HR, 19-03-2010, nr. 09/03617
ECLI:NL:HR:2010:BL1125
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-03-2010
- Zaaknummer
09/03617
- Conclusie
Mr. L. Strikwerda
- LJN
BL1125
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht (V)
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL1125, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑03‑2010; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL1125
ECLI:NL:PHR:2010:BL1125, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑01‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL1125
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
TRA 2010, 59 met annotatie van J.J.M. de Laat
AR-Updates.nl 2010-0276 met annotatie van
VAAN-AR-Updates.nl 2010-0276
Uitspraak 19‑03‑2010
Inhoudsindicatie
Faillissementsrecht. Appelrechter niet gehouden (ambtshalve) te toetsen of de rechter in eerste aanleg op grond van art. 2 lid l F. bevoegd was; verrekening van loonvordering met tegenvordering is beperkt tot het loon dat niet onder de beslagvrije voet valt. (81 RO)
19 maart 2010
Eerste Kamer
09/03617
EE/IS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. R.A.A. Duk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en [verweerder].
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 30 maart 2009 gedateerd verzoekschrift heeft [verweerder] de rechtbank Arnhem verzocht [verzoeker] in staat van faillissement te verklaren.
[Verzoeker] is niet verschenen bij de behandeling van het verzoek.
Bij vonnis van 7 juli 2009 heeft de rechtbank [verzoeker] in staat van faillissement verklaard, een rechter-commissaris benoemd en een curator aangesteld.
[Verzoeker] is vervolgens in verzet gekomen en heeft de rechtbank verzocht het vonnis van faillietverklaring te vernietigen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 4 augustus 2009 het verzet van [verzoeker] afgewezen en het vonnis van 7 juli 2009 bekrachtigd.
Tegen het vonnis van 4 augustus 2009 heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 31 augustus 2009 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het verzoekschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De zaak is voor [verzoeker] toegelicht door zijn advocaat en voor [verweerder], namens zijn advocaat, door mr. M.V. Polak, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.A.M. van Schendel op 19 maart 2010.
Conclusie 22‑01‑2010
Mr. L. Strikwerda
Partij(en)
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
[Verweerder]
Edelhoogachtbaar College,
1.
Het tijdig door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Arnhem van 31 augustus 2009. Bij dit arrest heeft het hof op het hoger beroep van [verzoeker] een vonnis van de rechtbank Arnhem van 4 augustus 2009 bekrachtigd. Dit vonnis betreft de afwijzing door de rechtbank van het door [verzoeker] ingestelde verzet tegen het vonnis van de rechtbank van 7 juli 2009, waarbij [verzoeker] op verzoek van thans verweerder in cassatie, hierna: [verweerder], in staat van faillissement is verklaard.
2.
[Verweerder] heeft verweer gevoerd tegen het door [verzoeker] ingestelde cassatieberoep en de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
3.
Het cassatieberoep berust op twee middelen. De middelen kunnen naar mijn oordeel niet tot cassatie leiden en nopen niet tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, zodat het cassatieberoep zich leent voor verwerping met toepassing van art. 81 RO. De zaak komt daarom in aanmerking voor een verkorte conclusie.
4.
Middel I berust op de stelling dat voor het hof kenbaar was dat [verzoeker] woonachtig is te [woonplaats] en ‘derhalve onder de rechtbank 's‑Hertogenbosch valt’. Daarom zou rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk zijn dat het hof niet (ambtshalve) de beslissing van de rechtbank Arnhem inzake haar bevoegdheid, heeft gecorrigeerd.
5.
Het middel faalt. Ingevolge de hoofdregel van art. 2 lid 1 Fw wordt de (relatieve) bevoegdheid van de rechtbank bepaald door de woonplaats van de schuldenaar. Beslissend is de woonplaats van de schuldenaar ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift. Vgl. B. Wessels, Insolventierecht, Deel I, Faillietverklaring, 2e dr. 2009, par. 1367, met rechtspraakgegevens. Het hof heeft kennelijk en geenszins onbegrijpelijk geoordeeld dat de enkele door [verzoeker] in hoger beroep betrokken stelling dat hij ‘woonachtig is te [woonplaats]’, welke stelling blijkens de gedingstukken niet vergezeld ging van de stelling dat dit ook reeds het geval was ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift, geen betwisting gelezen van de vaststelling door de rechtbank — in de aanhef van het vonnis van 4 augustus 2009 — dat [verzoeker] voorheen te [plaats] en thans te [woonplaats] woont. Bij deze stand van zaken is het hof kennelijk en terecht ervan uitgegaan dat de rechtbank op de voet van art. 2 lid 1 Fw bevoegd was en was het hof niet gehouden (ambtshalve) de beslissing van de rechtbank inzake haar bevoegdheid te corrigeren.
6.
Middel II bestrijdt als onjuist, althans onbegrijpelijk, het oordeel van het hof — in r.o. 3.4 — dat [verzoeker] zijn pretense vordering op [verweerder] op grond van de bepalingen in art. 7:632 BW niet, althans niet volledig, mag verrekenen met de loonvordering van [verweerder] op [verzoeker]. Volgens het middel heeft het hof miskend dat art. 7:632 sub e BW volledige verrekening toelaat met betrekking tot de huurprijs van (onder meer) werktuigen, machines en gereedschappen, door de werknemer in eigen bedrijf gebruikt, en die bij schriftelijke overeenkomst door de werkgever aan de werknemer zijn verhuurd.
7.
Ook dit middel kan geen doel treffen. Het miskent dat verrekening van de loonvordering van [verweerder] met de door [verzoeker] gepretenteerde tegenvordering, al aangenomen dat deze tegenvordering is aan te merken als een vordering die voldoet aan de in art. 7:632 onder e BW gestelde eisen, is beperkt tot het loon dat niet onder de beslagvrije voet valt. Zie art. 6:135, aanhef en onder a, BW en art. 7:632 lid 2 BW jo. art. 475a, aanhef en onder a, Rv. Vgl. Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, bew. door W.H.A.C.M. Bouwens en R.A.A. Duk, 22e dr. 2008, blz. 143. Het vorderingsrecht van [verweerder] kan, ook indien wordt aangenomen dat de tegenvordering van [verzoeker] op [verweerder] aangemerkt kan worden als een vordering als bedoeld in art. 7:632 onder e BW, derhalve slechts gedeeltelijk tenietgaan door verrekening. Het middel loopt daarom reeds vast op gebrek aan belang.
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,