Einde inhoudsopgave
Besluit activiteiten leefomgeving - Nota van toelichting
§ 4.83 Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie
Geldend
Geldend vanaf 31-08-2018
- Bronpublicatie:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Inwerkingtreding
31-08-2018
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
03-07-2018, Stb. 2018, 293 (uitgifte: 31-08-2018, kamerstukken/regelingnummer: -)
- Vakgebied(en)
Omgevingsrecht / Algemeen
Omgevingsrecht / Omgevingswet
Artikel 4.835 (toepassingsbereik)
Deze paragraaf gaat over de opslag van vaste mest, champost of dikke fractie. Vaste mest wordt ook wel steekvaste mest genoemd. Dit zijn dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn. Deze begripsomschrijving staat in bijlage I bij dit besluit; er is aangesloten op de begripsomschrijving die wordt gehanteerd op grond van de Meststoffenwet. Champost, het restproduct dat overblijft na de teelt, bevat meestal een gehalte aan dierlijke meststoffen. Volgens de begripsomschrijving in bijlage I bij dit besluit wordt onder dikke fractie het vaste restproduct verstaan dat ontstaat na mestscheiding van drijfmest.
Eerste lid
De paragraaf is alleen van toepassing als de opslag meer dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie betreft. Het gaat om het totaal volume. Hiermee wordt bedoeld dat het volume van meerdere opslagen bij elkaar opgeteld moeten worden. Kleinere opslagen van 3 m3 of minder bij bijvoorbeeld particulieren vallen buiten de reikwijdte.
Tweede lid
De opslag van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op dezelfde plek valt buiten de reikwijdte van dit besluit. Wel geldt hiervoor de algemene zorgplicht van artikel 1.6 van de wet. Met dezelfde plek wordt bedoeld dezelfde plaats op de bodem. Bij terugkerende opslag op dezelfde plek gaat het om permanente opslag en is de paragraaf van toepassing. Een opslag op het erf van een veehouderij zal altijd permanente opslag zijn, omdat er op een mestplaat steeds weer mest wordt opgeslagen. Dat mest er dan misschien maar 2 weken ligt, is niet relevant.
Artikel 4.836 (melding) [artikel 4.3 in samenhang met artikel 4.4, eerste lid, van de wet]
Artikel 4.836 regelt dat het met het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van meer dan 3 m3 niet mag worden begonnen voordat een melding aan het bevoegd gezag is gedaan. Het totaal volume is gekoppeld aan de feitelijke situatie. Zie voor de uitleg over het instrument melding paragraaf 3.5 van het algemeen deel van deze nota van toelichting.
Bij deze melding worden de algemene gegevens en bescheiden uit artikel 2.17 en de aanvullende gegevens (totaal volume) in het tweede lid gevoegd. Het totaal volume is niet gelijk aan de opslagcapaciteit. De opslagcapaciteit is gekoppeld aan de beschikbare voorzieningen. Alleen bij een opslagcapaciteit groter dan 600 m3 moet het totaal volume worden gemeld. Dat is van belang omdat voor opslagen groter dan 600 m3 in het Besluit kwaliteit leefomgeving als standaardwaarde een grotere minimale afstand tot geurgevoelige gebouwen of locaties is opgenomen dan voor kleinere opslagen.
In het derde lid is geregeld dat de meldingsplicht ook geldt als bij het verrichten van de activiteit wordt afgeweken van eerder verstrekte gegevens en bescheiden. Met deze verplichting wordt bereikt, dat gegevens die het bevoegd gezag heeft actueel blijven, het bevoegd gezag voorafgaand aan de wijziging op de hoogte is en zo nodig actie kan ondernemen.
Uit het vierde lid volgt dat niet hoeft te worden gemeld als de activiteit vergunningplichtig is. Het bevoegd gezag beschikt dan via de aanvraag van de omgevingsvergunning al over de relevante informatie.
Artikel 4.837 (aanwijzing modules: bodembeschermende voorzieningen)
Tijdens het verrichten van een activiteit moet bodemverontreiniging zoveel mogelijk worden voorkomen. Bodemverontreiniging wordt voorkomen door de activiteit te verrichten boven een bodembeschermende voorziening en in aanvulling daarop maatregelen te nemen. Regels voor het bijhouden van keuringen, controles en onderhoud aan deze bodembeschermende voorzieningen en het bewaren van gegevens staan in de module bodembeschermende voorzieningen.
Artikel 4.838 (bodem: opslag)
Eerste lid
Dit artikel bevat regels voor bodembeschermende voorzieningen om te voorkomen dat vloeistoffen uit vaste mest, champost of dikke fractie in de bodem kunnen komen. Daarom moet de opslag plaatsvinden boven een aaneengesloten bodemvoorziening. Vloeistoffen die vrijkomen moeten worden opgevangen. Op die manier wordt voorkomen dat deze vloeistoffen af kunnen stromen naar een oppervlaktewaterlichaam of als puntbron in de bodem kunnen infiltreren.
