Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.3.2.2
2.3.2.2 De situatie sinds de eenentwintigste eeuw
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232338:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nog in 1989 gaf de deelstaat Niedersachsen uitdrukkelijk te kennen dat geen recht op Genehmigung bestond, Reinhard Nissel, Das neue Stiftungsrecht, Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft 2002, Rn 90.
Zie Dominique Jakob, Schutz der Stiftung (Jus Privatum 111), Tübingen: Mohr Siebeck 2006, p. 108, waar ook blijkt dat dit recht niet door iedereen werd aangenomen. Volgens de Bund-Länder-Arbeitsgruppe Stiftung, bestond een niet in de wet vastgelegd recht op Genehmigung, Bericht der Bund-Länder-Arbeitsgruppe Stiftungsrecht vom 19. Oktober 2001, p. 26. Zie over de ontwikkeling, Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, Vorbemerkungen zu §§ 80 bis 88, Rn 20-31.De gedachte dat rechtspersoonlijkheid slechts kan worden toegekend door de staat had ook in Nederland aanhangers. In Van Lanschot 1858, p 22, lezen wij: ‘Zoo kan evenmin het ontstaan van een rechtspersoon van private willekeur afhangen als b.v. het opnemen van eenen vreemde onder de burgers. Het hoogste gezag, dat den Staat vertegenwoordigt, zal zijne toestemming moeten geven, als er nieuwe bestanddeelen d.i. nieuwe subjecten van rechten in de Staat worden aangenomen.’
Bundesverwaltungsgericht 22 september 1972, BVerwG VII C 27.71. Ook voor Nederland geldt dat de grondrechten ook voor rechtspersonen gelden, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/61. In België geniet een rechtspersoon die grondrechten die bij de aard van een rechtspersoon passen, Van Gerven 2007, nr. 28.
Hof in v.Campenhausen/Richter 2014 § 10 Rn 3.
Wet van 15 juli 2002, BGBI I, 2634, in werking getreden op 1 september 2002.
v.Campenhausen/Stumpf in v.Campenhausen/Richter 2014 § 3 Rn 9; Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, Vorbemerkungen zu §§ 80 bis 88, Rn 16; Ingo Saenger & Ingo Arndt, ‘Reform des Stiftungsrechts: Auswirkungen auf unternehmensverbundene und privatnützige Stiftungen’, ZRP 200,13, onder verwijzing naar BVerwG 22 september 1972, BVerwG VII C 27.71.
Welk orgaan precies bevoegd is, is bepaald in de afzonderlijke stichtingswet van de respectieve deelstaten.
MüKoBGB 2013 Reuter § 80 Rn 75 e.v.; Bernd Andrick & Joachim Suerbaum, ‘Das Gesetz zur Modernisierung des Stiftungsrechts’, NJW 2002, 2905.
In het vorige onderdeel schreef ik dat voor de oprichting van een stichting in Duitsland Genehmigung van de overheid vereist was. Of Genehmigung werd verleend, was tot 2002 afhankelijk van de betreffende deelstaat. De deelstaten hadden op dit gebied een eigen discretionaire bevoegdheid en maakten van deze vrijheid ook dankbaar gebruik.1 In de loop der jaren is echter de mening ontstaan dat Genehmigung een recht was indien aan de wettelijke eisen werd voldaan.2 Dit betrof echter een langdurige ontwikkeling. In 1973 erkende de rechter dat ook stichtingen Grundrechte hebben.3 Het gevolg van deze ontwikkelingen was dat het toezicht op stichtingen zuiver juridisch van aard werd.4 Pas bij de wetswijziging van 20025 is de Genehmigung komen te vervallen en vervangen door de voor de gehele Bondsrepubliek geldende Anerkennung.
De rechtscheppende taak van de deelstaten is met de wetswijziging uit 2002 geëindigd en de stichtingswetgeving van de individuele deelstaten ziet thans nog uitsluitend op het toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen van het stichtingenrecht6 en het verlenen van de Anerkennung.7 Hoewel de oprichting van een stichting wettelijk erkend is als een grondrecht, is Anerkennung, net als voordien de Genehmigung, een constitutief vereiste voor het ontstaan van een stichting.8