Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/11.3.5.3
11.3.5.3 Aandachtspunten voor het vermoeden van acting in concert
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS363932:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 11 juli 2013, ECLI:EU:C:2013:514 (Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje), punt 36 en HvJ EG 23 april 1991, ECLI:EU:C:1991:161 (Höfner en Elsner), punt 21.
HvJ EU 11 juli 2013, ECLI:EU:C:2013:514 (Commissie/Stichting Administratiekantoor Portielje), punt 43. Het Hof oordeelde aldus in een zaak waarin het Gerecht had geoordeeld dat het loutere bezit van participaties, zelfs van zeggenschapsdeelnemingen, niet volstond om dit aan te merken als een economische activiteit van de entiteit welke die participaties bezit, wanneer dit bezit enkel met zich brengt dat aan de hoedanigheid van aandeelhouder of vennoot verbonden rechten worden uitgeoefend, alsmede, in voorkomend geval, dividenden, die loutere vruchten van de eigendom van een goed zijn, worden geïnd (GvEA 16 juni 2011, ECLI:EU:T:2011:287 (Gosselin Group NV e.a./ Commissie)).
I. Onderneming
Op grond van de wetsgeschiedenis moet voor het begrip onderneming worden aangesloten bij de uitleg die daaraan wordt gegeven in het Europese mededingingsrecht, meer in het bijzonder art. 101 VWEU.1 Volgens vaste rechtspraak omvat dit alle entiteiten die een economische activiteit vervullen, ongeacht rechtsvorm of de wijze waarop zij worden gefinancierd en ongeacht of er sprake is van winstoogmerk.2 Vanuit anti-misbruikperspectief is dit een zeer bruikbare, want zeer ruime maatstaf. Maar, los van de vraag of dit niet veel te ver gaat, bedenke men dat het mededingingsrecht deze begrippen met een geheel ander doel gebruikt en bovendien ook anders in elkaar zit. In moeder-dochterverhouding geldt de fictie van een enkele onderneming; of alleen de dochter of ook de moeder kan worden geacht een economische activiteit uit te oefenen en dus beide “onderneming” zijn, is niet van belang.3 Dat maakt het riskant om dit begrip en de interpretatie daarvan zonder meer te importeren in de verplicht bod-regeling (vgl. § 12.4.3.3 sub II).
II. Ondernemingen waarover een persoon overheersende zeggenschap heeft worden niet vermoed met elkaar in onderling overleg te handelen
Net zoals bij dochtermaatschappijen (categorie 2a; § 11.3.4), bestaat geen vermoeden van onderling overleg tussen de verschillende ondernemingen waarover een en dezelfde persoon overheersende zeggenschap kan uitoefenen (§ 11.3.4.3); er wordt enkel onderling overleg vermoed tussen die persoon en iedere onderneming waarover hij overheersende zeggenschap kan uitoefenen.
III. Overlap
Het toepassingsbereik van categorie 2b is zeer ruim; in veel gevallen zal deze de andere categorieën overlappen (vgl. § 11.3.3.3 sub III).