NJB 2025/2762:Strafrechtelijke immuniteit gemeente en niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging: herhaling en toepassing HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1607, r.o. 2.4 en HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342 (Pikmeer II): In casu wordt de gemeente verweten niet te hebben opgetreden tegen emissies van schadelijke stoffen, terwijl zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden. Gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak. Het hof kon het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van de gemeente. Vraag of in zo’n geval de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente moet worden “doorbroken” vanwege het recht op leven uit art. 2 EVRM en daaruit voortvloeiende positieve verplichtingen. Om aan deze verplichtingen te voldoen kan naast politieke verantwoordingsmechanismen onder meer worden gedacht aan mogelijkheden van bestuurs- of civielrechtelijke aard, terwijl onder omstandigheden ook een strafrechtelijke aanpak vereist kan zijn. De rechtspraak van het EHRM dwingt er niet toe dat (ook) de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon strafrechtelijk kan worden vervolgd. Een wettelijke mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van publiekrechtelijke rechtspersonen en/of de feitelijk leidinggevers kan wel bijdragen aan instrumentarium dat in zijn geheel beschouwd, in het licht van art. 2 EVRM, als adequaat kan worden aangemerkt. In de eerste plaats zal door de wetgever onder ogen moeten worden gezien of alsnog behoefte bestaat de mogelijkheden te verruimen om publiekrechtelijke rechtspersonen en/of de personen die feitelijk leiding hebben gegeven aan de betreffende gedraging strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen.