Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.8.1.1:7.8.1.1 Walkovszky v. Carlton
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/7.8.1.1
7.8.1.1 Walkovszky v. Carlton
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403501:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Walkovszky v. Carlton, 223 N.E.2d 6 (N.Y. 1966).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In één van de meest besproken zaken in het Amerikaanse ondernemingsrecht trachtte een onvrijwillige crediteur van een ondergekapitaliseerde vennootschap door te breken naar haar aandeelhouder en zustervennootschappen.1 Carlton exploiteerde een taxibedrijf dat hij had ondergebracht in tien verschillende vennootschappen, waarbij iedere vennootschap eigenaar was van twee auto’s. Elke vennootschap beschikte over de wettelijk verplichte minimum verzekering en had als enig actief op haar balans de twee taxi’s. De vennootschappen waren minimaal gekapitaliseerd en al hun winsten werden direct door de aandeelhouder onttrokken. Walkovszky was aangereden door één van de taxi’s en trachtte de vennootschap die de betreffende taxi exploiteerde, alsmede haar zustervennootschappen die tot dezelfde onderneming behoorden en haar aandeelhouder Carlton, aan te spreken voor zijn schade. De door de vennootschap afgesloten verzekering dekte de schade slechts tot een bedrag van 10.000 dollar.
Het New York Court of Appeals stelde vast dat de verschillende vennootschappen één onderneming vormden en dat zij ook als zodanig werden aangestuurd op het gebied van financiering, reparaties en werknemers. Vervolgens overwoog het Court echter dat er een belangrijk verschil was tussen de eventuele aansprakelijkheid van aandeelhouder Carlton en die van de zustervennootschappen:
“[I]t is one thing to assert that a corporation is a fragment of a larger corporate combine which actually conducts the business. It is quite another to claim that the corporation is a ‘dummy’ for its individual stockholders who are in reality carrying on the business in their personal capacities for purely personal rather than corporate ends. Either circumstance would justify treating the corporation as an agent and piercing the corporate veil to reach the principal but a different result would follow in each case. In the first, only a larger corporate entity would be held financially responsible, while in the other, the stockholder would be personally liable. Either the stockholder is conducting the business in his individual capacity or he is not. If he is, he will be liable; if he is not, then it does not matter – insofar as his personal liability is concerned – that the enterprise is actually being carried on by a larger ‘enterprise entity’.”
Het Court of Appeals concludeerde dat in casu onvoldoende omstandigheden aanwezig waren om Carlton aansprakelijk te achten. Daartoe overwoog het Court dat doorbraak niet kan volgen uit het feit dat Carlton zijn onderneming had opgesplitst in meerdere (ondergekapitaliseerde) entiteiten. Dit was normaal gebruik in de taxisector en duidde niet op oneigenlijk gebruik van de beperkte aansprakelijkheid. Het Court of Appeals overwoog vervolgens dat het niet aan de rechter, maar aan de wetgever was om voorwaarden te verbinden aan de oprichting van een kapitaalvennootschap. Nu Carlton aan deze voorwaarden had voldaan en tevens de wettelijk verplichte verzekeringen had afgesloten, mocht hem de bescherming van de beperkte aansprakelijkheid niet ontnomen worden.
Zo overwoog het Court of Appeals: “[T]he responsibility for imposing conditions on the privilege of incorporation has been committed by the Constitution to the Legislature and it may not be fairly implied, from any statute, that the Legislature intended, without the slightest discussion or debate, to require of taxi corporations that they carry automobile liability insurance over and above that mandated by the Vehicle and Traffic Law.”
In zijn dissenting opinion gaf rechter Keating te kennen een ander oordeel te zijn toegedaan. Zijns inziens kon het nimmer de bedoeling van de wetgever zijn geweest om ondernemers in staat te stellen op deze manier de risico’s van hun onderneming te beperken. Met de verplichte minimum verzekering van 10.000 dollar beoogde de wetgever slechts een minimale genoegdoening te bewerkstelligen voor de onvrijwillige crediteur van die ondernemingen die onvoldoende financiering konden aantrekken om de vordering te voldoen. Het was volgens Keating niet de bedoeling van de wetgever om bescherming te bieden aan personen die hun onderneming op deze wijze vormgaven met het oogmerk om verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid te ontlopen, terwijl de onderneming genoeg winsten genereerde om passende verzekeringen af te sluiten. Zijns inziens was doorbraak op zijn plaats nu de vennootschap zodanig financieel was uitgerust dat deze niet aan haar voorzienbare verplichtingen zou kunnen voldoen:
“What I would merely hold is that a participating shareholder of a corporation vested with a public interest, organized with capital insufficient to meet liabilities which are certain to arise in the ordinary course of the corporation’s business, may be held personally responsible for such liabilities. Where corporate income is not sufficient to cover the cost of insurance premiums above the statutory minimum or where initially adequate finances dwindle under the pressure of competition, bad times or extraordinary and unexpected liability, obviously the shareholder will not be held liable.” (Onderstr. JB)