HR, 13-05-2005, nr. C04/151HR
ECLI:NL:PHR:2005:AS4179
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-05-2005
- Zaaknummer
C04/151HR
- LJN
AS4179
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2005:AS4179, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑05‑2005; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AS4179
ECLI:NL:PHR:2005:AS4179, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑05‑2005
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AS4179
- Vindplaatsen
NJ 2005, 414 met annotatie van J. Riphagen
NJ 2005, 414 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 13‑05‑2005
Inhoudsindicatie
13 mei 2005 Eerste Kamer Nr. C04/151HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats], België, 2. [Eiseres 2], e.v. [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], gevestigd te [vestigingsplaats], België EISERS tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie, zetelende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties...
13 mei 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/151HR
RM/JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats], België,
2. [Eiseres 2], e.v. [betrokkene 1],
wonende te [woonplaats],
3. [Eiseres 3],
gevestigd te [vestigingsplaats], België
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma,
t e g e n
DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie,
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. G. Snijders.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [eiser] c.s. - hebben, voor zover in cassatie van belang, bij exploot van 4 september 2003 verweerder in cassatie - verder te noemen: de Staat - in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank te Roermond. [Eiser] c.s. hebben gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Staat te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen over de strafrechtelijke transactie met [eiser] c.s. naar buiten enige mededeling te doen op straffe van een aan ieder van eisers tot cassatie te betalen dwangsom.
De Staat heeft de vordering bestreden.
De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 1 oktober 2003 de vordering tegen de Staat afgewezen.
Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. In hoger beroep heeft eiseres tot cassatie sub 3 (hierna ook: VDP) haar eis gewijzigd in die zin dat zij subsidiair vordert dat het hof de Staat zal verbieden het voorgenomen persbericht uit te geven en naar buiten enige mededeling te doen, die direct of indirect kan leiden tot haar identificatie.
Bij arrest van 16 maart 2004 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Tegen [eiser] c.s. is een gerechtelijk vooronderzoek geopend ter zake van verdenking van valsheid in geschrift. Na onderhandelingen heeft de officier van justitie te Roermond hun een transactievoorstel gedaan, inhoudend dat [eiser] c.s. ieder een bepaald bedrag betalen ter voorkoming van verdere strafvervolging. De raadsman van [eiser] c.s. heeft dit transactievoorstel aanvaard bij brief van 17 mei 2002.
(ii) Het transactieaanbod behoefde ingevolge de door het College van Procureurs-Generaal op de voet van art. 130 lid 4 RO gegeven Aanwijzing hoge transacties en transacties in bijzondere zaken (Stcrt. 2002, 39) de goedkeuring van dat College. Het College heeft de gevraagde goedkeuring verleend, waarmee de minister van Justitie heeft ingestemd. Hierbij is bepaald dat een persbericht over de transactie zal worden uitgebracht.
(iii) Het openbaar ministerie is voornemens een persbericht uit te geven waarvan de inhoud is weergegeven in rov. 4.1 onder j van het thans bestreden arrest. [Eiser] c.s. kunnen zich met het uitbrengen van dit persbericht niet verenigen.
3.2 In dit kort geding hebben [eiser] c.s. aan hun hiervoor in 1 vermelde vordering ten grondslag gelegd dat het in strijd is met de wet aan een transactie de voorwaarde van een persbericht te verbinden en dat het concept-persbericht bovendien inhoudelijk niet juist en daarom onrechtmatig is. De voorzieningenrechter heeft de vordering tegen de Staat afgewezen. In hoger beroep heeft VDP haar eis gewijzigd in die zin dat zij - volgens de vaststelling van het hof: subsidiair - vordert dat het hof aan de Staat zal verbieden het voorgenomen persbericht uit te geven en naar buiten enige mededeling te doen die direct of indirect kan leiden tot haar identificatie. Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Hetgeen het hof daartoe heeft overwogen, kan als volgt worden samengevat.
