Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/4.2.4.4
4.2.4.4 De disproportionate burden, een voorbeeld
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS383995:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. EHRM 19 juni 2011, appl. nr. 34049/96 (Zwierzynksi t. Polen), § 75: “The Court points out that where an issue is at stake it is incumbent on the public authorities to act in an appropriate manner and with the utmost consistency (…). Moreover, as the guardian of public order, the State has a moral obligation to lead by example and a duty to ensure that the bodies it has charged with the protection of public order follow that example.”
Een voorbeeld van een ‘het kan toch niet zo zijn dat’-resultaat dat de toets van art. 1 EP niet kon doorstaan is ook EHRM 16 november 2010, appl. nr. 24768/06 (Perdigão t. Portugal), waarin na een gedwongen onteigening, klagers – die waren opgekomen tegen de hoogte van de schadevergoeding – een proceskostenveroordeling kregen die hoger was dan de schadevergoeding die hen was toegekend. Zie over deze uitspraak ook Van Maanen 2011, p. 31 e.v.
EHRM 5 januari 2000, appl. nr. 33202/96, NJ 2000, 571 (Beyeler t. Italië).
Beyeler t. Italie , § 120.
EHRM 29 april 1999, appl. nr. 25088/94, 28331/95 en 28443/95 (Chassagnou e.a. t. Frankrijk). In een enigszins vergelijkbare casus heeft het EHRM recent geoordeeld dat geen sprake was van een schending van art. 1 EP. De situatie werd substantieel verschillend geoordeeld van de situatie die zich voordeed in de Chassagnou-zaak. EHRM 20 januari 2011, appl. nr. 9300/07 (Hermann t. Duitsland).
Chassagnou e.a. t. Frankrijk, § 85: “In conclusion, notwithstanding the legitimate aims of the Loi Verdeille when it was adopted, the Court considers that the result of the compulsory-transfer system which it lays down has been to place the applicants in a situation which upsets the fair balance to be struck between protection of the right of property and the requirements of the general interest. Compelling small landowners to transfer hunting rights over their land so that others can make use of them in a way which is totally incompatible with their beliefs imposes a disproportionate burden which is not justified under the second paragraph of Article 1 of Protocol No. 1. There has therefore been a violation of that provision.” Zie over de regulering van jachtrechten ook EHRM 22 september 2011, appl. nr. 29953/08, EHRC 2011, 163 (Lasgrezas t. Frankrijk).
EHRM 8 april 2008, appl. nr. 21151/04, AB 2008, 224 m.nt. Barkhuysen (Megadat.com SRL t. Moldavië).
Een verdragsstaat moet het vrij bont maken voordat sprake is een disproportionate burden. Gezien het belang van deze maatstaf voor de praktijk, zal ik trachten deze te omlijnen. Het EHRM eist van de verdragsstaten dat zij – als hoeder van het algemene belang – ook zoveel mogelijk hun best doen het algemene belang te dienen en daarbij een morele voorbeeldfunctie vervullen.1 Uit de jurisprudentie van het EHRM komt het beeld naar voren dat sprake is van een disproportionate burden , in situaties die men kan omschrijven met het adagium: “het kan toch niet zo zijn dat”.2 De zaak-Beyeler vormt daarvan een voorbeeld.3
In 1977 koopt Beyeler – een Zwitser – een Van Gogh (het schilderij ‘Portret van een jonge boer’) van een in Rome woonachtige kunsthandelaar. De kunsthandelaar vraagt een exportvergunning aan. Op grond van de wet heeft het Italiaanse Ministerie van Cultureel Erfgoed bij export van het schilderij een wettelijk voorkeursrecht tot koop. Van de verkoop wordt mededeling gedaan aan het ministerie. Abusievelijk wordt in de melding Beyeler niet als de koper genoemd. In december 1977 laat het Ministerie weten geen intentie te hebben het schilderij te kopen. Een maand later, weigeren de autoriteiten de exportvergunning van het schilderij, dat daardoor noodgedwongen bij de kunsthandelaar in Italië blijft en door Beyeler niet mag worden vervoerd naar Zwitserland.
