Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.1.1
7.1.1 Rangorde reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen?
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS450593:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Voor zover een voordeel niet kon worden belast volgens de bron 'inkomsten uit vermogen' kon onder het oude aandelenregime nog worden toegekomen aan de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'. Gewezen kan worden op HR 21 december 1977, BNB 1978/94 inzake een inkoop van aandelen voor de werkelijke waarde die hoger was dan het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal (inkomsten uit vermogen) doch minder dan de verkrijgingsprijs (verlies uit aanmerkelijk belang) alsmede HR 21 september 1988, BNB 1988/308 en HR 19 mei 1993, BNB 1993/231 inzake een inkoop van aandelen voor een lagere prijs dan de werkelijke waarde.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 47.
Zie over vervreemding van aandelen cum dividend uitgebreider hoofdstuk 3, onderdeel 3.4.1.
Een belang is wel aanwezig in geval van een zgn. fictief aanmerkelijk belang in de zin van art. 20d Wet IB, art. 20e Wet IB, art. 20f Wet IB, ingevolge een krachtens art. 20g Wet IB gestelde voorwaarde, art. 68a Wet IB en art. 68aa Wet IB (zie hoofdstuk 9). De inkomsten uit een zgn. fictief aanmerkelijk belang worden immers belast volgens de bron 'inkomsten uit vermogen', alleen de vervreemdingsvoordelen worden belast volgens de bron 'winst uit aanmerkelijk belang'. Aangezien een fictief aanmerkelijk belang niet tot een negatief bedrag kan leiden (HR 21 juni 1978, BNB 1978/207), kan in geval van vervreemding van tot een zgn. fictief aanmerkelijk belang behorende aandelen cum dividend uiteindelijk een groter bedrag als winst uit aanmerkelijk belang worden belast dan de aanmerkelijkbelanghouder subjectief ontvangt.
Alvorens nader op de categorie vervreemdingsvoordelen in te gaan, rijst met betrekking tot het nieuwe aanmerkelijkbelangregime nog de vraag of tussen beide categorieën voordelen - reguliere voordelen en vervreemdingsvoordelen - een rangorde bestaat, zoals dat in het tot 1 januari 1997 geldende aandelenregime het geval was.1 Of moet worden gezegd dat belastingheffing volgens de categorie reguliere voordelen ex art. 20b Wet IB belastingheffing volgens de categorie vervreemdingsvoordelen volledig uitsluit en omgekeerd. Uit de memorie van toelichting blijkt mijns inziens dat de fiscale wetgever van oordeel is dat beide categorieën voordelen elkaar uitsluiten. De aanmerkelijkbelangheffing vindt plaats op grond van hetzij de ene categorie (reguliere) voordelen hetzij de andere categorie (vervreemdings)voordelen, maar niet op grond van beide categorieën tegelijk in die zin dat nog zou kunnen worden toegekomen aan de categorie vervreemdingsvoordelen voor zover geen belastingheffing kan plaatsvinden op basis van de categorie reguliere voordelen. Om die reden is het inkopen van aandelen blijkens de memorie van toelichting ook opgenomen in art. 20a, zesde lid, onderdeel a, Wet IB, nl. om zeker te stellen dat de belastingheffing plaatsvindt op grond van de categorie vervreemdingsvoordelen en niet op grond van de categorie reguliere voordelen. De memorie van toelichting merkt immers op dat een uitdrukkelijke bepaling in art. 20a, zesde lid, Wet IB nodig was, aangezien zonder een dergelijke bepaling het voordeel dat wordt behaald bij een inkoop van aandelen onder de reguliere voordelen (art. 20a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB) zou vallen, evenals een inkoop van aandelen onder het tot 1 januari 1997 geldende aandelenregime onder de zuivere inkomsten uit vermogen (art. 24 Wet IB) viel.2 Uit deze opmerking in de memorie van toelichting blijkt mijns inziens dat door de opname van het inkopen van aandelen in art. 20a, zesde lid, (onderdeel a,) Wet IB belastingheffing op basis van de categorie reguliere voordelen uit beeld is en louter belastingheffing plaatsvindt op grond van de categorie vervreemdingsvoordelen. De fiscale wetgever is dus kennelijk van oordeel dat een bepaald voordeel uit aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen exclusief wordt belast op basis van hetzij de categorie reguliere voordelen hetzij de categorie vervreemdingsvoordelen. Een heffing op basis van de categorie reguliere voordelen en aanvullend op basis van de categorie vervreemdingsvoordelen voor zover geen belastingheffing heeft kunnen plaatsvinden op basis van de (eerdere) categorie reguliere voordelen, is aldus niet langer mogelijk.
Deze zelfstandige kwalificatie van voordelen van aanmerkelijkbelangaandelen dient naar mijn oordeel ook te geschieden als de aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen worden vervreemd op een moment waarop het dividend reeds door de algemene vergadering van aandeelhouders is vastgesteld dan wel het dividend door publicatie of vaststelling van de jaarrekening reeds zozeer vaststaat (vervreemding cum dividend).3 Zoals in hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.6 reeds is uiteengezet, dient de tegenprestatie voor de vervreemding van aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen alsdan te worden gesplitst in een deel dat wordt belast als regulier voordeel (art. 20b, eerste lid, onderdeel e, Wet IB) en een deel dat wordt belast als vervreemdingsvoordeel (art. 20c Wet IB). Het is naar mijn mening niet juist om de gehele verkoopwinst op de aanmerkelijkbelangaandelen en -winstbewijzen in aanmerking te nemen als vervreemdingsvoordeel, hoewel dit, als dit toch geschiedt, voor de verkopende aanmerkelijkbelanghouder veelal materieel geen consequenties heeft. Hetgeen als regulier voordeel wordt belast, zijnde het in de vervreemdingsprijs te ontwaren materiële dividend, wordt in zoverre niet als vervreemdingsvoordeel belast. Dit is zelfs het geval als de opschoning van de vervreemdingsprijs met het materiële dividend ertoe leidt dat uiteindelijk een negatief vervreemdingsvoordeel resteert.4