a. Vooropgesteld wordt dat het openbaar ministerie vrij was een transactie aan te bieden, waartegenover de vrijheid van [eiser] c.s. staat op de aangeboden transactie niet in te gaan, in welk geval de bedoelde perspublicatie niet zal plaatsvinden. Het openbaar ministerie heeft vanaf het begin van de onderhandelingen gesteld dat er een perspublicatie diende te komen. Daarmee handelde het openbaar ministerie in overeenstemming met de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde, voor eenieder kenbare Aanwijzing hoge transacties. (rov. 4.5-4.7)
b. Verworpen wordt de stelling van [eiser] c.s. dat het openbaar ministerie in strijd met art. 74 Sr. handelt door (los van de inhoud) een persbericht als voorwaarde voor de transactie te stellen, een voorwaarde die dat wetsartikel niet bevat. Volgens het hof gaat het hier om een beleidsbepaling van het openbaar ministerie, waarin wordt aangegeven dat het uitgaan van een persbericht een consequentie is van het aangaan van de transactie. Aan [eiser] c.s. wordt dan ook geen voorwaarde opgelegd. (rov. 4.8)
c. Ook de stelling dat het uitbrengen van een persbericht in strijd is met art. 6 lid 2 en art. 8 EVRM en de Wet bescherming persoonsgegevens wordt verworpen, reeds omdat de voorgestelde transactie slechts dan plaats heeft als [eiser] c.s. akkoord gaan met, althans zich niet verzetten tegen, de voorgenomen publicatie van die transactie. (rov. 4.9)
d. De inhoud van de voorgenomen perspublicatie betreft niet een gezamenlijk standpunt van het openbaar ministerie en [eiser] c.s., maar de eigen visie van het openbaar ministerie op de zaak. De inhoud van een perspublicatie kan niettemin onrechtmatig zijn, doordat bijvoorbeeld formuleringen gekozen worden die de status miskennen van personen aan wie een transactie wordt aangeboden, en voor wie het aangaan van een transactie niet hetzelfde rechtsgevolg heeft als een onherroepelijke veroordeling. (rov. 4.12-4.13)
e. Op twee punten voldoet het voorgenomen persbericht niet aan de zojuist genoemde eis. (rov. 4.14) Doordat de Staat bij pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat hij het aanbod tot transactie alleen handhaaft indien hij mag overgaan tot het voorgenomen persbericht, hebben [eiser] c.s. geen belang meer bij hun subsidiaire vordering. Daarbij wordt nog aangetekend dat [eiser] c.s. niet gevorderd hebben de Staat te veroordelen een transactie aan te bieden, gevolgd door een wat inhoud betreft rechtmatig persbericht, zodat het hof een dergelijke vordering niet kan behandelen. (rov. 4.15)
3.3.1 De onderdelen 1 en 2 van het middel bevatten motiveringsklachten en rechtsklachten tegen het hiervoor in 3.2 onder b. weergegeven oordeel van het hof, dat, kort gezegd, geen sprake is van het stellen van een - door art. 74 Sr. niet toegelaten - voorwaarde. Volgens onderdeel 1 is (zonder nadere of andere motivering) onbegrijpelijk waarom het hof het uitbrengen van een persbericht, waarvan het openbaar ministerie de bereidheid een transactie aan te bieden afhankelijk heeft gesteld, niet heeft beschouwd als een transactievoorwaarde. Onderdeel 2 klaagt dat het hof, indien het hof het persbericht wel als transactievoorwaarde heeft aangemerkt, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting doordat het dan heeft miskend dat de opsomming van transactievoorwaarden in art. 74 lid 2 Sr. een limitatieve is, zodat het openbaar ministerie deze voorwaarde niet had mogen stellen.
3.3.2 Bij de beoordeling van deze onderdelen wordt het volgende vooropgesteld. Het gaat in deze zaak - in cassatie onbestreden - om een voorgenomen transactie waarop de hiervoor bedoelde, voor het openbaar ministerie in beginsel bindende, Aanwijzing hoge transacties van toepassing is. Deze Aanwijzing schrijft voor dat indien tot een hoge transactie of een transactie in een bijzondere zaak wordt besloten, een persbericht in beginsel noodzakelijk is, hetgeen als volgt wordt gemotiveerd:
"Hiermee wordt geanticipeerd op de - gegeven de aard van de zaken - onvermijdelijke maatschappelijke aandacht voor de zaak in kwestie. Tevens compenseert dit persbericht het uitblijven van publiciteit naar aanleiding van een openbare behandeling ter terechtzitting en een in het openbaar uitgesproken rechterlijke uitspraak en de generaal preventieve werking die daarvan uitgaat. Het persbericht noemt in ieder geval de naam van de verdachte met wie en de strafbare feiten terzake waarvan wordt getransigeerd; het geeft ook summier aan waarom is gekozen voor een transactie. De inhoud wordt vastgesteld door het OM. Het wordt uitgebracht zo spoedig mogelijk nadat de transactie gesloten is.
De inhoud van het persbericht moet worden afgestemd met de Voorlichtingsdienst van het OM op een moment dat het nog niet is aangeboden of besproken met de verdachte en/of zijn raadsman (...) ."
Blijkens de, onder de kop "Achtergrond" gegeven toelichting is het College van Procureurs-Generaal zich ervan bewust geweest dat de aan de verdachte te stellen voorwaarden limitatief staan omschreven in art. 74 lid 2 Sr. Naar de kennelijke strekking van de aan de hoofden van de parketten gerichte Aanwijzing is dan ook met het voorschrift dat in de door de Aanwijzing bestreken transactievoorstellen "een persbericht in beginsel noodzakelijk" is, niet bedoeld een voorwaarde in de zin van art. 74 lid 2 Sr. aan de verdachte te stellen, of te bepalen dat het openbaar ministerie dat moet doen.
3.3.3 Veeleer is, zoals de hiervoor aangehaalde tekst ook tot uitdrukking brengt, sprake van een onder verantwoordelijkheid van en door het openbaar ministerie zelf opgesteld persbericht, dat (in beginsel) moet worden uitgebracht zo spoedig mogelijk nadat de transactie is gesloten. Met dit laatste wordt blijkens punt 5 van de Aanwijzing bedoeld het moment waarop de verdachte aan alle aan de transactie gekoppelde voorwaarden als bedoeld in art. 74 Sr. voldoet. Deze instructie aan het openbaar ministerie is ingegeven door de hiervoor weergegeven motieven en doet recht aan het publieke belang van controleerbaarheid van het handelen van het openbaar ministerie. De Aanwijzing heeft betrekking op zaken die zich, hoewel het hierbij dikwijls gaat om delicten die publieke verontrusting hebben veroorzaakt, bij uitzondering lenen voor afdoening buiten de rechter om indien daarvoor goede redenen kunnen worden gegeven; de voorgenomen transactie dient via het College van Procureurs-Generaal aan de minister van Justitie te worden voorgelegd, opdat deze kan bepalen of hij daarvoor politieke verantwoordelijkheid kan dragen. Ook hieruit blijkt dat een persbericht betreffende een hoge transactie of een transactie in een bijzondere zaak niet kan worden geplaatst in het kader van al dan niet aan de verdachte te stellen voorwaarden als bedoeld in art. 74 lid 2 Sr.
