Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.2.2.c.iii
7.2.2.c.iii Enkele misvattingen over <geenverwijzing>art. 14bisgeenverwijzing>
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS461647:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een derde denkfout is dat deze bepaling een Gesamtverweisung (naar de lex loci protectionis dan wel de lex fori) zou inhouden; in deze zin Drobnig 1976, p. 199; Schack 1979, p. 45; Siefarth 1991, p. 95; Van Eechoud 2003, p. 116; Schack 2007, p. 459. De Berner Conventie kent echter geen Gesamtverweisungen, zie par. 5.3.2 onder (b)(iii).
Dat gebeurt vanuit uiteenlopende invalshoeken: (i) Dietz ziet er bijvoorbeeld een eenzame uitzondering in op het — door hem in de conventie ontwaarde — verdragsautonome auteursbegrip (Dietz 1993, p. 29 e.v., zie alinea 963 hiervoor; vgl. ook Ricketson 1992, p. 14 e.v.). (ii) Anderen menen dat het hier sprake is van een uitzondering omdat de conventie in hun ogen de subject-vraag voor het overige geheel onregeld laat (ook in conflictenrechtelijk opzicht), zie bijvoorbeeld Ginsburg 1999, p. 354; Carrascosa González 2004, p. 116; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 1316-1317. (iii) Quaedvlieg 1997, p. 155 e.v. ten slotte lijkt andersom te redeneren door te pleiten voor extrapolatie van de lex loci protectionis-verwijzing in art. 14bis lid 2 onder a tot een algemene conflictregel voor de subject-bepaling, die ook voor andere werken dan alleen cinematografische werken geldt.
Met name door Ginsburg, zie Ginsburg 1999, p. 353-354 en Ricketson & Ginsburg 2006, p. 1316-1317.
Zie alinea 980 hiervoor.
Actes BC 1967, p. 127-128 (Doc. S/1, p. 57-58; voorstel Zweden en Bureau). De bepaling was eigenlijk overbodig, maar werd zekerheidshalve voorgesteld om duidelijk te maken dat de auteur van een cinematografische werk óók de rechten genoot waarnaar werd verwezen.
Actes BC 1967, p. 128 (Doc. S/1, p. 58; voorstel Zweden en Bureau), zie ook de aldaar genoemde travaux préparatoires.
Actes BC 1967, p. 1179, nr. 287-288 (Report Main Committee I).
Dietz 1993, p. 31-33 tracht de opmerking over het Britse voorstel te ontkrachten met de stelling dat het uiteindelijke art. 14bis niet de beloofde duidelijkheid heeft gebracht. Daargelaten of men de bepaling al dan niet duidelijk vindt, gaat Dietz aldus voorbij aan hetgeen de verdragsopstellers voorop stelden, namelijk dat de conventie altijd al op genoemde manier is opgevat. Zouden de verdragsopstellers in de uiteindelijke bepaling van die gevestigde en door henzelf tijdens de conferentie bevestigde visie hebben willen afwijken, dan zou die koerswijziging toch op zijn minst in de travaux préparatoires c.q. het Rapport moeten zijn besproken. Dat is niet het geval.
Dat art. 14bis lid 2 onder b elders over spreekt over de auteurs (die bijdragen hebben geleverd aan de totstandkoming van het cinematografische werk) is verklaarbaar: deze bepaling richt zich immers tot de schepper-landen. Vgl. ook Quaedvlieg 1997, p. 156 1.k.
Actes BC 1967, p. 128 (Doc. S/1, p. 58; voorstel Zweden en Bureau).
Ricketson & Ginsburg 2006, p. 388.
Zie bijvoorbeeld Strowel 1993, p. 387; Ginsburg 1986, p. 27; Ginsburg 1999, p. 354; Ricketson & Ginsburg 2006, p. 1316-1317, die allen a contrario redeneringen bouwen op art. 14bis.
1018. Denkfouten. Ironisch genoeg heeft deze bepaling echter juist veel onduidelijkheid veroorzaakt — een fenomeen dat wij in de geschiedenis van de Berner Conventie al vaker hebben gezien. In de kern genomen worden er in dit verband twee denkfouten gemaakt.1
1019. Denkfout 1: uitzondering. In de eerste plaats beschouwen sommige auteurs — vanuit uiteenlopende invalshoeken — artikel 14bis lid 2 onder a als een uitzonderingsgeval.2 Dat deze bepaling echter geen uitzondering is, maar een herhaling van de hoofdregel, is zojuist uiteengezet.
1020. Denkfout 2: terminologie. In de tweede plaats wordt een enkele keer uit artikel 14bis een tegenstelling tussen auteur en rechthebbende afgeleid.3 In dat verband wordt gewezen op het lid 1, waarin wordt bepaald dat de 'rechthebbende' op het auteursrecht op het cinematografische werk dezelfde rechten geniet als de `auteur' van een oorspronkelijk werk. Voorts wordt gewezen op de bepaling van lid 2 onder b, waarin de beide termen eveneens figureren.
