Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.2.3.5
3.2.3.5 Faillissement en inningsbevoegdheid van de derde
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS590642:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN), m.nt. WMK; HR 22 juni 2007, NJ 2007,520 (ING/Verdonk q.q.), m.nt. P. van Schilfgaarde; en HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen.
Zie HR 22 juni 2007, NJ 2007, 520 (ING/Verdonk q.q.), m.nt. P. van Schilfgaarde; en HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen. De curator is binnen deze termijn ook niet bevoegd om de schuldenaar te instrueren op een andere rekening te betalen. Zie HR 30 oktober 2009, NJ 2010, 96 (Hamm q.q./ABN Amro), m.nt. F.M.J. Verstijlen; Bartels 2007b, p. 974, noot 10 en Biemans 2008, par. 3.2. Bevinden stil verpande vorderingen zich in een nalatenschap ten aanzien waarvan een executeur of vereffenaar bevoegd is, dan geld en n.m.m. dezelfde regels als in faillissement.
Vgl. een privatieve last tot inning, Kamerstukken II 1991-1992, 17 779, nr. 8, p. 8-9. Zie voor de bewijslastverdeling tussen schuldenaar en lasthebber, HR 1 december 2000, NJ 2001, 45 (TTS/Sigillo ); en Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV* 2009, nr. 292. Zie voorts J.J. van Hees 1999.
Zie in dezelfde zin ten aanzien van een gefailleerde bewindvoerder en een gefailleerde rekeninghouder van een notariële kwaliteitsrekening, Struycken 2007, p. 534.
Zie Biemans 2008, par. 3.2. Zie voor de bevrijdende betaling van de schuldenaar in faillissement van de stille cedent, hierna nr. 588. Zie voor de aansprakelijkheid van de curator van de stille cedent bij actieve inning, hierna nr. 725 en vergelijk ook nr. 677 en 682.
Ten onrechte anders: Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 13.
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3. Zie ook H.J. Snijders in zijn noot onder HR 24 maart 1995, NJ 1996, 447 (Jahn/Nask).
Zie Kamerstukken I 2003-2004, 28 878, nr. C, p. 3.
Zie Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 5, p. 13-14 (onder nr. 10). Zie ook Kamerstukken II 2003-2004, 28 878, nr. 3, p. 4.
78. In het faillissement van de pandgever kan de pandhouder mededeling doen en de inningsbevoegdheid naar zich toe trekken. De curator is tot dat moment bevoegd om de stil verpande vordering te innen.1 Het staat de curator evenwel niet vrij om de bevoegdheid van de stille pandhouder tot het doen van mededeling en de inning van de vorderingen te frustreren door zijnerzijds aanstonds aan de schuldenaren van de stil verpande vorderingen mee te delen dat zij de stil verpande vorderingen op de rekening van de boedel moeten voldoen, of meer in het algemeen tot 'actieve' inning van de vorderingen over te gaan. Bij een professionele stil pandhouder als een bank is het voldoende dat de curator een redelijke termijn van veertien dagen in acht neemt. In die periode kunnen de stil pandhouder en de curator in over leg treden over de inning van de vorderingen.2
79. In het faillissement van de stille cedent als lastgever eindigt de lastgeving van rechtswege (art. 7:422 lid 1 sub b BW).3 Tenzij de stille cessionaris een last tot inning verstrekt aan de curator, is de curator evenmin inningsbevoegd. De stil gecedeerde vordering valt immers niet in de faillissementsboedel, waardoor de curator ten aanzien van de vordering niet bevoegd is tot het beheer en de vereffening daarvan (art. 68 Fw).4 De rechtsregel van het arrest ING/Verdonk inzake de termijn waarbinnen de curator zich dient te onthouden van (actieve) inning, is op de stille cessie daarom in het geheel niet van toepassing.5 Als de stille cessionaris een privatieve last tot inning heeft verstrekt aan de stille cedent, wordt de stille cessionaris door het faillissement zelf inningsbevoegd. De stille cessionaris blijft in faillissement (net als de stille pandhouder)6 bevoegd om mededeling te doen aan de schuldenaar van de stille cessie. Mocht de stille cessionaris in staat van faillissement verkeren, dan kan diens curator mededeling doen en de vordering innen.7 Wordt door de stille cessionaris of diens curator betaling verlangd, dan zal daarin een mededeling van de cessie besloten liggen.8
Ook de Minister is van mening dat de stille cedent en diens curator in faillissement niet inningsbevoegd zijn, en dat de stille cessionaris in faillissement mededeling kan doen:
"De cedent verliest door de faillietverklaring de bevoegdheid om betaling van de overgedragen vorderingen te ontvangen. Ook de curator is daartoe niet bevoegd, nu de overgedragen vorderingen niet in de boedel vallen. De schuldenaar die zich van de cessie en het faillissement bewust is, zal de betaling kunnen opschorten op grond van artikel 6:37. De cessionaris kan vervolgens alsnog de cessie aan de schuldenaren mededelen en de betreffende vorderingen zelf innen. Het faillissement staat daaraan niet in de weg, nu die vorderingen niet tot de boedel behoren."9
De uitkomst van de opvatting van de Minister is naar mijn mening juist. Zijn opvatting staat evenwel haaks op zijn stand punt dat voor de rechtsgevolgen van de stille cessie zoveel mogelijk aansluiting moet worden gezocht bij de stille verpanding, en dat de stille cedent zijn inningsbevoegdheid ontleent aan de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW. Het bevestigt de onhoudbaarheid van zijn opvattingen in deze. Voor het verlies van de inningsbevoegdheid van de gefailleerde stille cedent biedt de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW geen verklaring. De vergelijking met de stille verpanding biedt evenmin een verklaring waarom de curator van de stille cedent niet inningsbevoegd is. Integendeel: de curator zou op grond daarvan juist inningsbevoegd moeten blijven. Anders dan de stille pandgever is de stille cedent echter een derde ten opzichte van de vordering en is zijn curator daarom niet inningsbevoegd ten aanzien van de stil gecedeerde vordering.
De stille cessie is in dit opzicht beter te vergelijken met de onderbewindstelling van een vordering. Als de bewindvoerder failliet wordt verklaard, eindigt zijn taak en daarmee zijn inningsbevoegdheid (zie o.a. art. 1:448 lid 1 sub c BW; art. 4:149 lid 1 sub c BW).