Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/1.2
1.2 Onderzoeksvragen en methode
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS603341:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook het emissieplafond en het kosteloze toewijzingsplafond, zoals deze door de Commissie worden vastgesteld, zijn kernelementen van het ETS. Het vaststellen hiervan is evenwel primair een bevoegdheid van de Commissie, waardoor het minder relevant is in dit onderzoek naar de Nederlandse implementatie van het ETS. Wel is de Commissie bij de vaststelling van de plafonds afhankelijk van gegevens die door de lidstaten worden aangeleverd. In de praktijk zijn er in de vaststelling van het kosteloze toewijzingsplafond door de Commissie fouten gemaakt (HvJ EU 28 april 2016, gevoegde zaken C-191/14, C-192/14, C-295/14, C-389/14 en C-391/14-C-393/14 (Borealis Polyolefine e.a.)). Zie over deze onderwerpen meer uitgebreid: Thurlings 2016d en Thurlings 2016e.
Peeters 2011 en Chen 2015, p. 44 en 45.
De gegevens die per e-mail aan de auteur zijn verstrekt, kunnen bij de auteur worden opgevraagd.
In dit proefschrift wordt onderzocht op welke wijze het ETS in de Nederlandse wet en regelgeving is geïmplementeerd en hoe het in de Nederlandse praktijk functioneert. Daarbij wordt tevens getoetst of deze formele en materiële implementatie in overeenstemming is met de Richtlijn ETS en andere uit het EU-recht voortvloeiende normen. Dit onderzoek draagt derhalve bij aan een beter begrip van de Nederlandse functionering van het ETS, en draagt concrete oplossingen aan voor geconstateerde knelpunten met het EU-recht. Het ETS bestaat uit vijf kernelementen: 1) de toewijzing van emissierechten (kosteloos of via veiling), 2) de handel in emissierechten, 3) het toezicht op het ETS, daaronder begrepen de vergunningplicht en de inlevering van voldoende emissierechten en 4) de rechtsbescherming tegen besluiten op grond van het ETS. Gezien de verwevenheid van ETS activiteiten met activiteiten die onder de richtlijn industriële emissies vallen (hierna: Richtlijn IE), kan ook dit onderdeel als een kernelement van het ETS worden beschouwd (kernelement 5).1 De volgende onderzoeksvragen staan daarom in dit proefschrift centraal:
Op welke wijze wordt het ETS in Nederland geïmplementeerd en hoe functioneren de toewijzing en de handel in broeikasgasemissierechten in het Nederlandse omgevingsrecht?
Op welke wijze wordt in het kader van de verlening van omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten (inrichtingen), de coördinatie tussen het ETS en de Richtlijn IE toegepast?
Doen zich bij de implementatie of de toepassing van het ETS - mede bezien in relatie tot de Richtlijn IE - knelpunten voor waardoor Nederland de Europese doelstelling op het gebied van het tegengaan van broeikasgasemissies onvoldoende realiseert, dan wel beter zou kunnen realiseren, en zo ja, welke oplossingen zijn denkbaar?
Ten behoeve van de beantwoording van deze hoofdvragen is dit proefschrift opgedeeld in vier onderdelen, waarin tevens de bovengenoemde kernonderdelen terugkomen.
Onderdeel I beschouwt het ETS vanuit internationaalrechtelijke kaders. Daarin wordt het ETS getoetst aan relevante verdragen en hoger EU-recht. Deze toets is van belang. Immers daar waar het ETS zelf in strijd zou zijn met hoger recht, heeft een strijdigheid van de Nederlandse implementatie met het ETS in zoverre geen betekenis meer. Sommige onderdelen worden niet behandeld, nu deze reeds uitvoerig aan bod zijn geweest. Onder meer de toetsing van het ETS aan het EU gelijkheidsbeginsel, het zogenoemde ‘vervuiler betaalt’ principe en het voorzorgsbeginsel is reeds uitvoerig verricht door Peeters en Chen. De conclusie naar aanleiding van deze bijdragen van Peeters en Chen, en de rechtspraak die zij bespreken, is dat het ETS, in beginsel, in overeenstemming met de genoemde beginselen is.2
Onderdeel II geeft een theoretische beschouwing van de Nederlandse implementatie van het ETS. In dit onderdeel wordt de formele implementatie van het ETS getoetst aan EU-normen, zoals de vergunning- en inleverplicht. Bepaalde onderdelen worden wegens hun nauwe verwevenheid met praktijkonderdelen (onderdeel III van dit onderzoek) bewust buiten beschouwing gelaten.
Onderdeel III geeft een beschouwing van de uitvoeringspraktijk, daaronder begrepen de toewijzing van emissierechten, de handel in emissierechten, de rechtsbescherming, handhaving en de Nederlandse afstemming van de implementatie van het ETS en Richtlijn IE. Daarmee samenhangende regelgeving die niet reeds in onderdeel II is behandeld, wordt hier eveneens besproken.
Onderdeel IV bevat het slot van dit onderzoek, met daarin de conclusies en aanbevelingen.
In het onderzoek wordt bij de constatering van knelpunten zo nodig een vergelijking gemaakt met de benadering in andere lidstaten. Daarbij wordt met name gebruik gemaakt van informatie die beschikbaar is in wetgeving of openbare publieke bronnen (zoals de website van de Irish Environmental Protection Agency, die verantwoordelijk is voor de vergunningverlening en toezicht van de Ierse implementatie van het ETS). Zo nodig wil hier zeggen, voor zover de oorzaak van en/of de oplossing voor een knelpunt niet reeds evident is. Bij onduidelijkheden in de tekst van Europese regelgeving die niet reeds door het Hof duidelijk is uitgelegd, wordt gebruik gemaakt van verschillende taalversies van de regelgeving en/of wordt gekeken naar de benadering van die regelgeving in verschillende lidstaten. Ook wordt in dat geval gebruik gemaakt van ‘guidance documents’ van de Commissie(diensten).
Voor de formele implementatie (dus in wet- en regelgeving) wordt gebruik gemaakt van de relevante (EU-)wetteksten en toelichtingen daarop. Voor de randvoorwaarden voor de implementatie van EU-recht wordt gebruik gemaakt van relevante jurisprudentie en literatuur.
Voor de aspecten van uitvoering wordt, naast de relevante (EU-)wetteksten, jurisprudentie en literatuur, gebruik gemaakt van gegevens die betrekking hebben op die uitvoering. Daarbij worden objectieve, dat wil zeggen zo veel mogelijk meetbare, gegevens gehanteerd. Zo wordt gebruik gemaakt van jaarverslagen van de Nederlandse Emissieautoriteit en gegevens betreffende de handhaving die onder meer door deze autoriteit ten behoeve van dit onderzoek zijn verstrekt.3 Ook wordt gebruik gemaakt van relevante ‘guidance documents’ van de Commissiediensten en van toelichtingen van de Staatssecretaris, Minister of regering op relevante wetgevingsonderdelen. Verder wordt gebruik gemaakt van de nationale toewijzingsbesluiten 2012 en 2013 (van voor en na wijzigingen naar aanleiding van het commentaar van de Commissie) en relevante Commissiebesluiten. Ook wordt gebruik gemaakt van gegevens betreffende het EU-register beschikbaar in het ‘European Transaction Log’ (een digitale registratie van transacties in het ETS-register) en toelichtingsdocumenten van de Nederlandse Emissieautoriteit en autoriteiten van andere lidstaten die op hun respectievelijke websites beschikbaar zijn.