De schriftuur houdende tegenspraak is op 30 juni 2025 ingediend. De rechtsdag was op 1 juli 2025. Dat brengt mee dat de schriftuur tijdig is ingediend (artikel 4.3.9.6 jo. artikel 4.3.9.2 Procesreglement Hoge Raad).
HR, 25-11-2025, nr. 24/02651
ECLI:NL:HR:2025:1774
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
24/02651
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1774, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑11‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:1109
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:922
ECLI:NL:PHR:2025:922, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1774
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑11‑2024
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0368
Sdu Nieuws Omgevingsrecht 2025/258
JB 2026/19 met annotatie van mr. J.J.M. Peters, R. Giebel
JM 2026/24 met annotatie van mr. S. Pieters
M en R 2026/22 met annotatie van M. Velthuis
JM 2026/23 met annotatie van mr. S. Pieters
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Economische zaak. OM-cassatie. OM niet-ontvankelijk in vervolging t.z.v. nalaten van handhavend optreden tegen en instemmen met overschrijdingen van uitstootnormen van giftige stoffen in een aan bedrijf verleende vergunning, art. 10.1 Wet Milieubeheer. Strafrechtelijke immuniteit gemeente. Verplicht art. 2 EVRM tot doorbreking van immuniteit? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:1607 m.b.t. strafrechtelijke immuniteit van openbaar lichaam. Art. 2 EVRM beschermt recht op leven. Volgens rechtspraak EHRM omvat deze bepaling mede positieve verplichting van verdragsstaat om passende maatregelen te nemen om leven te beschermen van eenieder die onder zijn rechtsmacht valt. Welke maatregelen passend zijn, hangt af van omstandigheden van geval. Staten hebben daarbij ruime beoordelingsvrijheid. Bij vraag of bij (industriële) activiteiten die ernstige, levensbedreigende, milieuverontreiniging tot gevolg hebben betreffende positieve verplichting o.g.v. art. 2 EVRM in voldoende mate is nageleefd, komt mede betekenis toe aan geheel aan mogelijkheden dat door recht van verdragsstaat wordt geboden om tegen vermeende inbreuken op art. 2 EVRM op te komen en/of hierbij betrokken (rechts)personen (waaronder begrepen publiekrechtelijke rechtspersonen) ter verantwoording te roepen. Daarbij kan, naast politieke verantwoordingsmechanismen, o.m. worden gedacht aan mogelijkheden van bestuurs- of civielrechtelijke aard, terwijl onder omstandigheden ook strafrechtelijke aanpak vereist kan zijn. Rechtspraak van EHRM dwingt er bij huidige stand van zaken niet toe dat in geval als dit (ook) betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon strafrechtelijk kan worden vervolgd. Gelet hierop getuigt ’s hofs oordeel dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging van gemeente niet van onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. HR merkt nog op dat, hoewel niet in algemene bewoordingen valt aan te geven welke maatregelen verdragsstaten minimaal moeten nemen om positieve verplichtingen o.g.v. art. 2 EVRM na te leven en bij huidige stand van rechtspraak daaruit ook niet volgt dat publiekrechtelijke rechtspersoon moet kunnen worden vervolgd om aan die verplichtingen te voldoen, wettelijke mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van publiekrechtelijke rechtspersonen en/of feitelijk leidinggevers daarvan wel kan bijdragen aan instrumentarium dat in zijn geheel beschouwd, in het licht van art. 2 EVRM, als adequaat kan worden aangemerkt. Initiatiefwetsvoorstel dat strekte tot opheffing van strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers is in 2015 door Eerste Kamer verworpen. Tegen die achtergrond zal in eerste plaats door wetgever onder ogen moeten worden gezien of alsnog behoefte bestaat mogelijkheden te verruimen om publiekrechtelijke rechtspersonen en/of feitelijk leidinggevers daarvan strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02651 E
Datum 25 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag, economische kamer, van 2 juli 2024, nummer 22-000955-18, in de strafzaak
tegen
GEMEENTE ZOETERMEER ,
gevestigd in Zoetermeer ,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de verdachte heeft de advocaat N. Gonzalez Bos het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte (hierna: de gemeente). Het voert daartoe aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de gemeente strafrechtelijke immuniteit toekomt.
Het arrest van het hof
2.2.1
Aan de gemeente is tenlastegelegd dat:
“de gemeente Zoetermeer in de periode 2004 tot en met 2009 te Zoetermeer meermalen opzettelijk
(een) handeling (en) met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten, te weten
- het toestaan van en/of
- het niet beëindigen van en/of
- het niet optreden tegen en/of
- het niet openbaar maken van en/of
- waarschuwen voor
niet vergunde emissies van ethyleenoxide (uit de inrichting van [A] B.V. en/of [B] B.V.),
terwijl zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan en toen niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen en/of na te laten, die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken.”