1021. Op het eerste gezicht bevreemdt de woordkeus van artikel 14bis. Het zou consistenter zijn geweest om de term 'auteur' te bezigen, en niet de term 'rechthebbende' in te voeren. Inhoudelijk kent de conventie, zoals we al eerder zagen, echter geen verschil tussen beide termen. Zij zijn uitwisselbaar.4 Voor het cinematografische werk is dit niet anders. Het was de Stockholmse verdragsopstellers immers niet om de subject-vraag te doen, het ging hen alleen om de introductie van het legitimatie-vermoeden. De subject-vraag werd door hen niet anders beantwoord dan ten aanzien van andere werken (en ten aanzien van cinematografische werken vóór de Stockholmse tekst, toen de conventie nog gewoon uitging van de `auteur' van het cinematografische werk!). Dit blijkt ook uit de Stockholmse travaux préparatoires. Zo werd in het voorstel van de Zweedse gastheren en het Bureau van de Berner Unie een bepaling voorgesteld, die uiteindelijk in artikel 14bis lid 1 zou worden opgenomen. Het voorstel luidde als volgt:
"L'auteur de l'ceuvre cinématographique jouit des mêmes droits que l'auteur d'une ceuvre originale, y compris les droits visés à l'alinéa précédent."5
1022. In het voorstel werd dus niet over de 'rechthebbende', maar over "l'auteur de Pceuvre cinématographique" gesproken. In de toelichting wordt in dit verband uitdrukkelijk opgemerkt dat de Unielanden vanzelfsprekend vrij zijn om de producent als 'auteur' aan te merken:
"La question de savoir si les Pays de l'Union peuvent traiter comme auteurs les producteurs d'ceuvres cinématographiques a, comme mentionné lors des travaux préparatoires, été laissée ouverte dans le texte de la Convention. Les Pays sont donc entièrement libres à cet égard. En établissant le Programme de la Conférence, il a été jugé superflu de l'indiquer par wie disposition expresse."6
1023. Ook tijdens de conferentie was men het hier over eens. Het Verenigd Koninkrijk had nog voorgesteld om een zinsnede op te nemen "to the effect that the countries of the Union should be free to treat the maker of a cinematografic work as its author." Maar zo'n zinsnede werd overbodig geacht. In het rapport van Main Committee I wordt opgemerkt dat de conventie altijd al op die manier is opgevat:
"As regards the United Kingdom proposal, it was agreed that it was not necessary to insert the proposed sentence, as it was generally admitted that the Convention had always been interpreted in the marmer suggested in that proposal, and as the situation would be clarified in the proposed new Article 14bis."7
1024. Niet alleen geven beide passages aan dat de conventie in haar algemeenheid geen verdragsautonoom auteursbegrip bezigt, ook blijkt — geheel in overeenstemming met de systematiek van de conventie — dat met de 'auteur' de rechthebbende werd bedoeld (immers, als onder de 'auteur' ook de producent mag worden verstaan, is duidelijk dat hieronder de rechthebbende moet worden verstaan).8
1025. Dat komt nog bij dat, toen de in alinea 1021 hiervoor aangehaalde bepaling in de conventie werd opgenomen als het huidige artikel 14bis lid 1, de 'auteur' daarbij zonder enige toelichting of commentaar werd vervangen door de 'rechthebbende'. Daaruit blijkt wederom dat men deze begrippen uitwisselbaar achtte. Waar artikel 14bis derhalve spreekt over de 'rechthebbende', doelt het op niemand anders dan de auteur (gelijk zij in haar andere bepalingen op de rechthebbende doelt wanneer zij over de 'auteur' spreekt).9 Een materieel onderscheid tussen auteur en rechthebbende vindt geen steun in de totstandkomingsgeschiedenis van de bepaling.
1026. Resteert de vraag waarom de verdragsopstellers dan niet simpelweg en consistent de term 'auteur' hebben gebezigd. Het antwoord moet — tamelijk prozaïsch — naar alle waarschijnlijkheid worden gevonden in het compromiskarakter van de bepaling. De regeling over het cinematografische werk lag gevoelig, zij heeft de Stockholmse conferentie verhoudingsgewijs veel tijd gekost en dreigde de crux van de conferentie te worden. Het oorspronkelijke voorstel van de Zweedse gastheren en van het Bureau van de Berner Unie, dat consistent over de 'auteur' sprak, werd tijdens de conferentie in een werkgroep onder leiding van Ulmer onder handen genomen om het voor alle landen aanvaardbaar te maken. Toen pas — op het laatste moment — is de bepaling van lid 2 onder a voorgesteld, waarin de term `rechthebbende' opdook, vermoedelijk om de schepper-landen niet tezeer voor het hoofd te stoten. Een vingerwijzing vindt men in het gevoelen dat enkele jaren eerder in een comité van experts was uitgesproken: het verdient de voorkeur om de term 'auteur' te reserveren voor de schepper — maar aangezien de conventie geen definitie bevat, is het uiteindelijk aan de Unielanden om te bepalen wie als auteur wordt aangemerkt:
"11 fut remarqué, à ce propos, que s'il semblait préférable d'indiquer en principe que seul le créateur intellectuel est l'auteur, il n'en restait pas moins que la Convention ne contient pas de définition de l'auteur et que celle-ci demeure du ressort de la législation nationale."10
1027. Al met al moge duidelijk zijn dat artikel 14bis een waterig compromis is. De bepaling is wel getypeerd als "the most obscure and the least useful in the whole Convention."11 Men mag er dan ook geen conclusies met algemene pretenties ten aanzien van de subject-vraag aan verbinden, en dat geldt al helemaal als het om a contrario redeneringen gaat.12