3.3.4 Het voorgaande sluit niet uit dat over de tekst van een uit te brengen persbericht overleg plaats heeft, noch dat het openbaar ministerie tracht met de (raadsman van de) verdachte daarover overeenstemming te bereiken. Waar het openbaar ministerie evenwel niet als transactievoorwaarde kan stellen dat de verdachte het persbericht zal gedogen, behoudt de verdachte, ook al heeft hij ingestemd met de wel gestelde transactievoorwaarden, nog steeds de vrijheid de rechtmatigheid van een door het openbaar ministerie opgesteld persbericht, desgewenst nog voordat het wordt uitgebracht, in rechte aan de orde te stellen, zoals [eiser] c.s. in dit kort geding hebben gedaan.
3.3.5 In het licht van het voorgaande is het oordeel van het hof in rov. 4.8 dat in verband met het voorgenomen persbericht aan [eiser] c.s. niet een voorwaarde als bedoeld in art. 74 lid 2 Sr. is gesteld, niet onbegrijpelijk. Het behoefde geen nadere motivering dan door het hof is gegeven, in aanmerking genomen dat het hof in rov. 4.7 - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat het openbaar ministerie in overeenstemming handelde met de Aanwijzing. Dit wordt niet anders doordat het hof in rov. 4.9.1 heeft overwogen dat "de voorgestelde transactie slechts dan plaats heeft als [eiser] c.s. akkoord gaat met althans zich niet verzet tegen de voorgenomen publicatie van de transactie". Daarmee heeft het hof, zij het in mogelijk tot misverstand aanleiding gevende bewoordingen, tot uitdrukking gebracht dat [eiser] c.s., indien zij onoverkomelijke bezwaren hebben tegen het voorgenomen persbericht, ervan kunnen afzien de transactie doorgang te doen vinden.
3.3.6 De in onderdeel 1 vervatte motiveringsklacht faalt derhalve. De in onderdeel 2 naar voren gebrachte rechtsklacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het hof het uitbrengen van het persbericht niet als een transactievoorwaarde heeft beschouwd.
3.4 Ook onderdeel 3 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, voorzover het betoogt dat het openbaar ministerie door het stellen van de voorwaarde van het persbericht kennelijk beoogde te bewerkstelligen dat [eiser] c.s. tegen dat persbericht - ook al zou de inhoud daarvan als onrechtmatig moeten worden aangemerkt - niet meer in rechte zouden kunnen opkomen, en dat derhalve sprake was van détournement de pouvoir. Het hof heeft immers geoordeeld dat van het stellen van een transactievoorwaarde geen sprake was. Het onderdeel is ook voor het overige tevergeefs voorgesteld. Zoals hiervoor is overwogen, mist het openbaar ministerie de bevoegdheid [eiser] c.s. te verplichten een persbericht van een bepaalde inhoud te gedogen en kan het niet verhinderen dat [eiser] c.s. de rechtmatigheid van het persbericht aanvechten. Het hof behoefde ook niet ambtshalve in te gaan op de vraag of anderszins sprake was van détournement de pouvoir:
het voornemen een persbericht aangaande de transactie uit te brengen vloeide immers voort uit de hiervoor vermelde instructie aan het openbaar ministerie. Het hof behoefde in de stellingen van [eiser] c.s. niet het verwijt te lezen dat het openbaar ministerie desondanks slechts erop uit was door de uitoefening van zijn bevoegdheid hun al dan niet een transactie aan te bieden, hen ertoe te bewegen een persbericht van een bepaalde inhoud te aanvaarden.
3.5.1 Onderdeel 4 keert zich tegen de hiervoor in 3.2 onder e. weergegeven rov. 4.15 van het bestreden arrest. Geklaagd wordt dat VDP, anders dan het hof heeft geoordeeld, gegeven de ontoelaatbaarheid van het stellen van de voorwaarde van een persbericht, en uitgaande van de (gestelde) onrechtmatigheid van de inhoud van het persbericht dat de Staat voornemens was uit te brengen, bij haar subsidiaire vordering nog wel belang heeft: zou die vordering worden toegewezen, dan is daarmee immers - gegeven de ontoelaatbaarheid van het stellen van de voorwaarde van een persbericht - niet gegeven dat de transactie geen doorgang zou vinden, terwijl daarmee evenmin is gegeven dat de Staat niet alsnog een persbericht met een andere, wel rechtmatige inhoud zou mogen uitbrengen. Zou de Staat na toewijzing van de subsidiaire vordering van VDP weigerachtig zijn de transactie tot stand te brengen, dan zouden [eiser] c.s. daaromtrent een nieuwe procedure tegen de Staat hebben kunnen aanspannen, aldus het onderdeel.
