NJ 2004, 622
Internationaal privaatrecht; verzoek tot vernietiging erkenning kind; op erkenning door buitenlandse autoriteit toegepaste recht. Positie buitenlands recht in cassatie; ontoelaatbaar novum.
HR 01-10-2004, ECLI:NL:PHR:2004:AP2680
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
1 oktober 2004
- Magistraten
Mrs. R. Herrmann, H.A.M. Aaftink, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop, J.C. van Oven
- Zaaknummer
R03/118HR
- Conclusie
A-G Strikwerda
- LJN
AP2680
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Staatsrecht / Rechtspraak
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2004:AP2680, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 01‑10‑2004
ECLI:NL:PHR:2004:AP2680, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑10‑2004
- Wetingang
RO art. 79 lid 1 sub b
Essentie
Internationaal privaatrecht; verzoek tot vernietiging erkenning kind; op erkenning door buitenlandse autoriteit toegepaste recht. Positie buitenlands recht in cassatie; ontoelaatbaar novum.
Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de A-G: Niet onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat, nu de erkenning door de man van het kind in Oostenrijk i.v.m. de nationaliteit en woonplaats van de betrokkenen een internationaal karakter droeg, de ambtenaar van de burgerlijke stand aldaar heeft gehandeld met toepassing van Oostenrijks recht, met inbegrip van het Oostenrijkse ipr; dat de man andere verwachtingen had omtrent het toepasselijke recht, staat aan dat oordeel niet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.