Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.2.3.3
3.2.3.3 Machtiging of toestemming
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590643:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1:345 lid 2 jo art. 1:349 lid 1 BW geeft voor het minderjarigenbewind een afwijkende regeling.
Zie M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 519-520; Asser/Perrick 4* 2009, nr. 568; Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1174. Zie ook in het kader van art. 3:246 lid 2 BW, hierna nr. 200 en 725.
Zie hiervóór nr. 45. Zie bijvoorbeeld de machtiging die de curator behoeft alvorens in rechte op te treden (art. 68 lid 2 Fw en art. 72 Fw). Vergelijk ook de executeur en de vereffenaar die gehouden zijn tot overleg met de erfgenamen als zij goederen te gelde maken (art. 4:147 BW respectievelijk art. 4:215 BW) en de rekeninghouder van de kwaliteitsrekening die voor het verrichten van girale betalingen de toestemming van de belanghebbenden behoeft. Zie art. 25 lid 2 Wn; Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, p. 32; en Kamerstukken II 1995-1996,23 706, nr. 6, p. 45.
Dit geval dient te worden onderscheiden van het geval waarin de stille cedent de toestemming van de stille cessionaris behoeft om in rechte op te treden. Ontbreekt de toestemming dan ontbeert de stille cedent als lasthebber de bevoegdheid om in rechte op te treden. Zie HR 14 januari 2011, JIN 2011/241 (Mesdag), m.nt. J.W.A. Biemans en zie hiervóór nr. 45.
Zie ook hierna nr. 200 en 725.
74. Bij het meerderjarigenbewind en de regeling van het bewind in titel 3.6 Ontw.BW kan de bewindvoerder, alvorens in rechte op te treden, zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende (en bij testamentair bewind door degenen in wier belang het bewind uitsluitend of mede is ingesteld) of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter (art. 1:443 BW, art. 4:173 BW en art. 3.6.1.6. Ontw. BW). De bewindvoerder is hiertoe niet verplicht. Het ontbreken van de machtiging doet niets af aan zijn bevoegdheid tot het in rechte vorderen van nakoming. Ook als de machtiging ontbreekt, dient de bewindvoerder ontvankelijk te worden verklaard.1 De machtiging is alleen bedoeld ter voorkoming van latere discussies met de rechthebbende (en eventuele belanghebbenden) over de vraag of de bewindvoerder door te procederen tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder, dus ter voorkoming van een aansprakelijkheidstelling.2 De toestemming of de machtiging vrijwaart niet tegen de gevolgen van het maken van fouten tijdens het proces.3
Het zekerheidshalve vragen van toestemming door de bewindvoerder zoals hiervoor omschreven, dient te worden onderscheiden van de gevallen waarin een derde toestemming behoeft voordat hij een rechtshandeling kan verrichten.4
75. Is de stille cedent krachtens lastgeving inningsbevoegd, dan kan hij om aansprakelijkheid te vermijden voor bepaalde rechtshandelingen eerst de toestemming van de stille cessionaris vragen, bijvoorbeeld alvorens in rechte op te treden.5 Het is de toepassing van een breder beginsel dat aan het privaatrecht ten grondslag ligt. Het verlenen van toestemming door de rechthebbende aan een derde die ten aanzien van zijn goed een rechtshandeling verricht, ontneemt daaraan de eventuele onrechtmatigheid of schending van een (zorg)verplichting ten aanzien van het goed.6