Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/2.3.3.5
2.3.3.5 Vergelijking met 'cessie ter incasso'
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS591838:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Nota II Voortgang Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1273; M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1200-1202. Een overdracht ten titel van beheer is wel rechtsgeldig, als wordt beoogd dat de verkrijger goederenrechtelijk volledig rechthebbende van het goed wordt, maar op hem de verbintenisrechtelijke verplichting rust om het goed ten behoeve van een ander te beheren en bij vorderingen bijvoorbeeld het geïnde aan de belanghebbende uit te keren. Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 7. Zijn schuldeisers kunnen zich op het goed verhalen en het goed valt in de faillissementsboedel van de beheerder. (Uitzonderingen daargelaten, zoals art. 4:45 Wft. Zie over deze bepaling o.a., Van der Velden 2008, par. 5.3; en Kortmann, Faber & Biemans 2009, p. 335-336.) De belanghebbende heeft geen goederenrechtelijke aanspraak, noch op de vordering zelf, noch op het geïnde; in faillissement is hij slechts een concurrente schuldeiser.
Zie bijvoorbeeld HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254 (Zomerdijk/Goudsblom), m.nt. Ma; HR 28 oktober 1988, NJ 1989, 83, m.nt. JBMV; HR 20 september 1991, NJ 1992, 552, m.nt. JBMV; en HR 2 december 1994, NJ 1996, 246 (ABN Amro/Coopag Finance), m.nt. DWFV. Zie voor een uitspraak waarin de rechter deze bereidwilligheid niet toonde: Hof Amsterdam 3 mei 2007, JOR 2007/154. Zie voorts M.v.A. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1201 e.v.; L.v.Antw. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (lnv. 3, 5 en 6), p. 1203; en Nota II Voortgang, Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. Boek 3, 5 en 6), p. 1273; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 286; Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 353; Asser/Mijnssen & De Haan 3-12006, nr. 291; Mijnssen 1971, p. 925 e.v.; Schoordijk 1987; A-G Franx in zijn conclusie voor HR 21 april1987, NJ 1988, 1015 (Ennia/Bavaria), m.nt. WMK; Asser/Van der Grin ten 2-1 1990, nr. 192; P.A. Stein 1992, p. 20; Tjittes 1990b, p. 110-116; Voute 1993, p. 50-53; Van Huizen 1990; Uniken Venema & Eisma 1990, p. 209-212; Asser 1999, p. 496-497; F.E. Vermeulen 2005, p. 166-167.
Zie HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254 (Zomerdijk/Goudsblom), m.nt. Ma; HR 28 oktober 1988, NJ 1989,83, m.nt. JBMV; HR 20 september 1991, NJ 1992,552, m.nt. JBMV; HR 2 december 1994, NJ 1996, 246 (ABN Amro/Coopag Finance), m.nt. DWFV; HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra). Zowel cessie als lastgeving als grondslag voor de inningsbevoegdheid is onmogelijk, vgl. HR 21 april1987, NJ 1988, 1015 (Ennia/ Bavaria), m.nt. WMK. In de rechtspraak van de Hoge Raad is het begrip cessie ter incasso overigens in de meeste gevallen niet als overdracht maar als lastgeving in eigen naam uitgelegd en zo wordt het ook door de wetgever en meestal in de literatuur begrepen. Zie L.v. Antw. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 (lnv. 3, 5 en 6), p. 1203; en Asser/Mijnssen & De Haan 3-12006, nr. 291 met verdere verwijzingen. Van een werkelijke overdracht blijkt bijvoorbeeld als de verkrijger de vordering voor een vast bedrag heeft overgenomen en het risico van een niet-betalende schuldenaar op zich heeft genomen.
Dat geldt ook voor de overdracht of de last tot beheer van aandelen in een BV of een NV en van registergoederen. Vgl. Christiaans & Van Wechem 1995, p. 588 respectievelijk de literatuur over het beschikken over registergoederen door een derde in eigennaam.
Zie HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254 (Zomerdijk/Goudsblom), m.nt. Ma. Vergelijk ook, met enige tijd tussen overdracht en lastgeving: HR 28 oktober 1988, NJ 1989, 83, m.nt. JBMV; en voorts HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra).
Als de last is bedongen door de oude schuldeiser dringt zich de vergelijking op met de overdracht onder voorbehoud van een beperkt recht (art. 3:81 lid 1 BW) of onder voorbehoud van onderbewindstelling (vgl. art. 7:182 BW).
