Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/3.2.4
3.2.4 Slotsom met betrekking tot de ratio
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS625374:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook Sagaert (2003, p. 35) wijst de fictieleer als benadering van zaaksvervanging af.
Zie Sagaert 2003, p. 43.
Zie ook Sagaert 2003, p. 179.
Zie ook Sagaert 2003, p. 50.
Zie Hammerstein 1977, p. 74.
Zie Sagaert 2003, p. 50 en 55-58. Dirix sluit zich hierbij aan in het voorwoord van dit proefschrift: 'Zakelijke subrogatie kan immers worden beschouwd als de toepassing van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking in het zakenrecht.'
Zie Bregstein 1927, p. 191; Snijders 2001, p. 5 en 17.
Zie Hammerstein 1977, p. 40.
Zie Hammerstein 1977, p. 41.
Zie Hammerstein 1977, p. 55.
Vgl. Hammerstein 1977, p. 38.
Zie Hammerstein 1977, p. 178.
Zie Hammerstein 1977, p. 74.
Zie ook Sagaert 2003, p. 98. Vgl. Hammerstein 1977, p. 74 en 77.
71.
Zaaksvervanging leidt in alle in paragraaf 2.2 tot en met 2.10 genoemde voorbeelden tot het behoud van (goederenrechtelijke) aanspraken in gevallen waarin deze rechten op grond van het goederenrecht dreigen te eindigen. Het feit dat bescherming wordt geboden, roept de vraag op waarom hiervoor is gekozen.
72.
De fictieleer is op dit punt het minst concreet. Haar waarde ligt met name in het weergeven van het probleem dat zaaksvervanging met zich brengt en de eerste analyse van de wijze waarop het recht hieraan tegemoet komt. Met zaaksvervanging wil men bereiken dat een recht dat uitgeoefend wordt op een goed, later kan worden uitgeoefend op een ander, vervangend goed. De reden dat hier een fictie bij betrokken wordt, ligt in het feit dat binnen het goederenrecht rechten in beginsel de goederen volgen. Deze analyse geeft helaas geen antwoord op de vraag wanneer zaaksvervanging al dan niet kan worden toegepast en waarom dat het geval is.1
73.
De waardebestemmingsleer besteedt meer aandacht aan de achtergrond van zaaksvervanging. Benadrukt wordt dat het recht weliswaar primair aanknoopt bij het goed als object van het recht, bij voorkeur in fysieke vorm, maar dat in de maatschappij naast de materiële aspecten een steeds belangrijkere rol is weggelegd voor de waarde die het goed vertegenwoordigt. Daarmee komen het subjectieve recht en de betrokken rechtsverhouding centraal te staan en niet de goederen zelf, zoals bij de fictieleer.2
De focus op de waarde maakt het wenselijk dat, indien het oorspronkelijke goed deze waarde niet meer vertegenwoordigt maar een ander object dit wel doet, de ten aanzien van het oorspronkelijke object bestaande aanspraken op het nieuwe object kunnen worden uitgeoefend. Zo kan bijvoorbeeld de waarde van een huis de bestemming krijgen dat zij dient ter voldoening van een tussen partijen bestaande verbintenis uit een geldlening. Dit gebeurt bij de vestiging van een hypotheekrecht. Indien het huis afbrandt en de eigenaar hiervoor een schadevergoeding verkrijgt van de pyromaan of een vordering op een verzekeringsmaatschappij in verband met de ingeslagen bliksem, verandert de verschijningsvorm van de waarde van het huis van gedaante. De schadevergoedingsvordering vertegenwoordigt de waarde van het tenietgegane huis en die waarde had een vaste bestemming gekregen. De hypotheekgever verkrijgt op grond van het vermogensrecht een vervangende schadevergoedingsaanspraak op de brandstichter en/of de verzekeraar. De hypotheekhouder verkrijgt niet automatisch een vervangende aanspraak. Hij heeft zaaksvervanging nodig om de rechten die hij had op de onroerende zaak (gedeeltelijk) voort te kunnen zetten op de schadevergoedingsvordering. Om zijn positie niet aan te tasten, moet de vergoeding die de eigenaar verkrijgt, ook onderworpen zijn aan de rechten die voorheen ten aanzien van het huis golden. Daarom is hier ruimte voor zaaksvervanging.
