Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.2.2
6.2.2 Grondslag voor medezeggenschap van werknemers
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687218:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Participatie behoort volgens Van der Heijden en Noordam dan ook tot de zes basisvoorwaarden van het sociaal recht: P.F. van der Heijden en F.M. Noordam, De waarde(n) van het sociaal recht, over beginselen van sociale rechtsvorming en hun werking, Preadvies NJV Handelingen 2001-I, Deventer: Tjeenk Willink 2001, p. 75 en p. 93.
J.J.M. van Mierlo, Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 22-24.
J.J.M. van der Ven, ‘Gemeenschap, bedrijf, onderneming, vennootschap en medezeggenschap’, De NV, 1950, p. 75.
L. Timmerman, Over multinationale ondernemingen en medezeggenschap van werknemers: een ondernemingsrechtelijke studie, Deventer: Kluwer 1988, p. 7.
G. van den Bergh, Medezeggenschap der arbeiders in de partikuliere onderneming, Amsterdam: Boekhandel en Uitgeversmaatschappij ‘Ontwikkeling’ 1924, p. 21 e.v.
Rapport uitgebracht door de kommissie ingesteld door N.V.V. en S.D.A.P., Bedrijfsorganisatie en medezeggenschap, Amsterdam: Boekhandel en Uitgeversmaatschappij ‘Ontwikkeling’ 1923, p. 7.
J.F.P. Dijkhuis, De rechtsgrond van medezeggenschap, Assen: Van Gorcum & Comp. 1938, p. 173.
M.G. Rood, Naar een nieuw sociaalrechtelijk denkraam, ’s-Gravenhage: Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel 1997, p. 11.
W.J.E. van den Bos, ‘Medezeggenschap van de werknemers in de onderneming’, preadvies aan de Calvinistische Juristen Vereniging 1964, p. 25.
Rapport uitgebracht door de kommissie ingesteld door N.V.V. en S.D.A.P., Bedrijfsorganisatie en medezeggenschap, Amsterdam: Boekhandel en Uitgeversmaatschappij ‘Ontwikkeling’ 1923; W.F. de Gaay Fortman, De onderneming in het arbeidsrecht, Amsterdam: H.J. Paris 1936, p. 71; Groenboek van de Europese Commissie uit 1975, Medezeggenschap van werknemers en structuur van de vennootschap, suppl. 8/75; M.G. Rood, Bedrijfsdemocratie: vlag of lading? (oratie Leiden 1979), Deventer: Kluwer 1979, p. 6.
Kamerstukken II 1969/70, 10751, nr. 3, p. 8; B.F. Assink, Compendium Ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 2093. Zie ook al: C.J. Lammers, Medezeggenschap en overleg in het bedrijf, Utrecht: Spectrum 1965, p. 46. Vergelijk T. Koopmans, De begrippen werkman, arbeider, werknemer, Alphen aan den Rijn: Samsom 1962, p. 309-311, deze wijst als grondslag op de institutionalisering van de onderneming, waar de onderneming een eigen belang heeft gekregen, los van die van de ondernemer.
G.W. van der Voet, S.F.H. Jellinghaus en S.S.M. Peters, ‘Het waarom van medezeggenschap in relatie tot vormen van medezeggenschap’, in: L.C.J. Sprengers en G.W. van der Voet (red.), De toekomst van de medezeggenschap, Aanbevelingen aan de wetgever, Deventer: Kluwer 2009, p. 7.
L.G. Verburg, Het territoir van de (Nederlandse) ondernemingsraad in het internationale bedrijfsleven, Deventer: Kluwer 2007, p. 41; L.G. Verburg, Rood’s Wet op de ondernemingsraden, Deventer: Kluwer 2013, p. 24.
J.A.M. Engelen, De betekenis van de ondernemingsraad, Nijmegen/Utrecht: Dekker & Van de Vegt 1961, p. 65-66; Ph.A.N. Houwing en W.L. Haardt, Is herziening van het vennootschapsrecht mogelijk en wenselijk, met deze strekking, dat aan de werknemers medezeggenschap in de onderneming wordt gegeven?, Advies uitgebracht aan de Vereeniging ‘Handelsrecht’, Zwolle: Tjeenk Willink 1950, p. 95; P.A.J.M. Steenkamp, De zeggenschap in de onderneming, wensen en grenzen, rede gehouden op 16 november 1962 te Deventer ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Algemene Katholieke Werkgeversvereniging in het Aartsbisdom en het Bisdom Groningen, p. 3.
J. Ponsioen, ‘Het vraagstuk der medezeggenschap in de onderneming’, Maandschrift Economie, juli/aug 1949, p. 510-511, wijst er hierbij op dat arbeiders door specialisatie en door hun incorporatie binnen een onderneming hun risico op werkloosheid vergroten. Zo ook: W.F. de Gaay Fortman, De onderneming in het arbeidsrecht, Amsterdam: H.J. Paris 1936, p. 99-100.
G. van den Bergh, Medezeggenschap der arbeiders in de partikuliere onderneming, Amsterdam: Boekhandel en Uitgeversmaatschappij ‘Ontwikkeling’ 1924, p. 12 en p. 219. Zo ook S. Mok, ‘Het recht op pensioen’, in: Arbeidsrechtelijke opstellen, Alphen aan den Rijn: Samson 1950, p. 178.