Vergelijkbaar hiermee is een stille cessie onder voorbehoud van een stil recht van vruchtgebruik of onder voorbehoud van een stil pandrecht (art. 3:81 lid 1 tweede zin BW; zie ook hierna nr. 585), alsmede een stille cessie ten titel van schenking met de onderbewindstelling van de stil gecedeerde vordering welke geheim wordt gehouden(art. 7:182 BW).
Zie HR 21 oktober 1983, NJ 1984, 254 (Zomerdijk/Goudsblom), m.nt. Ma; HR 28 oktober 1988, NJ 1989, 83, m.nt. JBMV; HR 20 september 1991, NJ 1992, 552, m.nt. JBMV; HR 26 november 2004, NJ 2005, 41 (Haantjes/Damstra); HR 15 december 2006, RvdW 2007, 10; en vgl. HR 2 december 1994, NJ 1996, 246 (ABN Amro/Coopag Finance), m.nt. DWFV; en Asser/Kortmann S-Ill 1994, nr. 168; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 279; Asser/Mijnssen & De Haan 3-12006, nr. 291; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 286; Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 353; en Tjittes 1990b, p. 110-116.
Vgl. Hijma, Van Dam, Van Schendel & Valk 2010, nr. 124.
Vgl. voor uitspraken waarin het begrip 'cessie ter incasso' voor verwarring zorgde o.a. Rb. Roermond (ktr.) 21 oktober 2008, NJF 2008, 498; Rb. Leeuwarden 21 januari 2009, JOR 2009/118, m.nt. J.W.A. Biemans; of tot een innerlijk tegenstrijdige uitspraak: het arrest van het Hof in de zaak die leidde tot HR 24 april1987, NJ 1988, 1015. Zie ook hierna nr. 124.
Zie voor een voorbeeld HR 3 mei 1991, NJ 1992, 229, m.nt. PAS. Dit arrest wordt soms (ten onrechte, vgl. Kortmann 1994a, p. 219 e.v.) in het rijtje van rechtspraak over de cessie ter incasso opgenomen. Zie bijvoorbeeld P.A. Stein in zijn noot onder HR 3 mei 1991, NJ 1992, 229; en vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 286, nt. 99.
33. Uit het voorgaande volgt dat de stille cessie waarbij de stille cedent na de stille cessie inningsbevoegd blijft, geen rechtsfiguur 'sui generis' is, maar een optelsom van de overgang van de vordering en een last tot inning van de stille cessionaris (als nieuwe schuldeiser en lastgever) aan de stille cedent (als oude schuldeiser, derde en lasthebber).
De stille cessie lijkt daardoor ten dele op de rechtsfiguur 'cessie ter incasso', voor zover dat begrip wei is gebruikt om de overgang van een vordering gecombineerd met een last tot inning aan de oude schuldeiser mee aan te duiden. De rechtspraak en de literatuur ten aanzien van deze 'cessie ter incasso' zijn mede van belang voor de stille cessie. Omdat met het begrip 'cessie ter incasso' ook twee andere rechtsfiguren zijn aangeduid, en het begrip cessie ter incasso daardoor verschillende betekenissen kent, hetgeen in de literatuur en de rechtspraak menigmaal aanleiding heeft gegeven tot verwarring, behoeft dit begrip nadere toelichting.
34. Het begrip 'cessie ter incasso' is ontstaan door het gebruik van de overdracht van vorderingen om een ander, de nieuwe schuldeiser, in staat te stellen de vordering ten behoeve van de oude schuldeiser te laten innen. De vordering wordt overgedragen ten titel van beheer of ten titel van incasso, hetgeen het begrip 'cessie ter incasso' verklaart. Aan de schuldenaar wordt mededeling gedaan opdat de nieuwe schuldeiser tot inning van de vordering kan overgaan. Deze cessie ter incasso is een openbare cessie.