Wanneer dus de waarde van goederen en het behoud hiervan voor de rechthebbende centraal staan in een bepaalde rechtsverhouding, is dit een reden om zaaksvervanging toe te passen. Helaas biedt dit uitgangspunt niet veel houvast om het toepassingsgebied van zaaksvervanging verder af te bakenen. Enerzijds is volgens de waardebestemmingsleer slechts zelden sprake van een zuivere waardebestemming en is het de vraag of voor zaaksvervanging wel ruimte is wanneer de bestemming gemengd is. Anderzijds zijn er veel gevallen waarin het behoud van vermogenswaarde centraal staat zonder dat hier zaaksvervanging aan te pas komt. In vele gevallen gaat het verlies van de aanspraak op het ene goed immers zonder zaaksvervanging gepaard met de verkrijging van een andere aanspraak. De verkoper die de verkochte zaak levert, raakt hiervan, mits hij ook beschikkingsbevoegd was en de titel geldig is, de eigendom kwijt. Uit de koopovereenkomst die aan deze overdracht ten grondslag ligt, vloeit echter ook voort dat hij een vordering op de koper krijgt, ter hoogte van de overeengekomen koopsom. De verkoper heeft geen beroep op zaaksvervanging nodig om zijn positie te beschermen en de waarde te behouden.
Dit ligt anders indien een tweede persoon betrokken is, die niet mee beschikt en toch zijn aanspraak verliest. Indien de verkoper in het hiervoor gegeven voorbeeld een bevoegd beschikkende vruchtgebruiker is, die in eigen naam de overeenkomst sluit, is het de vruchtgebruiker die de koopsomvordering verkrijgt als men de hoofdregels van het burgerlijk recht toepast. Nu heeft de eigenaar een beroep op zaaksvervanging nodig om een aanspraak op de koopsom(vordering) te kunnen doen, daar het recht niet automatisch (zonder vertegenwoordiging) voor alle betrokkenen een vervangende aanspraak oplevert. Om deze reden kan worden gezegd dat de functie van zaaksvervanging in het goederenrecht die is van remedie tegen ongewenste uitkomsten of hulpmiddel om het gewenste resultaat in te laten treden.3
74.
Via de billijkheid en het verbod van ongerechtvaardigde verrijking vervolgt de verrijkingsleer de zoektocht naar de grondslag van zaaksvervanging. De redelijkheid en billijkheid zijn een begrijpelijke basis, nu zaaksvervanging in veel gevallen beantwoordt aan een algemeen rechtsgevoel dat tenietgaan van een zaak toch niet kan betekenen dat de daarmee samenhangende rechten 'zomaar' ophouden te bestaan.4 Hammerstein constateert dat zaaksvervanging de zakenrechtelijke starheid doorbreekt of relativeert en dat dit heel goed kan steunen op de billijkheid.5 Meer recent ziet ook Sagaert het algemene verbod van ongerechtvaardigde verrijking als het theoretische kader voor zaaksvervanging, al vindt hij de billijkheid geen voldoende stabiele uitvalsbasis voor de ingrijpende juridische gevolgen van zaaksvervanging.6
De redelijkheid en billijkheid vormen mijns inziens inderdaad een te mime grondslag. Uiteindelijk kan vrijwel het hele recht hierop worden teruggevoerd en op het maatschappelijk belang van een rechtvaardig, redelijk en coherent rechtssysteem.7 Het is dan ook niet verwonderlijk dat de redelijkheid en billijkheid een nadere invulling hebben gekregen in de verrijkingsleer. De specifieke onbillijkheid die men ervaart in gevallen waar zaaksvervanging wordt toegepast, is namelijk niet zozeer dat een recht van de een teniet dreigt te gaan, maar met name dat een ander op grond van dezelfde feiten en zonder nadere rechtvaardiging een recht met een hogere waarde verkrijgt, als zaaksvervanging niet wordt toegepast. Dat het recht van de hoofdgerechtigde onder druk staat als een met vruchtgebruik belast schilderij bevoegd wordt verkocht en geleverd, kan acceptabel zijn. Dat de vruchtgebruiker hier echter beter van wordt, doordat hij volledig rechthebbende wordt van de koopsom(vordering), maakt de situatie in de ogen van een toeschouwer pas onrechtvaardig. De combinatie van een dreigende verarming van de één en een samenhangende verkrijging van de ander, zonder dat hier een rechtvaardiging voor bestaat, zoals het in dit voorbeeld zonder zaaksvervanging uitpakt, is mijns inziens bepalend voor de potentiële toepassing van zaaksvervanging.