In 1983 wil Beyeler het schilderij doorverkopen (voor een aanzienlijk hogere prijs) aan de Peggy Guggenheim Collectie in Venetië. Wederom wordt het ministerie gevraagd of het gebruik zal maken van het voorkeursrecht tot koop. Het ministerie raakt in dat verband op de hoogte dat het schilderij in 1977 aan Beyeler is verkocht. In 1988 verkoopt Beyeler het schilderij aan de Peggy Guggenheim Collectie.
Het ministerie wil vervolgens alsnog haar voorkeursrecht met betrekking tot de verkoop in 1977 uitoefenen, voor de in 1977 overeengekomen prijs, stellende dat het schilderij in 1977 nooit rechtsgeldig is aangeboden aan het ministerie, omdat niet gemeld was dat Beyeler de koper was. Na diverse procedures stelt de Italiaanse rechter het ministerie in het gelijk.
Op een klacht van Beyeler over schending van zijn recht op eigendom overweegt het EHRM dat de Italiaanse regering er niet in is geslaagd uit te leggen waarom het ministerie enerzijds reeds in 1983 bekend was met het foutje in de aanmelding in 1977 en anderzijds pas in 1988 over ging tot het uitoefenen van het voorkeursrecht.4 Het uitoefenen daarvan in 1988 tegen de verkoopprijs van 1977, die inmiddels ver onder de marktprijs lag, betreft een punitieve sanctie die niet kan worden gerechtvaardigd, aldus het EHRM. De uitoefening van het voorkeursrecht in 1988 tegen een prijs uit 1977, betekende, mede gezien het overige gedrag van de Italiaanse autoriteiten tussen 1983 en 1988, een disproportionate and excessive burden voor Beyeler.
Een ander voorbeeld van een zaak waarin het EHRM een disproportionate and excessive burdenaanwezig achtte betreft de zaak Chassagnou e.a. t. Frankrijk.5 In deze zaak klagen een aantal Franse boeren over een Franse wettelijke regeling op grond waarvan zij gedwongen zijn (als kleine boeren) de jachtrechten die zijn verbonden aan de door hen gehouden gronden over te dragen aan een jachtvereniging. De klagende boeren zijn om ethische redenen tegen de jacht, maar moeten de activiteiten van de jachtvereniging op hun eigen grond dulden, volgens deze wettelijke regeling (de Loi Verdeille ). Het EHRM oordeelt dat sprake is van een disproportionate burden , omdat de traditie op dit punt een onvoldoende rechtvaardiging vormt om verzoekers te kunnen verplichten om derden op hun land toe te laten voor activiteiten die zozeer tegen hun morele opvattingen indruisen.6 Hetgeen is geoordeeld in Chassagnou e.a. t. Frankrijk illustreert niet alleen dat het EHRM oog heeft voor een pluraliteit van waarden – zoals reeds opgemerkt in het eerste deel – maar ook dat het van de verdragsstaten eist daarmee rekening te houden. De meerderheid mag in een democratische samenleving zijn voorkeuren niet zonder meer opleggen aan de minderheid.
Een laatste voorbeeld van een zaak waarin het EHRM oordeelde dat geen sprake was van een fair balance betreft de zaak Megadat.com SRL t. Moldavië.7 De vergunning van een internetprovider was ingetrokken nadat deze had verzuimd een adreswijziging door te geven. Het EHRM achtte deze sanctie disproportioneel. Daardoor was sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op de eigendomsrechten (het bedrijfsvermogen waartoe de vergunning behoorde) van de rechtspersoon. De juridische gang van zaken in deze zaak in Moldavië was overigens zodanig geweest dat gerede twijfel kon bestaan over de naleving van the rule of law.