Partijen kunnen met een cessie ter incasso ook geen werkelijke overdracht beogen, maar alleen beogen dat de nieuwe schuldeiser (de cessionaris ter incasso) de vordering ten behoeve van de oude schuldeiser kan innen, op zodanige wijze dat de schuldeisers van de cessionaris ter incasso zich niet op deze vordering kunnen verhalen. Een dergelijke overdracht is in strijd met het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW).1 Partijen beogen eigenlijk niet meer dan een last tot inning in eigen naam. In de parlementaire geschiedenis, de literatuur en de rechtspraak is het begrip cessie ter incasso ook wel zo uitgelegd dat daaronder een dergelijke last tot inning wordt verstaan. De kwalificatie van de cessie ter incasso als een last tot inning in eigen naam is in de rechtspraak gebruikt om bij een niet-rechtsgeldige overdracht, een nog niet voltooide overdracht of een overdracht van de vordering waar over de rechtsgeldigheid onduidelijkheid bestaat de procespartij toch inningsbevoegd te achten. De procespartij is niet bevoegd om te procederen als (nieuwe) schuldeiser, maar wel als lasthebber in eigen naam.2 Wordt de cessie ter incasso begrepen als een last tot inning in eigen naam, dan is geen sprake van een cessie. De cessionaris ter incasso is eigenlijk de lasthebber; en de cedent blijft de schuldeiser en is de lastgever. Het is een kwestie van uitleg of partijen met het begrip 'cessie ter incasso' de overdracht van de vordering hebben bedoeld of 'slechts' een last tot inning in eigen naam.3
In beide gevallen zal voor de schuldenaar duidelijk zijn dat een ander dan de oorspronkelijke schuldeiser overgaat tot inning van de vordering. De cessionaris ter incasso dient jegens de schuldenaar, die tot betaling wordt aangesproken door een ander dan zijn oorspronkelijke schuldeiser, te verantwoorden waarom hij in plaats van de (oude) schuldeiser inningsbevoegd is.4
Het begrip cessie ter incasso is ten slotte ook gebruikt om de gevallen te benoemen waarin de oude schuldeiser na de overgang van de vordering de vordering krachtens lastgeving in eigen naam ten behoeve van de nieuwe schuldeiser int.5 De nieuwe schuldeiser is de lastgever en de oude schuldeiser is de lasthebber in eigen naam. In dit geval zal de schuldenaar van de vordering niet bekend hoeven zijn met de overgang van de vordering, en ook niet met de identiteit van de nieuwe schuldeiser / lastgever. De oude schuldeiser blijft immers in eigen naam jegens de schuldenaar de bevoegdheden van de vordering uitoefenen.6 Deze verschijningsvorm van de cessie ter incasso vertoont gelijkenis met de stille cessie in art. 3:94 lid 3 BW. Ook bij de stille cessie kan de overgang van de vordering worden gekoppeld aan een last tot inning in eigen naam en kan daardoor voor de schuldenaar de overgang van de vordering geheim worden gehouden.7
Uit het voorgaande volgt dat met het begrip 'cessie ter incasso' kan worden aangeduid: (a) een overdracht van een vordering ten titel van beheer (incasso); (b) een last tot inning in eigen naam van de vordering; alsmede (c) de overdracht van de vordering onder voorbehoud van een last tot inning.8 Begripsmatig is dit alles uitermate verwarrend. In het geval bedoeld onder (a) is de cessionaris ter incasso de nieuwe schuldeiser en oefent hij zijn eigen vordering uit. In het geval bedoeld onder (b) is hij 'slechts' een lasthebber en oefent hij andermans vordering uit. In beide gevallen is de cessionaris ter incasso inningsbevoegd. In het geval onder (c) is de cessionaris niet inningsbevoegd, maar blijft de cedent daten is het de vraag of nog gesproken kan worden van een 'cessionaris ter incasso', en zo ja, wie dat is. Het is de cedent, als onder 'cessionaris ter incasso' de inningsbevoegde lasthebber wordt verstaan, of de cessionaris, als onder de 'cessionaris ter incasso' de nieuwe schuldeiser wordt verstaan. Alleen in het geval onder (a) genoemd, is sprake van een eigenlijke cessie ter incasso. Door de verschillende (andere) betekenissen die het begrip (ook) heeft gekregen, kan het begrip 'cessie ter incasso' maar beter vermeden worden.9 In de rechtspraak heeft het tot verschillende misverstanden geleid.10
Als een lasthebber in eigen naam een overeenkomst aangaat voor rekening van de lastgever en de vordering int die uit die overeenkomst is ontstaan, is geen sprake van een cessie ter incasso. De lasthebber int de vordering in dit geval als schuldeiser van de vordering.11