Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/4.2.4.6
4.2.4.6 Toetsing aan art. 1 EP bij ontneming van eigendom
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS382830:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 juli 1986, appl. nr. 9006/80 (Lithgow e.a. t. Verenigd Koninkrijk).
Vgl. James e.a t. Verenigd Koninkrijk , § 54.
Zie Sporrong & Lönnroth , § 69. Er is geen sprake van een fair balance, bijvoorbeeld indien de last voor de desbetreffende persoon 'an individual and excessive burden' betreft (§ 73).
“Finally, the Court does not consider that the United Kingdom was obliged under Article 1 of Protocol No. 1 (P1-1) to treat the former owners differently according to the class or size of their shareholdings in the nationalised undertakings: it did not act unreasonably in taking the view that compensation would be more fairly allocated if all the owners were treated alike.”
“It is true that in a sale by private treaty between a willing seller and a willing buyer the price paid for the applicants’ securities might have included an element representing the special value attributable to the size of their shareholdings. However, to have assessed compensation on this basis would have involved assuming that a buyer could be found for the large blocks of shares in question, an assumption which, in the case of these particular industries, would have been at least questionable.”
Vgl. EHRM 30 augustus 2007, appl. nr. 44302/02 (J.A. Pye (Oxford) Ltd e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 54.
Zie over dit onderwerp uitgebreid Tjepkema 2010, p. 670 e.v.
De wijze waarop het EHRM toetst of de vraag of een bepaalde vergoeding strookt met de eisen van art. 1 EP laat zich illustreren aan de hand van de zaak Lithgow e.a. t. Verenigd Koninkrijk.1 Daarin werd geklaagd over de wijze waarop de Labour-regering in de jaren zeventig in het Verenigd Koninkrijk een aantal bedrijven had genationaliseerd onder de Aircraft and Shipbuilding Industries Act 1977.Verzoekers in Straatsburg meenden dat de hoogte van de vergoeding die zij hadden ontvangen in ruil voor de (gedwongen) overdracht van hun aandelen volstrekt onredelijk was, gelet op het moment waarop zij onteigend werden. De Aircraft and Shipbuilding Industries Act 1977 was in maart 1977 in werking getreden.
De waarde van de aandelen was echter bepaald op het bedrag van hun gemiddelde koers in de zes maanden voorafgaande aan 28 februari 1974, de dag waarop Labour de verkiezingen had gewonnen. In het verkiezingsprogramma was vermeld dat Labour van plan was bepaalde bedrijven te nationaliseren. Gekozen was voor de gemiddelde koers over een periode van zes maanden voorafgaande aan de verkiezingen om de mogelijkheid van een nationalisatie in de beurskoers te neutraliseren.
Verzoekers betoogden dat gezien de lange tijd die lag tussen het moment van waardebepaling en de daadwerkelijke onteigening, ten minste ook een inflatiecorrectie zou moeten worden gegeven over de vergoeding. Door de oliecrises was de inflatie sterk opgelopen. In 1976 bijvoorbeeld bedroeg de inflatie in Groot Brittannië 22%. De regering verweerde zich met de stelling dat de vergoeding fair was, onder meer omdat zij het risico had gelopen dat de aandelen na februari 1974 in waarde zouden dalen.
Het EHRM stelde voorop dat het wegnemen van eigendom zonder een vergoeding die in een redelijke verhouding staat tot de waarde normaal gesproken een disproportionele inbreuk betekent op het recht van eigendom. Anderzijds kan aan art. 1 EP niet in alle omstandigheden het recht op een volledige compensatie worden ontleend. Algemene belangen kunnen onder omstandigheden een vergoeding die lager ligt dan de marktwaarde rechtvaardigen.2 Daarbij dient sprake te zijn van een fair balance tussen de inbreuk enerzijds en het algemene belang dat wordt nagestreefd anderzijds.3
De mate waarin compensatie wordt geboden is derhalve van belang bij de vraag of sprake is van een fair balance (§ 120). Het EHRM stelde voorts voorop dat een nationalisatie niet gelijk gesteld kan worden aan een overname, in de zin dat bij een nationalisatie een vergoeding zou moeten worden betaald als ware het een overnamebod. Bij de vraag of de vergoeding voldoende geacht kon worden om te kunnen spreken van een fair balance moet de lidstaat verder een wide margin of appreciation worden gegund (§ 121).
Bij de wijze waarop de waarde van aandelen was bepaald achtte het EHRM van belang dat verklaarbaar was waarom de waarde van aandelen als basis werd genomen in plaats van bijvoorbeeld een waardering op basis van de underlying assets (§ 125). Ook was verklaarbaar waarom een gemiddelde koers werd gekozen over een periode die ruim drie jaar lag voor het moment van overname van de aandelen (namelijk een periode van zes maanden gelegen vlak voor de verkiezingen) (§ 132). Ook de klacht dat de schadevergoeding onvoldoende rekening hield met de op dat moment hoge inflatie werd door het EHRM verworpen. Daarbij was van belang dat de aandelenkoersen in dezelfde periode niet zo hard waren gestegen en een lage rentevergoeding werd betaald door de staat (§ 144). Ten slotte werd ook de klacht verworpen dat geen rekening werd gehouden met de omvang van het aandelenpakket (§ 149).4 Daarbij erkende het EHRM dat een meerderheidspakket weliswaar een meerwaarde kon vertegenwoordigen, maar dat in het onderhavige geval niet heel aannemelijk was dat die meerwaarde ook gerealiseerd zou kunnen worden.5 Het EHRM concludeerde dat geen sprake was van een schending van art. 1 EP.
De uitspraak toont aan dat het EHRM weliswaar in beginsel eist dat bij een ontneming van eigendom in beginsel de marktwaarde dient te worden vergoed, maar dat onder omstandigheden een vergoeding onder de marktwaarde ook fair kan zijn.6 Het EHRM toetst of een vergoeding redelijk is, in het licht van alle omstandigheden van het geval. In het hiervoor geschetste geval lijkt het EHRM bijvoorbeeld mee te wegen dat aandeelhouders in de aanloop naar verkiezingen waarin een nationalisatie van bepaalde bedrijfstakken wordt voorgesteld, de desbetreffende aandelen ook hadden kunnen verkopen. Het EHRM weegt mee in hoeverre klagers zich welbewust in een risicovolle positie hebben laten brengen. In dat verband wordt ook wel gesproken over actieve en passieve risico-aanvaarding.7 Voor zover de kans dat de politieke wind zou kunnen veranderen een waardedrukkend effect heeft gehad lijkt het EHRM dat risico voor de aandeelhouder te willen laten.