Einde inhoudsopgave
RvdW 1999, 121
1:251 lid 1 BW: gezamenlijk ouderlijk gezag; belang van het kind; overgangsrecht/Waardering van ten processe gebleken feiten
HR 10-09-1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2963
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10 september 1999
- Magistraten
Roelvink, Neleman, Herrmann, Fleers, De Savornin Lohman
- Zaaknummer
R98/134HR
- Conclusie
A-G i.b.d. Moltmaker)
- LJN
ZC2963
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Gezag en omgang
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1999:ZC2963, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑09‑1999
- Wetingang
BW art. 1:251
Essentie
Art. 1:251 lid 1 BW: gezamenlijk ouderlijk gezag; belang van het kind; overgangsrecht. Waardering van ten processe gebleken feiten.
De wijziging van art. 1:251 BW heeft onmiddellijke werking. Een beslissing om te bepalen dat het gezag over een kind aan één van de ouders alleen toekomt is slechts gerechtvaardigd indien de rechter na onderzoek tot het oordeel komt dat deze in het belang van het kind is. Niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting geeft 's hofs oordeel dat in het belang van de kinderen het ouderlijk gezag aan één ouder diende te worden toegekend nu de tussen de man en ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.