De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.1:23.1 Inleiding
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/23.1
23.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370164:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
1-112 14 februari 1997, NJ 1997, 244, r.o. 3.5.
De Hoge Raad heeft deze lijn bestendigd in BR 25 januari 2002, NJ 2002, 169 en BR 1 december 2000, NJ 2001, 46.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verjaring van een rechtsvordering kan op drie manieren worden gestuit, namelijk door: (i) het instellen van een rechtsvordering, alsmede door iedere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde (art. 3:316 BW), door (ii) een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 BW) of door (iii) erkenning (art. 3:318 BW).
In het navolgende worden de art. 3:316 en 3:317 BW en een aantal bijzondere stuitingsproblemen besproken.
Het doel van stuiting is de schuldenaar een voldoende duidelijke waarschuwing te geven dat hij ook na ommekomst van de verjaringstermijn (i) de beschikking houdt over zijn bewijsmateriaal en (ii) bij de inrichting van zijn vermogenspositie rekening houdt met de mogelijkheid dat hij alsnog zal moeten nakomen.
Wij zagen hiervoor dat men de rechtvaardiging van verjaring er primair in moet zoeken dat tijdsverloop in tweeërlei opzicht de positie van de debiteur aantast: (i) zijn bewijspositie verzwakt en (ii) zijn vermogenspositie is steeds minder op nakoming ingesteld. De stuitingshandeling wil die ondermijning zoveel mogelijk teniet doen.
Ten aanzien van het eerste aspect is door de Hoge Raad overwogen:1 "[Opmerking verdient] dat die woorden ["een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt'] moeten worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling van deze aard, welke blijkens Parl. Gesch. Boek 3, Inv. 3, 5 en 6, p. 1408, slot tweede alinea, neerkomt op een — voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren."2 Dit arrest ging in het bijzonder over de vereisten die aan de stuitingshandeling van art. 3:317 BW moeten worden gesteld, maar de gedachte is over de volle breedte van het leerstuk van de stuiting van toepassing.
Ook wil met de stuitingshandeling bereikt worden dat de schuldenaar bij de inrichting van zijn vermogenspositie onverkort rekening houdt met de mogelijkheid dat hij de vordering alsnog zal moeten nakomen. Deze tweede functie wordt in literatuur en rechtspraak onvoldoende belicht.