2.2.2
Het hof heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de gemeente omdat haar naar het oordeel van het hof strafrechtelijke immuniteit toekomt. Het hof heeft daartoe overwogen:
“Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich, mede overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoiraantekeningen, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de ‘Guide on Article 2 of the European Convention on Human Rights’ van het EHRM (2023), op het standpunt gesteld dat de verdachte in beginsel strafrechtelijke immuniteit toekomt omdat de tenlastegelegde gedragingen door de gemeente Zoetermeer zijn verricht in het kader van een exclusieve bestuurstaak die alleen door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht, doch dat die immuniteit in het onderhavige geval dient te worden doorbroken omdat zowel artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), betreffende het recht op leven, alsmede artikel 8 EVRM, betreffende het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven nopen tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte nu de gedragingen van de gemeente inbreuk hebben gemaakt op genoemde Verdragsbepalingen.
Voorts heeft de advocaat-generaal (samengevat) betoogd dat bij de beantwoording van de vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte dient te worden doorbroken mede betekenis toekomt aan de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019 in de zogenoemde Urgenda-zaak, alsmede aan de uitspraak van het EHRM van 9 april 2024 in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft (mede) overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota en onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde pleitnota met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging betoogd dat de gemeente strafrechtelijke immuniteit toekomt, omdat de tenlastegelegde gedragingen door de gemeente Zoetermeer zijn verricht in het kader van een exclusieve bestuurstaak die alleen door bestuursfunctionarissen kan worden verricht.
Deze immuniteit kan, aldus de verdediging – anders dan door de advocaat-generaal is betoogd – niet worden doorbroken door de werking van artikel 2 EVRM, betreffende het recht op leven, nu geen sprake is van "a real and immediate risk" zoals bedoeld in EHRM 16 oktober 2003, Fadeyeva/Rusland.
Aan voornoemde uitspraak van de Hoge Raad in de Urgenda-zaak noch aan de EHRM-uitspraak in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland, komt – aldus de verdediging – bij de beantwoording van de vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente Zoetermeer dient te worden doorbroken enige betekenis toe, omdat deze uitspraken enkel betrekking hebben op – kort gezegd – de zorgplicht die op de Staat rust om (op grond van artikelen 2 en 8 EVRM) bescherming te bieden aan burgers van hun recht op leven en hun recht op privé, familie- en gezinsleven. Die uitspraken zien niet mede op de voorwaarden waaronder de strafrechtelijke immuniteit van een verdachte lagere overheid, zoals de gemeente Zoetermeer , kan worden doorbroken.
Derhalve dient het openbaar ministerie, aldus de verdediging, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de gemeente Zoetermeer .
Oordeel hof
Het hof overweegt – deels in navolging van de rechtbank – als volgt.
Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam
Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet, waaronder een gemeente, dient slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen.
Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 24 september 2013, Trafigura/Probo Koala, ruimte gelaten voor het oordeel dat in een voorliggend geval van strafrechtelijke immuniteit geen sprake kan zijn indien de gedragingen van het openbaar lichaam een inbreuk maken op het recht op leven, zoals bedoeld in artikel 2 EVRM in de betekenis die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven.
Doorbreking strafrechtelijke immuniteit
Uit de aangehaalde en ter terechtzitting in hoger beroep besproken rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder uit EHRM 16 oktober 2003, Fadeyeva/Rusland leidt het hof af dat een overheid adequaat dient op te treden in gevallen waarin sprake is van "a real and immediate risk to the life" van personen, ter bescherming van het recht op leven. De adequate reactie hoeft overigens niet altijd een strafrechtelijke te zijn. Als de dreigende schending niet-opzettelijk heeft plaatsgevonden is aan deze verplichting voldaan als voor de slachtoffers de mogelijkheid van civielrechtelijk, bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk rechtsherstel bestaat. In gevallen waarin mensen als gevolg van gevaarlijke (industriële) activiteiten of een natuurramp zijn overleden of in concreet levensgevaar zijn gebracht is een strafrechtelijk onderzoek wel noodzakelijk, ook in gevallen van niet-opzettelijk handelen.
Het niet-vervolgen en bestraffen van overheden kan een schending van artikel 2 EVRM opleveren, als de aan de ‘State officials or bodies’ toe te rekenen schuld meer is dan een beoordelingsfout of onvoorzichtigheid in die zin dat de betreffende autoriteiten ‘fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity’.
Daaruit volgt dat in dergelijke gevallen, waarin als gevolg van ernstige nalatigheid van de betrokken overheidsinstanties dodelijke slachtoffers vallen of burgers (binnen de context van gevaarlijke situaties) aan levensbedreigende risico's worden blootgesteld, het niet-vervolgen of berechten van publiekrechtelijke rechtspersonen vanwege de hen toekomende strafrechtelijke immuniteit een schending van artikel 2 EVRM kan opleveren. Aldus kan een schending van deze Verdragsbepaling leiden tot doorbreking van de immuniteit van een lagere overheid als de gemeente Zoetermeer .