3.5.2 Voorzover het onderdeel tot uitgangspunt neemt dat het stellen van de voorwaarde van een persbericht ontoelaatbaar is, bouwt het voort op de hiervoor behandelde onderdelen 1 en 2, en deelt het het lot daarvan. Voor het overige behoeft het geen behandeling, omdat VDP daarbij in dit stadium geen belang heeft. Zoals uit het hiervoor in 3.3.3 overwogene voortvloeit, is een op de voet van de Aanwijzing zo spoedig mogelijk na het sluiten van de transactie uit te brengen persbericht, in beginsel niet onrechtmatig. Nu uit de gedingstukken geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de transactie nog niet tot stand is gekomen in die zin dat [eiser] c.s. aan alle aan de transactie gekoppelde voorwaarden hebben voldaan, en dat het openbaar ministerie bereid is hen daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen, kunnen zich de volgende situaties voordoen. Indien [eiser] c.s. besluiten niet aan de transactievoorwaarden te voldoen, zal geen persbericht worden uitgegeven. Indien zij wel daartoe besluiten, zal het openbaar ministerie onder eigen verantwoordelijkheid een persbericht uitgeven, waarvan de inhoud volgens de schriftelijke toelichting namens de Staat onder 2.21 zal zijn aangepast aan de kritiek van het hof. Daartegen zullen [eiser] c.s. desgewenst in rechte kunnen opkomen.
4. De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 13 mei 2005.
Conclusie 13‑05‑2005
Inhoudsindicatie
13 mei 2005 Eerste Kamer Nr. C04/151HR RM/JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiser 1], wonende te [woonplaats], België, 2. [Eiseres 2], e.v. [betrokkene 1], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], gevestigd te [vestigingsplaats], België EISERS tot cassatie, advocaat: mr. D. Rijpma, t e g e n DE STAAT DER NEDERLANDEN, Ministerie van Justitie, zetelende te 's-Gravenhage, VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. G. Snijders. 1. Het geding in feitelijke instanties...
C04/151HR
Mr. F.F. Langemeijer
Zitting 28 januari 2005 (bij vervroeging: kort geding)
Conclusie inzake:
1. [eiser 1]
2. [eiseres 2], e.v. [betrokkene 1]
3. [eiseres 3]
tegen
de Staat der Nederlanden
In dit kort geding gaat het om de vraag of het Openbaar Ministerie onrechtmatig handelt door bij aanvaarding van een transactievoorstel als bedoeld in de Aanwijzing hoge transacties en transacties in bijzondere zaken (Stcrt. 2002, 39) een persbericht uit te geven.
1. De feiten en het verloop van het geding
1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die in rov. 4.1 van het bestreden arrest zijn vermeld. Kort samengevat voor zover in cassatie van belang, gaat het om het volgende.
1.1.1. Tegen eisers is een gerechtelijk vooronderzoek geopend ter zake van verdenking van valsheid in geschrift. Na onderhandelingen heeft de officier van justitie te Roermond aan eisers een transactievoorstel gedaan, inhoudend dat de drie eisers ieder een bepaald bedrag betalen ter voorkoming van verdere strafvervolging. De raadsman van eisers heeft dit transactievoorstel aanvaard bij brief van 17 mei 2002(1).
1.1.2. Het transactieaanbod behoefde ingevolge de Aanwijzing hoge transacties en transacties in bijzondere zaken (Stcrt. 2002, 39) de goedkeuring van het College van Procureurs-Generaal. Het College heeft de gevraagde goedkeuring verleend, waarmee de minister van Justitie heeft ingestemd. Hierbij is bepaald dat een persbericht over de transactie zal worden uitgebracht(2).
1.1.3. Het Openbaar Ministerie is voornemens een persbericht uit te geven waarvan de inhoud is weergegeven in rov. 4.1 onder j van het thans bestreden arrest. Eisers kunnen zich met het uitbrengen van dit persbericht niet verenigen.
1.2. Eisers hebben de Staat en de officier van justitie in kort geding gedagvaard voor de de rechtbank te Roermond. Hun vordering strekte ertoe dat de voorzieningenrechter aan de Staat en de officier van justitie zal verbieden uitvoering te geven aan het voornemen over de strafrechtelijke transactie met eisers enige mededeling naar buiten te doen. Aan hun vordering hebben eisers ten grondslag gelegd dat het in strijd is met de wet om aan een transactie de voorwaarde van een persbericht te verbinden en dat het concept-persbericht bovendien inhoudelijk niet juist en daarom onrechtmatig is.
1.3. Bij vonnis van 1 oktober 2003 heeft de voorzieningenrechter eisers niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering tegen de officier van justitie. Die beslissing staat niet ter discussie(3). De vordering tegen de Staat werd afgewezen op de grond dat het uitbrengen van een persbericht over de transactie niet onrechtmatig jegens eisers is; indien eisers het niet eens zijn met de voorgenomen wijze van afdoening staat het hen vrij de aangeboden transactie te weigeren.
1.4. Eisers hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. In hoger beroep heeft eiseres onder 3 (de vennootschap) haar eis gewijzigd in die zin dat zij - volgens het hof: subsidiair(4) - vordert dat het hof aan de Staat zal verbieden het voorgenomen persbericht uit te geven en naar buiten enige mededeling te doen die direct of indirect kan leiden tot haar identificatie.