M.G. Levenbach, Organisatievormen in het Nederlandse Arbeidsrecht, oratie van 22 mei 1930, Haarlem, p. 20.
E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 381; SER-advies van 24 april 1987, Advies ex-deelnemers pensioenfondsen, nummer 1987/09, p. 19; P. de Jong, ‘SER-adviezen over pensioenvraagstukken’, in: E.P. de Jong en B. Wessels, Pensioen is pensioen, opstellen aangeboden aan mr. J.W. Janssen, Alphen aan den Rijn: Samson Uitgeverij 1987, p. 29. J.R. Wirschell, ‘Governance van pensioenfondsen’, P&P 2012/1, p. 11, stelde dat de oorspronkelijke gedachte achter de PSW was dat in het pensioenfondsbestuur ook over de inhoud van de pensioenregeling werd beslist.
G.R. Boshuizen, ‘Bestuurssamenstelling van pensioenfondsen’, P&P 1996/4, p. 5.
R.H. Maatman en S.R. Schuit, ‘Versterking bestuur pensioenfondsen’, Ondernemingsrecht 2012/68.
De rechtsgrond voor medezeggenschap van ex-werknemers is de facto een verlengstuk van, of anders gezegd een vervolg op, de rechtsgrond voor medezeggenschap van werknemers. De twee zijn in die zin onlosmakelijk met elkaar verbonden, waardoor de grondslag voor medezeggenschap van werknemers ook (mede) de grondslag voor medezeggenschap van ex-werknemers kan vormen. Het belang van medezeggenschap van werknemers blijkt uit het feit dat het recht op medezeggenschap in de Grondwet en in het EU Grondrechtenhandvest staat.1 De rechtsgrond voor de medezeggenschap van werknemers is van oudsher gezocht in idealistisch getinte ideeën,2 zoals samenwerking,3 zelfontplooiing,4 menswaardigheid,5 socialisering,6 arbeidsvreugde,7 mondigheid,8 gelijkwaardigheid,9 het dragen van verantwoordelijkheid,10 en democratisering.11 Pas in recentere tijden wordt meer de nadruk gelegd op een zakelijker idee, te weten belangenbehartiging.12 Dat betekent zeker niet dat de meer idealistische ideeën hun belang hebben verloren. Zo wijzen sommige auteurs13 als fundament op de inherente behoefte aan zelfbeschikking en in het verlengde daarvan op het recht gekend te worden in het eigen belang:14 het beginsel ‘dat een mens medezeggenschap behoort toe te komen in zaken die hem persoonlijk aangaan’. Medezeggenschap hoort daar te eindigen waar van een ‘persoonlijke betrokkenheid’ geen sprake meer kan zijn.15 Persoonlijke betrokkenheid is door meerdere auteurs genoemd als rechtsgrond voor medezeggenschap.16 De wetgever lijkt ook oog te hebben gehad voor die betrokkenheid als rechtsgrond voor de medezeggenschap, waar hij bij de invoering van de WOR overwoog dat de OR voortspruit uit de gedachte dat de onderneming een arbeidsgemeenschap is, die niet eenzijdig voor het profijt van de ondernemer bestaat, maar die, afgezien van haar algemene maatschappelijke functie, het welzijn van ‘allen die erbij betrokken zijn’ dient te bevorderen.17 Aangezien de betrokkenheid van de ex-werknemer niet hoeft te eindigen met het einde van de arbeidsovereenkomst, is dit voor de positie van de ex-werknemer uitermate relevant, evenals de rechtsgrond dat wie risico loopt in een zaak, (mede)zeggenschap dient toe te komen.18
De specifieke grondslag voor (mede)zeggenschap van werknemers ten aanzien van pensioen is ook divers. Sommige auteurs noemen de belangstelling voor en het medeleven met pensioenfondsen, evenals het toevertrouwen van het ‘beheer van hun eigen zaak’.19 Levenbach zocht op zijn beurt de grondslag voor de paritaire samenstelling van pensioenfondsen in de democratie.20 Anderen meenden daarentegen dat paritair bestuur vooral een afspiegeling is van de partijen waartussen in het arbeidsvoorwaardenoverleg de pensioenregeling tot stand komt.21 Daarnaast zou bij ondernemingspensioenfondsen de vertegenwoordiging van werknemers uitdrukking geven aan de verbondenheid tussen onderneming en pensioenfonds. Volgens de wetgever was het oorspronkelijke doel van de paritaire samenstelling van pensioenfondsbesturen vooral een waarborg voor goede samenwerking tussen werkgever en werknemer22 en voor onpartijdig beheer ten aanzien van de belanghebbenden.23 Het is later door de wetgever ook wel omschreven als de handhaving van een basismachtsevenwicht tussen werkgevers en werknemers24 en een weergave van de opvattingen die op dat moment in het bedrijfsleven heersten.25 Om die reden is de grondslag voor (mede)zeggenschap ook gezocht in het streven naar optimale samenwerking tussen werkgever en werknemer, waarbij de pariteit slechts als voertuig dient,26 en in een vertrouwensbasis, aangezien vertegenwoordigers worden gerekruteerd uit eigen kring.27