Aan de door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad in de zogenoemde Urgenda-zaak, alsmede aan de uitspraak van het EHRM van 9 april 2024 in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland, komt bij de beantwoording van de hier voorliggende vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte gemeente dient te worden doorbroken naar het oordeel van het hof geen betekenis toe, nu deze – civielrechtelijke – uitspraken geen betrekking hebben op die vraag, maar op de vraag welke verantwoordelijkheid de Staat mede op grond van de artikelen 2 en 8 EVRM heeft in relatie tot het optreden tegen gevaarlijke klimaatverandering. De door de advocaat-generaal aangehaalde ‘Guide on Article 2 of the European Convention on Human Rights’, een uitgave van het EHRM die blijkens de "note to readers" (p. 5) enkel tot doel heeft "to inform legal practitioners about the fundamental judgments and decisions delivered by the Strasbourg Court", maakt dat oordeel niet anders.
Conclusie
Strafrechtelijke vervolging van een lagere overheid, zoals in de onderhavige zaak de verdachte gemeente Zoetermeer , is aldus rechtens alleen mogelijk in twee gevallen:
a) er is geen sprake van gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht en
b) er is wel sprake van dergelijke gedragingen, maar deze gedragingen maken een inbreuk op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM, welke inbreuk de strafrechtelijk immuniteit van de gemeente doorbreekt.
Beoordeling vraag strafrechtelijke immuniteit verdachte
Ad a) Kunnen de tenlastegelegde gedragingen niet anders dan door bestuursfunctionarissen worden verricht?
De tenlastegelegde gedragingen komen er samengevat op neer dat verdachte heeft ingestemd met handelen van [A] B.V. (hierna: [A] ) in strijd met de vergunningsvoorschriften en dat zij (de gemeente) daarvan geen kennis heeft gegeven aan omwonenden, naastgelegen bedrijven, politie of justitie noch anderszins actie heeft ondernomen. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Ingevolge de bepalingen van de Wet milieubeheer, zoals deze wet destijds gold, was de bestuurlijke handhaving van ingevolge die wet verleende vergunningen opgedragen aan het College van Burgemeester en Wethouders en daarmee aan de gemeente. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte, in elk geval periodiek, met het handelen van [A] in strijd met de vergunningsvoorschriften meer of (veelal) minder expliciet heeft ingestemd.
De vraag die voorligt is of dit instemmen – of: gedogen – met de overschrijdingen een gedraging is die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, waardoor het uitgesloten is dat derden op gelijke voet met het openbaar lichaam, de gemeente, aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Gedogen (het niet handhaven), zo overweegt het hof met de rechtbank, is een discretionaire bevoegdheid die uitsluitend aan de gemeente (het College van Burgemeester en Wethouders) toekomt en waarvan na zorgvuldige belangenafweging gebruik kan worden gemaakt. Hoewel in casu niet of nauwelijks sprake is geweest van een zorgvuldige afweging is het naar het oordeel van het hof nog steeds een gedraging die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem slechts door een bestuursfunctionaris kan worden verricht. Het gedogen dat een regel of een voorschrift wordt overtreden, kan immers uitsluitend geschieden door een bestuursfunctionaris die met handhaving is belast.
Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de in de tenlastelegging genoemde gedragingen omschreven achter het eerste tot en met het derde gedachtestreepje, te weten het toestaan van en/of het niet beëindigen van en/of het niet optreden tegen niet vergunde emissies van ethyleenoxide niet anders worden gezien dan als gedragingen in het kader van de beslissing om het handelen van [A] te gedogen. Het gaat dan ook om gedragingen, voortvloeiend uit en samenhangend met de wettelijke aan de gemeente (het College van Burgemeester en Wethouders) opgedragen taak, waarvoor de gemeente bestuurlijke verantwoordelijkheid blijft dragen, terwijl de uitvoering van die taak niet door anderen dan gemeenteambtenaren of met hen gelijkgestelden kan worden verricht.
Ad b) Is sprake van een geval waarin de gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht een inbreuk opleveren op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM, welke inbreuk de strafrechtelijke immuniteit doorbreekt?
Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak die noopt tot een doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente, overweegt het hof, met de rechtbank, als volgt.