1.5. Bij arrest van 16 maart 2004 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Het hof heeft eerst de stelling besproken dat het Openbaar Ministerie in strijd met art. 74 Sr handelt door (ongeacht de inhoud ervan) een persbericht als voorwaarde voor de transactie te stellen. Volgens het hof is hier geen sprake van het stellen van een voorwaarde door de officier van justitie (rov. 4.5 - 4.8). Vervolgens heeft het hof de stelling besproken dat het uitbrengen van het voorgenomen persbericht over de transactie in strijd is met de onschuldpresumptie (art. 6 lid 2 EVRM), met het bepaalde in de Wet bescherming persoonsgegevens en met het privacybeginsel. Het hof verwierp ook dat standpunt (rov. 4.9). Het hof overwoog voorts dat de inhoud van een uit te brengen persbericht onrechtmatig kan zijn indien formuleringen worden gekozen die de status miskennen van personen aan wie de officier van justitie een transactie heeft aangeboden (rov. 4.12 - 4.13). Naar 's hofs oordeel voldoet het voorgenomen persbericht op twee punten niet aan deze eis, maar kan het hof hieraan geen gevolgen verbinden omdat de vordering daarop niet is ingericht (rov. 4.14 - 4.15). Bij hun subsidiaire vordering missen eisers volgens het hof belang.
1.6. Namens eisers is - tijdig(5) - cassatieberoep ingesteld. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping daarvan. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1. Art. 74 lid 1 Sr bepaalt dat de officier van justitie voor de aanvang van de terechtzitting een of meer voorwaarden kan stellen ter voorkoming van de strafvervolging wegens misdrijven, met uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en wegens overtreding. Door voldoening aan de voorwaarden vervalt het recht tot strafvordering. In het tweede lid van art. 74 is bepaald welke voorwaarden de officier van justitie kan stellen. Deze opsomming is limitatief(6). Het hof heeft - in cassatie onbestreden - vastgesteld dat zich hier niet een geval voordoet als bedoeld in art. 74a Sr, waarin de officier van justitie het transactieaanbod van de verdachte niet mag weigeren (rov. 4.5.1).
2.2. Voor dit geschil is van belang de Aanwijzing hoge transacties en transacties in bijzondere zaken (Stcrt. 2002, 39), hierna verkort aangeduid als Aanwijzing hoge transacties. Zoals de Staat in eerste aanleg heeft uiteengezet(7), vindt de Aanwijzing hoge transacties haar grondslag in de maatschappelijke behoefte aan transparantie in gevallen waarin betaling van een hoog bedrag door het Openbaar Ministerie als voorwaarde is gesteld of anderszins publieke belangstelling voor de afdoening te verwachten is(8). De achtergrond van de regeling laat zich als volgt kenschetsen. Strafzaken worden in beginsel behandeld in een openbare terechtzitting. Het publiek kan op die wijze kennis nemen van het onderzoek naar de feiten en van de justitiële reactie daarop. Wanneer de officier van justitie met succes een transactie aanbiedt vervalt de publieke controle. Bij veel voorkomende delicten, die gestandaardiseerd worden afgehandeld, stuit dit niet op veel bezwaar; in de maatschappelijke behoefte aan transparantie wordt grotendeels voorzien door middel van de publicatie van de aanwijzingen van het College van procureurs-generaal, waarin de indicaties en de tarieven voor transacties zijn opgenomen. Bij omvangrijke strafzaken, voor zover deze gelet op de beperkingen van art. 74 lid 1 Sr voor een transactie in aanmerking kunnen komen, ontbreekt een dergelijke standaardisering. Wanneer het transactiebedrag in zulke zaken - het gaat veelal om grootschalige financiële of milieucriminaliteit - niet tevoren vaststaat, kan tot op zekere hoogte over de transactievoorwaarden worden onderhandeld tussen de verdachte (bijgestaan door zijn raadsman) en de officier van justitie. Zulke niet openbare onderhandelingen worden door het publiek met argwaan bekeken. Dit laatste geldt in het bijzonder wanneer de verdenking betrekking heeft op zgn. `witte boorden-criminaliteit': komt de officier van justitie de verdachte niet teveel tegemoet teneinde hem een gang naar de strafrechter te besparen? Door middel van het persbericht legt het Openbaar Ministerie aan het publiek verantwoording af over de transactie.
2.3. Er is ook een andere benadering mogelijk. Art. 6 EVRM geeft de verdachte recht op een openbare behandeling van zijn zaak. De openbaarheid en de daaraan verbonden mogelijkheid tot publieke controle op de rechtspraak dienen hoofdzakelijk als een waarborg ten behoeve van de verdachten. Indien de verdachte - op basis van informed consent en zonder dat onbehoorlijke druk op hem is uitgeoefend - van dit grondrecht afstand doet is de kous af, ook voor het publiek. Nu deze opvatting niet in het cassatiemiddel is verdedigd, laat ik het bij vermelding ervan.
2.4. De Aanwijzing hoge transacties is van toepassing indien de voorwaarde krachtens art. 74, lid 2 onder a, Sr (betaling van een geldsom aan de Staat) het bedrag van € 50.000,- te boven gaat, aangenomen dat de hoogte van het transactiebedrag niet reeds uit een (andere) aanwijzing voortvloeit, òf indien het totale bedrag dat met de transactie is gemoeid inclusief evt. voordeelsontneming en de vergoeding van de schade het bedrag van € 500.000,- te boven gaat. Met betrekking tot de te volgen procedure houdt de Aanwijzing in dat de officier van justitie de voorgenomen hoge transactie voorlegt aan de parketleiding. Indien deze instemt met de voorgenomen transactie, legt de hoofdofficier van justitie de zaak voor aan de betrokken hoofdadvocaat-generaal en vervolgens aan het College van procureurs-generaal. Indien het College instemt met de voorgenomen transactie legt het de zaak voor aan de minister van Justitie.
