken, dan kunnen deze moeilijk anders worden uitgelegd dan dat requirant voorafgaand aan het telefonische gesprek met zijn raadsman op de dag van de zitting niet op de hoogte was van de zitting. Het feit dat dit niet expliciet volgt uit het proces-verbaal van de zitting of de e-mail van de raadsman, doet daar niet aan af.
In aanvulling daarop dient nog te worden benadrukt dat de raadsman van requirant tevens heeft aangegeven dat hij voorafgaand aan de dag van de terechtzitting niet gemachtigd was om de verdediging te voeren, en dat hij daarom niet voornemens was om ter terechtzitting te verschijnen. Requirant heeft tijdens het telefonische gesprek op de dag van de terechtzitting voor het eerst aangegeven dat hij door zijn raadsman wenste te worden bijgestaan.
Er is dus wel een concrete omstandigheid aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag gelegd. Tot vlak voor de zitting was het de raadsman van requirant niet gelukt om met hem in contact te komen. Daardoor was requirant niet op de hoogte van de zitting, en was de raadsman van requirant niet ter zitting aanwezig omdat hij niet gemachtigd was om de verdediging te voeren. Het doel van het aanhoudingsverzoek was dan ook tweeledig. Dat verzoek is in de eerste plaats gedaan om requirant in de gelegenheid te stellen om gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Daarnaast is om aanhouding verzocht zodat de raadsman van requirant — die pas op het allerlaatste moment werd gemachtigd om de verdediging te voeren — requirant ter terechtzitting zou kunnen bijstaan.
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat aan het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting niet concreet een omstandigheid ten grondslag is gelegd, is dat oordeel dus niet zonder meer begrijpelijk.
Indien het hof het aanhoudingsverzoek niet om die reden heeft afgewezen, is het oordeel van het hof ontoereikend gemotiveerd. Uit de motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het hof alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van requirant bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht en het belang van de samenleving bij een doeltreffende en spoedige berechting, tegen elkaar heeft afgewogen. Evenmin is het hof ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd.
In dat verband kan worden gewezen op een arrest van Uw Raad van 30 mei 2017.2. Net als in het onderhavige geval was de raadsman in die zaak pas op de dag van de zitting in contact gekomen met de verdachte. Daaraan voorafgaand was de verdachte niet op de hoogte van de zitting. Het aanhoudingsverzoek was dan ook gedaan om de verdachte in de gelegenheid te stellen om gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof had het verzoek afgewezen omdat het niet dan wel onvoldoende was onderbouwd.
De edelhoogachtbare vrouwe advocaat-generaal Spronken overwoog in haar conclusie bij dit arrest het volgende:
‘4.3.
In de onderhavige zaak heeft het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek naar mijn mening zo summier gemotiveerd, dat uit die motivering niet kan worden opgemaakt of het hof de hiervoor bedoelde weging van belangen daadwerkelijk heeft gemaakt.
Door de raadsman is ter onderbouwing van het aanhoudingsverzoek aangevoerd dat de verdachte de dagvaarding in hoger beroep niet heeft ontvangen en dat hij pas om 14:00 uur op de dag van de terechtzitting zelf door zijn raadsman van de behandeling van zijn zaak op de hoogte is gesteld. Voorts heeft de raadsman gesteld dat hij door de verdachte was gemachtigd om de verdediging te voeren, maar dat de verdachte niettemin zelf ook gebruik van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wenste te maken. Het hof heeft vervolgens bij zijn afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de raadsman weliswaar overwogen dat dit aanhoudingsverzoek niet dan wel onvoldoende was onderbouwd, maar het is — gelet op hetgeen door de raadsman in het kader van het aanhoudingsverzoek wel is aangevoerd — niet goed duidelijk wat het hof hiermee precies heeft willen zeggen.
4.4.
Is het hof in lijn met de opmerking van de advocaat-generaal in dit verband van oordeel dat de wens van de verdachte dat hij van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken hier niet serieus moet worden genomen? Vindt het hof het verhaal van de raadsman dat de verdachte de dagvaarding niet heeft ontvangen en pas om 14:00 uur op de dag van de terechtzitting zelf van de behandeling van zijn zaak op de hoogte is geraakt eenvoudigweg niet geloofwaardig? Of zegt het hof met zijn motivering van de afwijzing eigenlijk dat het belang van een behoorlijke rechtspleging onder de door de raadsman geschetste omstandigheden naar zijn oordeel zonder meer boven het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte moet prevaleren? In alle gevallen geldt mijns inziens dat de motivering door het hof van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet voor zich spreekt en uiteindelijk ook niet toereikend is.’
Uw raad oordeelde als volgt:
‘2.3.
Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak dient de rechter een afweging te maken tussen alle daarbij betrokken belangen, waaronder het belang van de verdachte bij het kunnen uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een doeltreffende en spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging (vgl. HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1314, NJ 1999/294).
2.4.
Uit 's Hofs motivering van de afwijzing van het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het Hof deze afweging van belangen heeft gemaakt, terwijl het ook niet is ingegaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Daarom is de afwijzing door het Hof van het verzoek ontoereikend gemotiveerd.’
Ook in de onderhavige zaak heeft het hof enkel overwogen dat het aanhoudingsverzoek niet onderbouwd is, zonder de bij het aanhoudingsverzoek betrokken belangen af te wegen en zonder in te gaan op hetgeen aan het aanhoudingsverzoek ten grondslag is gelegd. Dat betekent dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door het hof ontoereikend gemotiveerd is.
Maastricht, 29 juli 2022
mr. T. Straten & mr. I.T.H.L. van de Bergh
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 29‑07‑2022
HR 30 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1172.
HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:974.