Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.3.1:IX.3.1 Twee dimensies
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/IX.3.1
IX.3.1 Twee dimensies
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS595144:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor nadere bespreking van conceptuele indelingen § III.1.
Vgl. § I.2; § III.1.
Vgl. § II.11; § III.1.
§ III.3.2; § V.6.
§ III.3.3; § V.8.
§ III.3.2; § V.7.
Hfdst. III, i.h.b. § 3.3; § V.8.
§ IV.2.4.
§ IV.4.1.1.
§ IV.4.1.5-4.1.6.
Zie hfdst. II, i.h.b. § 11.
§ IV.4.4; § VI.3.2.
Zie § IV.4.3; § VI.2.1 en hierna § IX.6.2.
Zie met name § V.9§ VI.10.
Zie de conclusies van hoofdstukken V (§ 9) en VI (§ 10) en de daar gesignaleerde verschillen tussen de internationale rechtsbronnen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de inleiding op dit boek signaleerde ik dat het tot op heden moeilijk is gebleken op de inhoud van de onschuldpresumptie grip te krijgen en haar op een coherente manier te omschrijven. Pogingen daartoe kennen verschillende beperkingen. Zij die tot een heldere en samenhangende formulering van de onschuldpresumptie als één beginsel komen, oriënteren zich veelal op één of meerdere nationale rechtsstelsels, die ófwel op Angelsaksische leest geschoeid zijn, ófwel een Europees-continentale achtergrond hebben. Waar dat niet het geval is, blijkt het eenvormige beginsel te berusten op een sterk normatief idee van wat als de ‘kern’ van de onschuldpresumptie moet worden beschouwd, zonder dat overtuigend wordt onderbouwd waarom andere wezenlijke aspecten van de tot het internationaal recht behorende uitleg van de onschuldpresumptie daartoe niet behoren. Bij mijn weten is er niemand in geslaagd de onschuldpresumptie te vatten in één grondgedachte of één fundamenteel belang, zonder aan wezenlijke aspecten van het positieve recht en de historische ontwikkeling ervan tekort te doen.1
Zij die zich hebben ingespannen de volledige positiefrechtelijke werking van de onschuldpresumptie voor te stellen, komen dan ook tot een verzameling van deelaspecten. Die onderverdelingen zijn vaak niet meteen overtuigend. Net als de hiervoor genoemde, meer normatieve omschrijvingen bevatten zij hiaten, waardoor zij de praktische werking van het onschuldvermoeden niet volledig verklaren. Een tweede moeilijkheid is dat deelaspecten soms in wezenlijke mate overlappen. Door ze niettemin als separate onderdelen van het beginsel te presenteren, verdwijnt uit het zicht dat zij in nauwe samenhang met elkaar opereren en/of dat de erachter schuilgaande argumenten corresponderen. Ten derde roept de splitsing in deelaspecten de vraag op wat die deelaspecten nu met elkaar verbindt.2
De voorgaande hoofdstukken hebben duidelijk gemaakt dat coherente formulering van het beginsel niet eenvoudig is. Bij de conceptuele ontrafeling van de onschuldpresumptie heb ik mij aan het onderscheiden van deelaspecten niet kunnen onttrekken. Het gehanteerde onderscheid tussen een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie, dringt zich bij analyse van de historische ontwikkeling van het beginsel reeds op en vormde een rode draad door dit boek. De bewijsdimensie krijgt veel nadruk in de op Angelsaksische leest geschoeide strafrechtsstelsels. De behandelingsdimensie is van oudsher vooral op het Europese vasteland van gewicht.3 Deze beide dimensies zijn ieder samen te vatten in één eenduidige grondgedachte en vallen uiteen in nadere normen.
De bewijsdimensie laat zich samenvatten als de idee dat een strafrechtelijke veroordeling alleen kan volgen op het door de overheid geleverde bewijs waaruit met een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid valt te concluderen dat de verdachte de hem verweten gedraging heeft begaan. Hieruit is een viertal (sub)normen af te leiden. Ten eerste dient de rechter daadwerkelijk open te staan voor de mogelijke onschuld van de verdachte. Dat betekent dat hij in zijn onderzoek strikte neutraliteit in acht moet nemen; niet alleen mag hij de verdachte niet als schuldige bejegenen, maar hij mag die schuld evenmin op voorhand als vaststaand aannemen. Alleen door inachtneming van dit uitgangspunt kunnen de overige normen van de bewijsdimensie effectief functioneren.4 Ten tweede rust het bewijsrisico op de overheid. Acht de rechter schuld noch onschuld bewezen, dan beslist hij ten gunste van de verdachte.5 Bij het aannemen van dat bewijs geldt daarnaast – ten derde – een strenge bewijsmaatstaf; iedere redelijke twijfel is afdoende om het bewijs op losse schroeven te zetten en noopt daarmee tot een voor de verdachte gunstige beslissing.6 Ten vierde rust ook de bewijsvoeringslast in beginsel op de overheid. Het is primair de overheid die het bewijs dient aan te dragen. Op die regel kent ieder strafrecht overigens uitzonderingen, maar bij de formulering van dergelijke excepties dient de wetgever of rechter bedacht te zijn op de gevolgen daarvan voor de verhouding tussen de strafvorderlijke overheid en de verdachte burger en voor het die laatste toekomende zwijgrecht.7