Opvangen kan door directe afvoer naar een mestkelder of opvangvoorziening, maar een verdiepte of aflopende opslag mag ook als daarmee voldoende kan worden opgevangen. Onder de oude regels moest de opvangvoorziening voldoen aan BRL 2342. Die eis komt niet terug in dit besluit, omdat dit als een onnodig zware eis werd beschouwd.
Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 5 van de nitraatrichtlijn.
Als vaste mest, champost of dikke fractie niet meer dan zes maanden op één plek afgedekt wordt opgeslagen kan worden volstaan met de opslag op een laag die vrijkomende vloeistoffen kan absorberen. Hiervoor kunnen materialen als turf, koolzaad-, tarwe- en gerstestro worden gebruikt. De laag moet voldoende dik zijn. De absorberende laag wordt binnen zes maanden gelijktijdig met de vaste dierlijke meststoffen verwijderd. Deze laag opnieuw als absorberende laag gebruiken is niet toegestaan, omdat dit voor doorslag naar de bodem kan zorgen. De specifieke zorgplicht in artikel 2.11 verzet zich hiertegen. De opslag moet worden afgedekt zodat contact met het hemelwater voorkomen wordt en daarmee geen uitspoeling naar de bodem plaatsvindt. Als afdekking kunnen een overkapping, zeil of andere vormen van permanente bovenafdekking dienen.
Tweede lid
Voor gedroogde pluimveemest gelden iets afwijkende regels. Omdat de mest al gedroogd is, moet worden voorkomen dat deze nat wordt en weer extra emissie van ammoniak veroorzaakt. Pluimveemest moet daarom worden opgeslagen in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening en voldoende ventilatie. De ventilatie is bedoeld om te voorkomen dat condensatie en broei optreedt. Broei veroorzaakt extra emissies van ammoniak. Voorheen gold als eis dat het gebouw gesloten moest zijn. Deze eis is vervangen door de voorwaarde dat de pluimveemest moet zijn beschermd tegen weersinvloeden. Deze eisen voor pluimveemest zijn in lijn met de BREF intensieve pluimvee- en varkenshouderij.1.
Als de gedroogde pluimveemest elke twee weken wordt afgevoerd mag deze ook worden opgeslagen in een afgedekte container. Percolaatvorming en broei is dan namelijk niet aannemelijk en er zal dan geen bodemverontreiniging kunnen optreden. Voorts is de opslag van gedroogde pluimveemest toegestaan als deze op een voldoende dikke absorberende laag ligt, de opslag niet meer dan zes maanden duurt en de locatie tegen inregenen is beschermd.
Artikel 4.839 (water: lozingsroute)
Eerste lid
Artikel 4.839, eerste lid, geeft aan dat afvalwater als gevolg van het opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie wordt verspreid over landbouwgronden. Lozen op landbouwgronden, direct of indirect via lozen op de mestkelder, is toegestaan als er sprake is van gelijkmatige verspreiding over de landbouwgronden. Er is geen plicht om te lozen, wel om te lozen via de voorgeschreven route. Het gaat steeds alleen om ‘te lozen’ afvalwater; afvalwater kan natuurlijk ook worden afgevoerd naar een verwerker of opnieuw worden gebruikt. Hiermee is invulling gegeven aan artikel 5 en bijlage III (onder 1 en onder 3) van de nitraatrichtlijn.
Tweede lid
Als de specifieke omstandigheden van het geval daar aanleiding toe geven, kan bij maatwerkvoorschrift worden bepaald dat degene die de activiteit verricht via een andere lozingsroute mag lozen. Het bevoegd gezag dat het maatwerkvoorschrift stelt, kan een ander bevoegd gezag zijn dan het bevoegd gezag voor de controle op de naleving op het eerste lid. Lozen op landbouwgronden is een milieubelastende activiteit waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, maar de waterbeheerder kan bijvoorbeeld bepalen dat lozen in het oppervlaktewater is toegestaan, waardoor het lozen een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam wordt. De waterbeheerder kan het gebod om te lozen op landbouwgronden niet opheffen. In het tweede lid is daarom geregeld dat wanneer een alternatieve route via een maatwerkvoorschrift is toegestaan, het niet meer verplicht is gebruik te maken van de voorkeursroute, maar er wel nog gebruik van mag worden gemaakt. Dit lid is van overeenkomstige toepassing op vergunningvoorschriften.

Artikel 4.840 (water: riooltekening)
Artikel 4.840 regelt dat degene die de activiteit verricht een riooltekening beschikbaar moet hebben. Hoe die tekening vormgegeven is, is vrijgelaten. De essentie van deze tekening is dat het voor het bevoegd gezag duidelijk wordt hoe het rioolstelsel in elkaar zit en hoe de afvalwaterstromen lopen. Hiermee wordt de mogelijkheid van doelmatige controle van lozingen geborgd. De punten, genoemd onder a, zijn de punten waar het afvalwater voldoet aan de lozingseisen. De lozingsroutes, genoemd onder c, zijn de voorgeschreven lozingsroute, bedoeld in artikel 4.839, of in eventueel maatwerk.
Voetnoten
Reference Document on Best Available Techniques for Intensive Rearing of Pigs and Poultry (PbEU 2003, C 170).