Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/6.4.1
6.4.1 Inleiding
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS394039:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Of de woonplaats het juiste aangrijpingspunt is voor belastingplicht en/of het toedelen van heffingsbevoegdheden tussen landen wordt in twijfel getrokken. Zie bijvoorbeeld E.C.C.M. Kemmeren, a.w., blz. 257 e.v.
P. Kavelaars, Voorkoming van dubbele belasting, Deventer, Uitgeverij FED 2002, blz. 30.
L.A. de Blieck e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer, Kluwer, 2004, blz. 49.
Bijvoorbeeld art. 17, derde lid, onderdeel a, Wet Vpb 1969.
C. van Raad/F.P.G. Pötgens en G.T.W. Janssen, Cursus belastingrecht. Internationaal belastingrecht, Deventer, Kluwer, losbladig paragraaf 3.4.2.A, b2.
Tussen het begrip vaste inrichting zoals gehanteerd in het OESO-Modelverdrag, de Nederlandse heffingswetten en het BVDB 2001 bestaan enkele verschillen.
A.C.G.A.C. de Graaf, P. Kavelaars en A.J.A. Stevens, Internationaal Belastingrecht, Deventer, Kluwer, 2008, blz. 32.
In de directe belastingen is de woonplaats van een natuurlijk persoon of de vestigingsplaats van een lichaam van belang om vast te stellen of iemand een binnenlands of buitenlands belastingplichtige is.1 Een binnenlands belastingplichtige wordt voor zijn gehele wereldinkomen in de heffing betrokken. Een buitenlands belastingplichtige alleen voor het inkomen dat hij in Nederland behaalt.2 Een binnenlands belastingplichtige heeft daarnaast toegang tot de door Nederland met andere lidstaten gesloten belastingverdragen en het BVDB 2001.3 Een buitenlands belastingplichtige niet. Op grond van art. 4, eerste lid, AWR wordt waar iemand woont en waar een lichaam is gevestigd naar de omstandigheden beoordeeld. Voor de bemanning van schepen en luchtvaartuigen bestaat een bijzondere regeling. Voor schepen en luchtvaartuigen die hun thuishaven in Nederland hebben, geldt dat zij ter bepaling van de woonplaats van de bemanning als deel van Nederland worden beschouwd, art. 4, tweede lid, AWR. De norm ‘naar de omstandigheden beoordeeld’ is een open norm. Dat betekent dat van geval tot geval moet worden nagegaan waar een natuurlijk persoon woont of een lichaam is gevestigd.4 Voor natuurlijke personen zijn de relevante omstandigheden daarbij weer anders dan bij lichamen. Lichamen zijn ook binnenlands belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting op grond van art. 2, vierde lid, Wet Vpb 1969 wanneer zij naar Nederlands recht zijn opgericht als zij niet in Nederland zijn gevestigd in de zin van art. 4 AWR. Hierna wordt stil gestaan bij de jurisprudentie over de woonplaats van natuurlijke personen en de vestigingsplaats van lichamen.
Als een natuurlijk persoon of lichaam niet in Nederland woont of is gevestigd, kan hij in bepaalde gevallen als buitenlands belastingplichtige in de heffing worden betrokken. Dit is onder meer het geval als hij winst behaalt in Nederland uit een onderneming die wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger.5 De winst die het land waar de vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger zich bevindt, mag belasten wordt bepaald door de vaste inrichting fictief te beschouwen als een zelfstandige onderneming die geheel onafhankelijk transacties aangaat met de onderneming waar zij deel van uitmaakt.6 Voor de invulling van het begrip vaste inrichting is het OESO-Modelverdrag van groot belang. In paragraaf 6.3.4 zal de invulling van dit begrip in de directe belastingen dan ook voornamelijk worden besproken aan de hand van dit modelverdrag.7 In tegenstelling tot de omzetbelasting kent men in de directe belastingen ook het begrip vaste vertegenwoordiger. In het OESO-Modelverdrag maakt het begrip vaste vertegenwoordiger deel uit van het begrip vaste inrichting,8 maar worden beide vormen en de eisen waaraan moet worden voldaan wel onderscheiden in art. 5, eerste tot en met vierde lid, OESO-Modelverdrag (vaste inrichting) en art. 5, vijfde en zesde lid, OESO-Modelverdrag (vaste vertegenwoordiger). Ook de invulling van het begrip vaste vertegenwoordiger wordt voornamelijk aan de hand van het OESO-Modelverdrag doorlopen in paragraaf 6.4.4.7.