Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/3.8
3.8 Inbezitneming bij insolventie van de hypotheekgever
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS624977:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 285 Insolvency Act. Het hypotheekrecht is een ‘right in rem’, de hypotheekhouder heeft zogezegd geen aanspraak jegens de failliete hypotheekgever, maar hij maakt aanspraak op zijn ‘eigen’ goed. Zie Clark e.a. 2014, p. 779.
Vgl. par. 31.3.33 van The insolvency service technical manual, 2014 (online via www.gov.uk/government/publications/the-insolvency-service-technical-manual, laatst geraadpleegd op 11 juli 2017).
Clark e.a. 2014, p. 784.
IA 1986, Sch B1, para. 43.
IA 1986, Sch B1, para 43(2)(a).
IA 1986, Sch B1, para 43(2)(b). Calnan betoogt dat ook in die gevallen de uitwinning meestal zonder juridische procedure kan verlopen en daardoor eenvoudiger, sneller en goedkoper is dan wanneer dat wel nodig zou zijn. Zie Calnan 2015, p. 460.
Clark e.a. 2014, p. 785.
Clark e.a. 2014, p. 785, met verwijzing naar Re Sibec Developments Ltd [1993] BCC 148; In the Matter of Lehman Brothers [2009] EWHC 2545 (Ch) at [100]; UK Housing Alliance (North West) Ltd (In Administration), Re [2013] EWHC 2553 (Ch), [2013] BCC 752.
Een bijzondere situatie ontstaat wanneer de hypotheekgever in staat van faillissement wordt verklaard (in bankruptcy). Voor die gevallen bepaalt art. 285 lid 3 Insolvency Act 1986 (hierna: IA 1986) dat schuldeisers zich niet meer op de failliet of diens vermogen kunnen verhalen:
‘285 Restrictions on proceedings and remedies’
(…)
(3) After the making of a bankruptcy order no person who is a creditor of the bankrupt in respect of a debt provable in the bankruptcy shall —
(a) have any remedy against the property or person of the bankrupt in respect of that debt, or
(b) before the discharge of the bankrupt, commence any action or other legal proceedings against the bankrupt except with the leave of the court and on such terms as the court may impose.’
Ten aanzien van zekerheidsgerechtigden, zoals de hypotheekhouder, bepaalt echter het vierde lid van dit artikel:
‘Subject as follows, subsection (3) does not affect the right of a secured creditor of the bankrupt to enforce his security.’
Hypotheekhouders hoeven zich dus in principe niets gelegen te laten liggen aan het faillissement van hun hypotheekgever.1 Nu inbezitneming als uitwinningsmaatregel wordt gezien, kan de hypotheekhouder ook tijdens faillissement het vastgoed in bezit nemen.2
Dit is anders wanneer de hypotheekgever in administration is, een (enigszins) met de Nederlandse surseance van betaling te vergelijken procedure. Een administration order kan een drietal doelstellingen hebben. Zij kan bedoeld zijn om (i) de onderneming van de hypotheekgever te saneren en door te starten, (ii) een hogere opbrengst te realiseren dan bij liquidatie van de onderneming of (iii) activa te gelde te maken ten gunste van één of meer preferente (zekerheids)schuldeisers.3 In het licht van deze doelstellingen, is het uitoefenen van hypothecaire bevoegdheden, zoals inbezitneming, niet zonder meer toegestaan.4 Het executeren van een zekerheidsrecht mag slechts met instemming van de administrator (bewindvoerder),5 of toestemming van de rechtbank.6 De rechtbank zal bij haar beslissing alle omstandigheden van het geval betrekken. Zij maakt een belangenafweging, waarbij het belang van de onderneming van de hypotheekgever en diens schuldeisers wordt afgezet tegen het individuele belang van de hypotheekhouder.7 Zo kan toestemming worden onthouden indien dat bijvoorbeeld een met de administration beoogde doorstart zou frustreren of wanneer de administration beter functioneert zonder de voorgenomen acties van de hypotheekhouder.8