Einde inhoudsopgave
RvdW 1999, 132
Haags Kinderbeschermingsverdrag; bevoegdheid rechter tot treffen gezagsvoorziening t.a.v. ‘ontvoerd’ kind; ‘gewoon verblijf’ van ‘ontvoerd’ kind / Wet conflictenrecht echtscheiding / 429f lid 5 Rv / rogatoire commissie / bewijsaanbod.
HR 01-10-1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2978
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
1 oktober 1999
- Magistraten
Mijnssen, Neleman, Herrmann, Van der Putt-Lauwers, De Savornin Lohman
- Zaaknummer
R98/101HR
- Conclusie
A-G Strikwerda)
- LJN
ZC2978
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Personen- en familierecht / Huwelijk, relaties en echtscheiding
Internationaal privaatrecht / Internationaal bevoegdheidsrecht
Personen- en familierecht / Kinderbescherming
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1999:ZC2978, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑10‑1999
- Wetingang
Essentie
Haags Kinderbeschermingsverdrag; bevoegdheid rechter tot treffen gezagsvoorziening t.a.v. ‘ontvoerd’ kind; ‘gewoon verblijf’ van ‘ontvoerd’ kind. Wet conflictenrecht echtscheiding. Art. 429f lid 5 Rv. Rogatoire commissie. Bewijsaanbod.
Niet blijk van onjuiste rechtsopvatting geeft 's Hofs oordeel dat zijn bevoegdheid berust op art. 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag aangezien de kinderen hun gewone verblijf in Nederland hadden en in dit gewone verblijf tot de uitspraak in appel geen wijziging is gekomen nu enerzijds de tijd die was verstreken sedert de onttrekking van de kinderen aan het verblijf bij de vrouw in Nederland daartoe onvoldoende was en anderzijds de vrouw zich bij ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.