De behandelingsdimensie houdt kort gezegd in dat de vaststelling van de schuld van de verdachte is voorbehouden aan de daartoe bevoegde autoriteit in een daartoe bestemde procedure en dat bejegening als schuldige tot aan die vaststelling ontoelaatbaar is.8 Daarbij heb ik onderscheiden tussen verbale en non-verbale bejegeningswijzen. Van verbale bejegeningswijzen, of zij nu gesproken of geschreven zijn, is doorgaans rechtstreeks vast te stellen of zij een bejegening als schuldige opleveren. Dat is het geval wanneer onvoldoende ruimte wordt gelaten voor de mogelijkheid dat de verdachte het strafbare feit niet (strafbaar) heeft begaan. Voor non-verbale behandeling ligt dit anders. De gevolgen van een bejegeningswijze kunnen weliswaar groot zijn, maar indiceren op zichzelf zelden of nooit een schuldoordeel.9 De redenering die tot de bejegeningswijze aanleiding geeft, de ratio ervan, is daarom beslissend. Gronden voor de bejegeningswijze die zich alleen door de schuld van de verdachte laten rechtvaardigen en niet ook onafhankelijk daarvan hun waarde hebben, conflicteren met de behandelingsdimensie. Daarbij is vooral te denken aan de vergelding en de normbevestiging als vorm van generale preventie. Voorts schrijft de behandelingsdimensie voor dat inbreuken op de rechten van het individu niet rücksichtslos plaatsvinden, maar dat daaraan telkens een indringende proportionaliteits- en subsidiariteitsafweging voorafgaat, waarbij de rechten van de verdachte niet worden gewogen als die van een schuldig individu.10
Schematisch komt een en ander op het volgende neer:
Het bovenstaande geeft overzichtelijk weer welke dimensies en (sub)normen uit de onschuldpresumptie voortvloeien. Voor deze conceptualisering pleit het een en ander. De hantering van twee dimensies sluit aan op de historisch gezien tamelijk gesegregeerde ontwikkeling van het beginsel in de bewijsrechtelijke sfeer en als bejegeningsvoorschrift.11 Zij zijn niet alleen in verschillende historische perioden tot ontwikkeling gekomen, maar voor beide zijn tevens uiteenlopende grondslagen aanwijsbaar en de eruit voortvloeiende nadere normen zijn andere, die bovendien ook een andere werkingssfeer hebben. De bewijsdimensie heeft betrekking op een afgebakend aspect van het strafproces, terwijl de behandelingsdimensie zich over het gehele strafproces uitstrekt. De bewijsdimensie richt zich voorts uitsluitend tot de procesactoren, en in het bijzonder tot de zittingsrechter. De behandelingsdimensie bindt daarentegen alle overheidsinstanties en heeft ook in horizontale rechtsbetrekkingen tussen particulieren tot op zekere hoogte betekenis.12 Beide brengen eigen dilemma’s met zich. Zo is de vraag of alleen verdachten of ook niet-verdachten en gewezen verdachten zich op de onschuldpresumptie kunnen beroepen louter van belang voor de werking van de behandelingsdimensie.13 Ook de verhouding tussen de onschuldpresumptie en het recht op een eerlijk proces is niet voor beide dimensies dezelfde. De bewijsdimensie is procedureel van aard en onderdeel van een eerlijke strafprocedure. De behandelingsdimensie kan ten dele zo worden beschouwd, maar is daarnaast te begrijpen als recht op een eerlijke procedure, nu het de wijze waarop een niet-veroordeelde moet worden bejegend, reguleert tot aan zijn veroordeling. Voor het onderscheiden van beide dimensies bestaat dus goede reden.
De hiervoor beschreven gelaagde structuur, waarin de diverse (sub)normen in de sfeer van één van beide dimensies vallen, maakt daarnaast de onderlinge samenhang tussen die nadere normen binnen één dimensie zichtbaar. De uit dezelfde dimensie voortvloeiende normen delen een gezamenlijke historie en hun bestaan rust op collectieve argumenten. Zowel de dimensies als de (sub)normen vinden in het positieve internationale recht bovendien in ruime mate bevestiging. Op dat abstractieniveau zijn de internationale rechtsbronnen ook ten opzichte van elkaar tamelijk consistent.14 Bovendien bestaat tussen de dimensies en daaruit voortvloeiende normen onderling slechts minimale overlap. Zij blijken goed van elkaar te onderscheiden. De concretisering van deze normen in direct toepasbare rechtsregels is uitvoerig aan bod gekomen in de hoofdstukken V en VI. Op dat concretere niveau is de werking van het beginsel echter minder eenduidig, onder meer doordat rechtsregels niet alleen aan de onschuldpresumptie uitdrukking geven, maar ook andere belangen verdisconteren.15 Dat pleit tegen verdere concretisering van de hierboven beschreven conceptuele definitie van de onschuldpresumptie.
De hier beschreven interpretatie van de onschuldpresumptie roept twee belangrijke vragen op. Deze liggen voor de hand, te meer daar ik gelijksoortige constateringen over andere literatuur als een ogenschijnlijk gebrek in de uitleg van de onschuldpresumptie heb aangemerkt. Ten eerste komt de erkenning van een bewijsdimensie en een behandelingsdimensie er in feite op neer dat de onschuldpresumptie uit twee beginselen bestaat. Het onderlinge verband daartussen is onduidelijk. Wat verbindt deze twee en zijn zij tot één presumptie van onschuld te herleiden? Ten tweede verklaren ook bovenstaande normen niet de gehele positiefrechtelijke uitwerking van de onschuldpresumptie. De bijzondere, aanvullende bescherming van vrijspraken die het EHRM uit de presumptie van onschuld afleidt, valt buiten dit kader. Op beide punten ga ik nader in.