2.5. Met betrekking tot het uitbrengen van een persbericht bepaalt de Aanwijzing:
"Indien besloten wordt tot een hoge transactie of een transactie in een bijzondere zaak is een persbericht in beginsel noodzakelijk. Hiermee wordt geanticipeerd op de - gegeven de aard van de zaken - onvermijdelijke maatschappelijke aandacht voor de zaak in kwestie. Tevens compenseert dit persbericht het uitblijven van publiciteit naar aanleiding van een openbare behandeling ter terechtzitting en een in het openbaar uitgesproken rechterlijke uitspraak en de generaal preventieve werking die daarvan uitgaat. Het persbericht noemt in ieder geval de naam van de verdachte met wie en de strafbare feiten terzake waarvan wordt getransigeerd; het geeft ook summier aan waarom is gekozen voor een transactie. De inhoud wordt vastgesteld door het OM. Het wordt uitgebracht zo spoedig mogelijk nadat de transactie gesloten is.
De inhoud van het persbericht moet worden afgestemd met de Voorlichtingsdienst van het OM op een moment dat het nog niet is aanboden of besproken met de verdachte en/of zijn raadsman (...)."
2.6. De Aanwijzing hoge transacties is een beleidsregel met betrekking tot de uitoefening door de officier van justitie van zijn bevoegdheden. Zij bindt - met alle beperkingen die aan beleidsregels eigen zijn - het Openbaar Ministerie, maar kan geen verplichting aan eisers opleggen om de publicatie te gedogen. Eisers hebben feitelijk wel de mogelijkheid het voorgenomen persbericht tegen te houden: indien zij niet voldoen aan de gestelde transactievoorwaarde(n) komt de transactie niet tot stand en volgt er geen persbericht als bedoeld in de Aanwijzing hoge transacties. Zij zijn vrij om het transactievoorstel te weigeren(9). Terzijde: voor de toekomst is een nieuw stelsel voorgesteld, waarin de officier van justitie voor bepaalde delicten zelf een strafbeschikking zal kunnen uitvaardigen(10).
2.7. De onderdelen 1 en 2 van het cassatiemiddel zijn gericht tegen rov. 4.8. In deze overweging heeft het hof de stelling van eisers verworpen dat het Openbaar Ministerie in strijd met art. 74 lid 2 Sr handelt door een perspublicatie als voorwaarde voor een transactie te stellen. Volgens eisers is het uitbrengen van een persbericht een transactievoorwaarde die dit artikellid niet toestaat. Onderdeel 1 klaagt dat onbegrijpelijk is waarom het hof de door de officier van justitie gestelde voorwaarde van een persbericht (los van de inhoud ervan) niet heeft aangemerkt als een transactievoorwaarde. Onderdeel 2 bevat de rechtsklacht dat als het hof het uitbrengen van een persbericht heeft opgevat als een door de officier van justitie gestelde transactievoorwaarde, het hof in rov. 4.8 ten onrechte voorbij is gegaan aan het limitatieve karakter van art. 74 lid 2 Sr.
2.8. De totstandkoming van de transactie moet worden onderscheiden van die van het persbericht. Art. 74 Sr heeft uitsluitend betrekking op de voorwaarden die de officier van justitie aan de verdachte stelt. Voor het uitbrengen van een persbericht over de transactie heeft het Openbaar Ministerie noch de feitelijke medewerking noch de instemming van de verdachte(n) nodig: het O.M. bepaalt zelf de inhoud van zijn persberichten en draagt verantwoordelijkheid voor de juistheid en zorgvuldigheid ervan. Het persbericht is dus niet een door de officier van justitie aan de verdachte gestelde voorwaarde, waaraan deze zou moeten voldoen om het recht tot strafvervolging te doen vervallen.
2.9. Dit komt anders te liggen indien de officier van justitie - eigener beweging of daartoe genoodzaakt door het College van procureurs-generaal(11) - als één van de voorwaarden voor het aangaan van een transactie van eisers zou hebben verlangd dat zij een bepaalde prestatie leveren; bijvoorbeeld dat eisers instemmen met de inhoud van het voorgenomen persbericht en/of dat zij afstand doen van hun recht om rechtsmaatregelen te nemen tegen de inhoud van het persbericht. Een dergelijke voorwaarde zou gelet op het limitatieve karakter van het bepaalde in art. 74, tweede lid, Sr een ontoelaatbare transactievoorwaarde zijn geweest.
2.10. Uit het slot van rov. 4.8 volgt dat de officier van justitie in dit geval niet een zodanige (verboden) voorwaarde aan eisers heeft gesteld(12). Het gaat in deze zaak veeleer om een eenzijdige mededeling: indien u voldoet aan de transactievoorwaarden zal een persbericht met deze inhoud volgen. Hieruit volgt dat de motiveringsklacht van onderdeel 1 faalt en dat de rechtsklacht van onderdeel 2 feitelijke grondslag mist.
2.11. Het middel legt overigens wel de vinger op een spraakverwarring hieromtrent in de gedingstukken, die in het bestreden arrest sporen heeft nagelaten. In rov. 4.9.1 heeft het hof overwogen dat de voorgestelde transactie slechts dan plaats heeft, indien eisers instemmen met de voorgenomen publicatie van de transactie. In rov. 4.9.2 overweegt het hof dat wie onder die omstandigheden instemt met de voorgestelde transactie zich daarna niet meer met vrucht kan beroepen op een schending van het onschuldprincipe of op een schending van het privacybeginsel.