De centraal staande ongerechtvaardigdheid krijgt vorm door de vergelijking van de vermogensposities van betrokkenen. Indien een met een pandrecht belaste auto in een verkeersongeluk tenietgaat, heeft dit bij het ontbreken van zaaksvervanging tot gevolg dat (de concurrente schuldeisers van) de schuldenaar en eigenaar van de wagen in een betere positie komt. In zijn vermogen bevindt zich vanaf dat moment nog steeds een schuld aan de voormalige pandhouder ter grootte van de gezekerde vordering, maar daarnaast heeft hij een onbelaste schadevergoedingsvordering. De schuldeiser verkeert, zonder optreden van zaaksvervanging, in een minder gunstige positie. Had hij eerst een vordering gedekt door een zekerheidsrecht op de auto, nu heeft hij nog steeds de vordering op de schuldenaar, maar zonder dat deze is gezekerd door een zekerheidsrecht. De economische waarde van de vordering zal door het toegenomen risico dat de vordering niet wordt voldaan, lager zijn, hetgeen een verarming meebrengt voor de schuldeiser. Beide wijzigingen hangen samen met hetzelfde verkeersongeluk en het optreden van deze beide veranderingen kan niet op objectieve wijze worden gerechtvaardigd. Daarin ligt volgens de verrijkingsleer een reden om zaaksvervanging toe te passen. Deze basis komt overeen met de verbintenisrechtelijke actie uit ongerechtvaardigde verrijking op grond van art. 6:212 BW.
75.
De subrogatieleer benadert zaaksvervanging vanuit een ander verbintenisrechtelijk perspectief. Volgens Hammerstein zag Lauriol daarbij voor zaaksvervanging twee functies weggelegd: handhaving van een door een bepaald recht beschermd belang en (hiervan afgeleid) het behoud van vermogensevenwicht.8 Het behoud van het recht dat betrekking heeft op de in een bepaald goed vertegenwoordigde vermogenswaarde staat bij zaaksvervanging centraal en het goed waarop het recht rust, is ondergeschikt in dergelijke gevallen. Daarbij benadrukte Lauriol, mijns inziens terecht, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de wenselijkheid en uitvoering van zaaksvervanging. Zijn stelling dat zaaksvervanging slechts een technisch middel is om een waardebestemming te realiseren, ondanks fluctuaties in het object van het recht, en dat dit middel wordt gerechtvaardigd door het doel,9 onderschrijf ik wat betreft de kwalificatie als middel. Ook Hammerstein volgt Lauriol, maar tekent terecht aan dat deze er zijns inziens niet in is geslaagd een bevredigend antwoord te geven op de vraag in welke gevallen moet worden aangenomen dat een recht zodanig is verbonden met een bepaald rechtsobject, dat een wisseling van het object niet mogelijk is.10
Geconcludeerd kan worden dat de subrogatieleer op het terrein van de ratio van zaaksvervanging nauwelijks nieuw inzicht biedt naast de verrijkingsleer. De nieuwe nadruk op het behoud van de rechtsverhouding vult het doel dat met zaaksvervanging wordt nagestreefd verder in. Rechtsverhoudingen, waaronder goederenrechtelijke, worden getypeerd naar de elementen object, subject en ontstaansbron, waarna het onder omstandigheden mogelijk wordt geacht dat het object wisselt en dat de overige elementen de rechtsverhouding voldoende typeren om deze te laten voortbestaan.11 Zowel subrogatie als zaaksvervanging leiden tot behoud van aanspraken bij een wisseling in een van de kenmerkende bestanddelen van een recht. Kortom, als er maar genoeg hetzelfde blijft, kan de aanspraak blijven bestaan. Dit wordt gebaseerd op de billijkheid, waardoor van rechtswege rechtsverhoudingen in stand blijven ter bescherming van de belangen van rechthebbende.12 Hammerstein stelt daarbij dat subrogatie een bijzondere uitwerking is van de gedachte van de ongegronde verrijking.13 Deze constatering brengt ons echter niet verder dan de verrijkingsleer en geeft geen nadere afbakening van gevallen waarin ruimte is voor het handhaven van aanspraken. De vergelijking met subrogatie geeft niet aan waarom zaaksvervanging in bepaalde gevallen wenselijk is en optreedt en in andere gevallen niet.
76.
De genoemde theorieën bevatten alle drie in meer of mindere mate ingrediënten die de achter zaaksvervanging liggende rechtvaardiging mede uitmaken, maar geen van deze theorieën is in staat zaaksvervanging volledig te verklaren. Het behoud van de waarde voor een bepaalde gerechtigde, zoals de aanhangers van de waardebestemmingstheorie prediken, is mijns inziens het beoogde gevolg van het optreden van zaaksvervanging, maar het is daarmee niet tevens een voldoende of noodzakelijke voorwaarde. Het toepassingsgebied en de voorwaarden voor toepassing moeten verder worden afgebakend. De billijkheid biedt hiertoe een eerste algemene aanzet, maar een nadere uitwerking is nodig, hetgeen de verrijkingsleer en de ongerechtvaardigde verrijking in beeld brengt. De vordering uit ongerechtvaardigde verrijking sluit in zijn algemene uitgangspunten aan bij de uit de theorieën naar voren komende ratio van zaaksvervanging en verdient daarom naar Nederlands recht nadere bestudering.14