Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.5.3
9.3.5.3 De 403-vordering als bestaande vordering onder opschortende voorwaarde
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648901:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer HR 26 maart 1982, NJ 1982/615 en HR 30 januari 1987, NJ 1987/530.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2012, nr. 241-243. Wanneer aan een vordering een opschortende tijdsbepaling is verbonden, betekent dit niet meer en niet minder dan dat er een termijn is bepaald voor de nakoming van een – reeds bestaande – vordering. De nakoming van de vordering wordt opgeschort, niet het ontstaan van de vordering zelf. Zie ook 6:39 BW. Belangrijk daarbij is dat slechts van een tijdsbepaling kan worden gesproken wanneer zeker is dat het aangegeven toekomstige tijdstip zal aanbreken, ongeacht of onduidelijk is wanneer dit het geval zal zijn.
Wanneer de werking van de verbintenis aanvangt na het plaatsvinden van een gebeurtenis, is sprake van een opschortende voorwaarde. Artikel 6:22 BW bepaalt:
Artikel 6:22 BW
Een opschortende voorwaarde doet de werking der verbintenis eerst met het plaatsvinden der gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden der gebeurtenis vervallen.
Hieruit vloeit voort dat slechts de werking van een reeds bestaande verbintenis door een opschortende voorwaarde wordt opgeschort. Tot het moment waarop de voorwaarde in vervulling is gegaan, bestaat de verbintenis al wel. Indien deze verbintenis onder opschortende voorwaarde een vorderingsrecht creëert, wordt gezegd dat het vorderingsrecht evenals de verbintenis reeds bestaat,1 ook al is de opschortende voorwaarde nog niet in vervulling gegaan. Een vordering onder een opschortende tijdsbepaling2 of onder een opschortende voorwaarde is een bestaande vordering. Bij een 403-vordering zou gedacht kunnen worden dat het aansprakelijk stellen van de consoliderende rechtspersoon door de schuldeiser als opschortende voorwaarde heeft te gelden.
Artikel 6:21 BW lijkt echter uit te sluiten dat een 403-vordering als een voorwaardelijke vordering kan worden beschouwd. Artikel 6:21 BW bepaalt:
Artikel 6:21 BW
Een verbintenis is voorwaardelijk, wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld.
Het moet gaan om een onzekere gebeurtenis, dat wil zeggen een gebeurtenis die niet door partijen kan worden ingeroepen. In een 403-verklaring wordt de werking van de verbintenis die uit de aansprakelijkheidsverklaring voortvloeit niet afhankelijk gesteld van een toekomstige onzekere gebeurtenis die niet afhankelijk is van de wil van partijen.