2.12. Deze beide overwegingen lijken mij onjuist. Indien het College van procureurs-generaal aan zijn goedkeuring de voorwaarde van een persbericht heeft verbonden, is dat een zaak die de interne verhouding tussen het College en de officier van justitie betreft. De officier van justitie kan deze voorwaarde niet aan de verdachte opleggen. De officier van justitie kan wel met (de raadsman van) de verdachten onderhandelen over de tekst van het persbericht, maar hij kan er geen transactievoorwaarde van maken. Op enig moment zal de officier van justitie zelf moeten beslissen of hij de verdachte een definitief transactieaanbod doet. Zo ja en voldoet de verdachte aan de gestelde voorwaarden, dan is het recht tot strafvervolging vervallen. Niets belet de verdachte in dat geval om maatregelen te nemen tegen het persbericht of om achteraf schadevergoeding te vorderen als hij daartoe gronden aanwezig acht.
2.13. Onderdeel 3 klaagt dat het hof in rov. 4.8 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof het handelen van het Openbaar Ministerie ten onrechte niet heeft aangemerkt als détournement de pouvoir. Volgens het middelonderdeel bestond daartoe reden omdat de officier van justitie met de voorwaarde dat de transactie zal worden gevolgd door het persbericht kennelijk beoogt te bewerkstelligen dat eisers niet langer in rechte kunnen opkomen tegen de inhoud van het persbericht, zelfs wanneer de inhoud van dat persbericht onrechtmatig jegens hen zou zijn.
2.14. De klacht mist feitelijke grondslag omdat nergens uit blijkt dat de officier van justitie dit effect beoogde te bewerkstelligen. Uit het slot van rov. 4.8 volgt dat de officier van justitie in dit geval niet een zodanige (verboden) voorwaarde aan eisers heeft gesteld. Het persbericht is een door het Openbaar Ministerie beoogd gevolg van de transactie, niet een aan de verdachte gestelde transactievoorwaarde.
2.15. In de s.t. (blz. 4) wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing impliceert dat het Openbaar Ministerie verdachten onder druk mag zetten om een onrechtmatig persbericht te accepteren, op straffe van het uitblijven van een transactie. Eisers kwalificeren dit als détournement de pouvoir. Ook dit argument faalt. Uit de stellingen van eisers volgt niet dat de officier van justitie eisers onder druk heeft gezet om een persbericht, van welke inhoud dan ook, te accepteren(13). De omstandigheid dat eisers het alternatief, te weten een dagvaarding voor een strafzitting, als druk ervaren om toch maar aan het transactievoorstel te voldoen is op zich niet voldoende voor de door hen beoogde gevolgtrekking dat hier sprake is van een ongeoorloofde uitoefening van druk door de officier van justitie. Van een détournement de pouvoir kan sprake zijn wanneer een bestuursorgaan een bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend (vgl. art. 3:3 Awb). Aannemend dat in het onderhavige geval voldoende aanwijzingen van schuld voorhanden waren om eisers als verdachten te vervolgen(14), was de officier van justitie bevoegd, maar niet verplicht hen een transactie ter voorkoming van strafvervolging aan te bieden. Dat eisers door deze gang van zaken voor de keuze kwamen te staan hetzij een transactie te aanvaarden met een persbericht overeenkomstig de Aanwijzing hoge transacties als consequentie daarvan, hetzij te worden gedagvaard voor een openbare terechtzitting, behoefde het hof niet te beschouwen als een gebruik door de officier van justitie van zijn bevoegdheid (tot het aanbieden of weigeren van een transactie) voor een ander doel dan waarvoor hem die bevoegdheid is gegeven. Onderdeel 3 treft geen doel.
2.16. Onderdeel 4 is gericht tegen rov. 4.15, waarin het hof overweegt dat appellanten geen belang hebben bij de subsidiaire vordering die de vennootschap in hoger beroep heeft ingesteld, omdat de officier van justitie slechts bereid is het transactieaanbod te handhaven indien het Openbaar Ministerie de transactie (overeenkomstig de Aanwijzing hoge transacties) vergezeld mag doen gaan van het voorgenomen persbericht, waaruit de identiteit van eiseres onder 3 voor het publiek kenbaar zal worden. Met andere woorden: het hof gaat ervan uit dat de gehele transactie - en dus ook het voorgenomen persbericht - niet doorgaat wanneer de subsidiaire vordering zou worden toegewezen.
2.17. Het middelonderdeel draait de redenering om: "Zou die vordering worden toegewezen, dan is daarmee (...) niet gegeven dat de transactie geen doorgang zou vinden, terwijl daarmee evenmin is gegeven dat de Staat niet alsnog een persbericht met een andere, wel rechtmatige inhoud zou mogen uitbrengen".
