Hof Leeuwarden, 23-04-2003, nr. WAHV03/00089
ECLI:NL:GHLEE:2003:AF9157
- Instantie
Hof Leeuwarden
- Datum
23-04-2003
- Zaaknummer
WAHV03/00089
- LJN
AF9157
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Verkeersstrafrecht
Bestuursrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen / Bijzondere onderwerpen bestuursrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHLEE:2003:AF9157, Uitspraak, Hof Leeuwarden, 23‑04‑2003; (Hoger beroep)
- Wetingang
- Vindplaatsen
AB 2003, 260 met annotatie van O.J.D.M.L. Jansen
VR 2003, 175 met annotatie van M. Barels
Uitspraak 23‑04‑2003
Inhoudsindicatie
-
Partij(en)
WAHV 03/00089
23 april 2003
CJIB 79047922283
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Hertogenbosch
van 4 oktober 2002
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
gevestigd te [plaatsnaam]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1.
In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.
3.2.
De betrokkene voert aan, dat nimmer inhoudelijk is gereageerd op haar brieven van 5 februari, 12 april, 14 mei en 21 juni (het hof leest telkens: 2002).
3.3.
Uit de gedingstukken blijkt het volgende.
3.4.
Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 27,23 opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op (auto)wegen buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1) tot en met 10 km/uur", welke gedraging zou zijn verricht op 3 december 2001 op de Tilburgseweg te Eindhoven.
3.5.
Bij brief van 5 februari 2002 heeft de betrokkene tegen deze beschikking beroep ingesteld. Hierbij is onder meer verzocht om toezending van een foto.
3.6.
Bij brief van 2 april 2002 heeft de officier van justitie de betrokkene voor de door haar opgevraagde foto doorverwezen naar de in de beschikking van het CJIB genoemde politie-instantie. Voorts heeft de officier van justitie de betrokkene op grond van art. 6:6 Awb verzocht nadere beroepsgronden in te dienen, onder de vermelding dat niet tijdig of volledige verstrekking van de gevraagde gegevens tot niet-ontvankelijk- of ongegrondverklaring van het ingestelde beroep kan leiden.
3.7.
Bij brief van 12 april 2002 heeft de betrokkene haar verzoek om toezending van een foto van de gedraging herhaald.
3.8.
Op 7 mei 2002 heeft de officier van justitie het beroep ongegrond verklaard.
3.9.
Bij brief van 14 mei 2002 heeft de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie beroep ingesteld. Hierbij verzoekt betrokkene nogmaals om toezending van de foto, alsmede om toezending van het zaakoverzicht van het CJIB. Betrokkene voert hierbij aan dat deze informatie voor haar van belang is voor het formuleren van de nadere beroepsgronden.
3.10.
Bij brief van 24 mei 2002 heeft de officier van justitie de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting tot het stellen van zekerheid.
3.11.
Bij brief van 22 juni 2002 heeft de officier van justitie de betrokkene gewezen op haar verzuim te voldoen aan de verplichting tot het stellen van zekerheid en haar in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
3.12.
Bij brief van 21 juni 2002 stelt betrokkene het niet acceptabel te vinden dat informatie die voor haar van belang is voor het formuleren van de nadere beroepsgronden haar ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet wordt toegezonden.
3.13.
Het hof overweegt omtrent de gang van zaken het volgende.
3.14.
Ingevolge art. 7:16 Awb in verbinding met art. 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie indien de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in art. 7:17 Awb worden afgezien, buiten de onder a en b genoemde gevallen van kennelijke niet-ontvankelijkheid en kennelijke ongegrondheid, wanneer de indiener van het beroep heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Indien niet van het horen wordt afgezien dient de officier van justitie ingevolge art. 7:18 Awb het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week ter inzage te leggen. Bij de oproeping voor het horen moet onder meer te worden vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. De indiener van het beroep kan van die stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.
3.15.