2.18. Klaarblijkelijk heeft de officier van justitie aan eisers een definitief transactieaanbod gedaan en is de uiterste betalingstermijn verlengd tot één week na de uitspraak van de voorzieningenrechter. Uit rov. 4.1 onder l volgt dat de betalingstermijn inmiddels is verlengd voor de duur van de procedure in hoger beroep: de termijn verstrijkt dus op het moment waarop eindarrest is gewezen. Wanneer eisers tijdig, d.w.z. vóór het eindarrest van het hof, zouden hebben voldaan aan de door de officier van justitie gestelde voorwaarde, te weten de betaling van een bepaald bedrag binnen de gestelde termijn, zou dit toereikend zijn geweest om het recht tot strafvervolging te doen vervallen. Na die betaling zou de officier van justitie zijn transactieaanbod niet meer kunnen herroepen; eenmaal vervallen, blijft het recht tot strafvervolging vervallen(15). In die veronderstelde situatie zou eiseres onder 3 belang hebben behouden bij haar subsidiaire vordering omtrent de inhoud van het door het Openbaar Ministerie uit te brengen persbericht en andere openbare mededelingen.
2.19. Uit niets blijkt evenwel dat eisers tijdig, d.w.z. vóór het eindarrest van het hof, aan de door de officier van justitie gestelde voorwaarde hebben voldaan. Derhalve was de termijn waarbinnen zij strafvervolging konden voorkomen ten tijde van het bestreden arrest verstreken, gaat de beoogde transactie niet door, blijft ieder persbericht over de transactie achterwege en hebben eisers geen belang meer bij de subsidiaire vordering.
2.20. Voor zover eisers bedoelen dat de officier van justitie hen opnieuw in de gelegenheid behoort te stellen om door voldoening aan bepaalde voorwaarden strafvervolging te voorkomen, en dat zij voor dat geval belang houden bij de subsidiaire vordering, heeft het hof aan het slot van rov. 4.15 kunnen en mogen oordelen dat hun vordering daarop niet is toegesneden. De slotsom is dat het cassatieberoep behoort te worden verworpen.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
1 Om mogelijk misverstand te voorkomen: het recht tot strafvervolging vervalt niet door deze acceptatie, maar door het voldoen aan de gestelde voorwaarde(n): zie art. 74 lid 1 Sr; Noyon-Langemeijer-Remmelink, Wetboek van Strafrecht (losbl.), aant. 4 op art. 74.
2 Dit was voor eisers geen verrassing. Zie rov. 4.6: door de Staat is onbestreden gesteld dat het O.M. zich vanaf het begin van de onderhandelingen met de raadsman van eisers op het standpunt heeft gesteld dat er een perspublicatie diende te komen aangaande de transactie.
3 Vgl. HR 11 oktober 1991, NJ 1993, 165 m.nt. CJHB en C.
4 Zie rov. 4.2 en 4.16 van het bestreden arrest. De tekst van de akte wijziging van eis d.d. 17 februari 2004 is op dit punt niet duidelijk. Het hof heeft zich kennelijk laten leiden door de pleitnota van appellanten, blz. 2 onder 2, waar sprake is van een vermeerdering van eis in die zin dat eiseres onder 3, onder instandhouding van haar oorspronkelijke vordering, daaraan een subsidiaire vordering toevoegt.
6 MvA, Kamerstukken II 1982/83, 15 012, nr. 31a, blz. 12; P. Osinga, Transactie in strafzaken, diss. 1992, blz. 225.
7 Pleitnota zijdens de Staat in eerste aanleg, blz. 4-5.
8 Aan de Aanwijzing hoge transacties gingen vooraf een rondschrijven van de procureurs-generaal van 17 juni 1987, Stcrt. 1987, 117, inzake beleidsuitgangspunten hoge transacties in misdrijfzaken en de Aanwijzing hoge transacties d.d. 29 juni 1999, Stcrt. 1999, 142. Zie over deze laatste: G.J.M. Corstens, Transacties en openbaarheid, NJB 2001, blz. 2133-2134.
9 Zie over het consensuele karakter en over voor- en nadelen van een transactiebevoegdheid in het algemeen: G.J.M. Corstens, Consensualiteit en strafsancties, AA 1997, blz. 133-139; J.H. Crijns, De strafrechter buitenspel, AA 2002, blz. 513-521; A.R. Hartmann, Buitengerechtelijke afdoening II, Derde interimrapport Onderzoeksproject Strafvordering 2001 (2002), blz. 81 e.v. en 96 e.v.; G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht (2002) blz. 774-775.
10 Wet OM-afdoening, Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 2. Het voorgestelde art. 257h Sv bepaalt dat bij AMvB categorieën strafbeschikkingen terzake van misdrijven kunnen worden aangewezen die op een daarbij te bepalen wijze openbaar worden gemaakt. In de MvT (ibidem, nr. 3, blz. 77) is aangetekend dat deze bepaling de praktijk en criteria ingevolge welke aan gevoelige en hoge transacties publiciteit wordt gegeven onverlet laat.
11 Zie de brief van de OvJ aan de raadsman d.d. 26 juni 2003 (prod. 3 van eisers in eerste aanleg).
12 Dit is overeenkomstig het standpunt van de Staat in feitelijke instanties: zie met name de MvA onder 4.3. Vgl. rov. 4.12.
13 Vgl. P. Osinga, Transactie in strafzaken, diss. 1992, blz. 220-221.
15 Wel is mogelijk dat de verdachte en de officier van justitie gezamenlijk een voltooide transactie terugdraaien: zie HR 25 januari 1966, NJ 1966, 160 m.nt. WP. De complicatie van een succesvol beklag over niet-vervolging (art. 74b lid 1 Sr) blijft buiten beschouwing; zij is voor dit cassatieberoep niet van belang.