Op 8 februari 2002 is de betrokkene de ontvangst van het beroepschrift tegen de inleidende beschikking door de officier van justitie bevestigd. In deze ontvangstbevestiging is, - zakelijk weergegeven - de betrokkene verzocht om binnen 14 dagen na dagtekening te kennen te geven of zij van het recht om gehoord te worden gebruik wilde maken. Op dit verzoek is door de betrokkene niet gereageerd, ook niet in haar brief van 12 april 2002. Hoewel de tekst van art. 7:17 Awb evenals art. 7:3 Awb volgens de letterlijke tekst een expliciete verklaring van de betrokkene vereist, dat zij geen gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, voordat van het horen van de betrokkene mag worden afgezien, blijkt uit de Memorie van Antwoord op art.7:3 Awb (Kamerstukken II, 1990 -1991, 21 221, nr. 5) dat in de visie van de indieners van het wetsontwerp ook "in reactie - ook door niet voor een bepaalde redelijke termijn te reageren - op een schriftelijke uitnodiging" kan worden vastgesteld dat de indiener van een beroepschrift niet wenst te worden gehoord. In het kader van de procedure in WAHV-zaken brengt een redelijke uitleg van het bepaalde in art. 7:17 onder c Awb mee, dat wanneer op een verzoek om aan te geven of men wil worden gehoord niet wordt gereageerd, dit door de officier van justitie mag worden beschouwd als een verklaring dat de indiener van het beroepschrift geen gebruik wil maken van het recht te worden gehoord. Wanneer van het horen wordt afgezien hoeven de stukken ook niet ter inzage te worden gelegd.
3.16.
Dat neemt niet weg, dat het openbaar ministerie ook buiten het bepaalde in art. 7:18 Awb aan de betrokkene op diens verzoek stukken waarin het bewijs van de gedraging ligt besloten, - met name het zaakoverzicht en indien aanwezig de foto's van de gedraging -, (tegen betaling van ten hoogste de kosten) kan doen toekomen, waardoor mogelijk het horen van de betrokkene achterwege kan blijven.
3.17.
Wat er ook zij van de reactie van de officier van justitie op de brieven van de betrokkene, er is op het beroep van de betrokkene door de officier van justitie een beslissing gegeven. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan de betrokkene binnen de termijn als bedoeld in art.6:7 Awb beroep instellen. De beroepstermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In casu is de beslissing bekendgemaakt op 7 mei 2002.
3.18.
Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV worden het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.
3.19.
De laatste volzin van art. 11, derde lid, WAHV bepaalt dat indien de zekerheidstelling niet binnen de termijn is geschied het beroep door de kantonrechter niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3.20.
Art. 11, vierde lid, WAHV luidt als volgt: "Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.".
3.21.
Gelet op het samenstel van voormelde bepalingen dient een betrokkene eerst zekerheid te stellen, alvorens aan haar of haar gemachtigde afschriften of uittreksels van de stukken worden verstrekt.
3.22.
Bij de beoordeling gaat het hof van het volgende uit. Bij brief van 5 februari 2002 is de betrokkene expliciet in beroep gegaan tegen de inleidende beschikking. Hieruit volgt, dat de betrokkene zich kennelijk wilde verzetten tegen het opleggen van de sanctie. De brief van 14 mei 2002 kon, nu de beslissing van de officier van justitie reeds was gegeven, in redelijkheid opgevat worden als een beroepschrift tegen die beslissing.
3.23.
Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, heeft zij geen op het bepaalde in art. 11 WAHV berustend recht op afschriften of uittreksels. De kantonrechter heeft derhalve op juiste gronden geoordeeld en beslist, zodat diens beslissing zal worden bevestigd.
3.24.
Voor zover de betrokkene heeft beoogd met haar brieven van 14 mei 2002 en 21 juni 2002 bij de officier van justitie een klacht ex art. 9:1 Awb in te dienen wegens het niet tijdig danwel onvolledig toezenden van dossierinformatie en zij voorts heeft beoogd met deze brieven met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur zal het hof fotokopiën van deze brieven doorzenden aan de advocaat-generaal van het ressortsparket te Leeuwarden, die nadat hoger beroep is ingesteld als partij in de plaats treedt van de officier van justitie, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de betrokkene.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
draagt de griffier op fotokopieën van de brieven van de betrokkene van 14 mei 2002 en 21 juni 2002 ter verdere behandeling door te zenden aan de advocaat-generaal van het ressortsparket te Leeuwarden onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de betrokkene.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Dijk, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van Meester als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.