Het procesdossier bevat meerdere rapporten die ingaan op de vraag wat de gezondheidsrisico's van ethyleenoxide in het algemeen zijn en wat de ernstige gevolgen van het emitteren van die stof via de zogenaamde calamiteitenpijp door [A] kunnen zijn geweest. Eenduidige conclusies zijn uit die rapporten en onderzoeken echter niet te trekken, zoals ook door de advocaat-generaal is onderschreven. Wel is door verschillende internationale onderzoeksinstituten vastgesteld dat ethyleenoxide carcinogene effecten heeft, een extra kans op kanker geeft. Tegelijkertijd wordt ook algemeen aanvaard dat sommige stoffen met carcinogene effecten (moeten) worden gebruikt, met het oog waarop onder meer voor ethyleenoxide een maximaal toelaatbaar risico (MTR) is berekend. Hoewel de rapporten ook op dit punt niet allemaal eenduidig zijn, is aannemelijk dat dit MTR door de emissie van ethyleenoxide door [A] in de tenlastegelegde periode fors werd overschreden. Evenwel is het hof met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico’s als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan. Evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van het bedrijf. Derhalve kan rechtens niet worden vastgesteld dat sprake is of is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ van omwonenden en personen werkzaam in omliggende bedrijven van [A] . Artikel 2 EVRM dwingt naar het oordeel van het hof dan ook niet tot strafrechtelijke vervolging van de gemeente.
Hoeveel kritiek ook kan worden (en is) uitgeoefend op het (niet) handelen van de gemeente en hoeveel vraagtekens ook kunnen worden (en zijn) geplaatst bij het optreden van de betreffende bestuursfunctionaris, nu ‘a real and immediate risk to the life’ niet kan worden vastgesteld, wordt de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente niet doorbroken en komt het hof dus ook niet toe aan de vraag of sprake is geweest van strafbare, ernstige nalatigheid aan de kant van de gemeente. Het vorenstaande leidt het hof -gelijk de rechtbank- tot de slotsom, dat de gemeente in dit geval strafrechtelijke immuniteit toekomt en dat het openbaar ministerie, voor zover de dagvaarding niet aan nietigheid lijdt, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.”
Het oordeel van de Hoge Raad
2.3
In het arrest van 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1607, rechtsoverweging 2.4, heeft de Hoge Raad, onder verwijzing naar het arrest van 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342, onder meer overwogen:
“Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet dient alleen te worden aangenomen als de betreffende gedragingen naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen.”
2.4.1
Deze zaak kenmerkt zich hierdoor dat de gemeente, kort gezegd, wordt verweten niet te hebben opgetreden tegen emissies van schadelijke stoffen, terwijl zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat het hierbij gaat om gedragingen, zoals bedoeld onder 2.3, die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak. Het cassatiemiddel roept de vraag op of in zo’n geval de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente op grond van artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) moet worden “doorbroken” in die zin dat de beperking van de strafrechtelijke aansprakelijkheid die hiervoor onder 2.3 is weergegeven dan niet geldt.
2.4.2
Artikel 2 EVRM beschermt het recht op leven. Volgens vaste rechtspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) omvat deze bepaling mede de positieve verplichting van een verdragsstaat om passende maatregelen te nemen om het leven te beschermen van eenieder die onder zijn rechtsmacht valt. Welke maatregelen in het gegeven geval passend zijn om aan deze verplichting te voldoen, hangt volgens de rechtspraak van het EHRM af van de omstandigheden van dat geval. Verdragsstaten hebben daarbij een ruime beoordelingsvrijheid om te bepalen hoe zij dit in hun nationale recht vormgeven. Bij de vraag of bij (industriële) activiteiten die ernstige, levensbedreigende, milieuverontreiniging tot gevolg hebben de betreffende positieve verplichting op grond van artikel 2 EVRM in voldoende mate is nageleefd, komt mede betekenis toe aan het geheel aan mogelijkheden dat door het recht van een verdragsstaat wordt geboden om tegen vermeende inbreuken op artikel 2 EVRM op te komen en/of de hierbij betrokken (rechts)personen – waaronder begrepen publiekrechtelijke rechtspersonen – ter verantwoording te roepen. Daarbij kan, naast politieke verantwoordingsmechanismen, onder meer worden gedacht aan mogelijkheden van bestuurs- of civielrechtelijke aard, terwijl onder omstandigheden ook een strafrechtelijke aanpak vereist kan zijn. De rechtspraak van het EHRM dwingt – ook in het licht van de jurisprudentie die is geschetst in de conclusie van de advocaat-generaal onder 16 tot en met 25 – er bij de huidige stand van zaken echter niet toe dat in het hiervoor onder 2.4.1 bedoelde geval (ook) de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon strafrechtelijk kan worden vervolgd.
2.4.3
Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de gemeente niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.
2.5
Het cassatiemiddel faalt.
2.6
Opmerking verdient nog het volgende. Hoewel niet in algemene bewoordingen valt aan te geven welke maatregelen verdragsstaten minimaal moeten nemen om de positieve verplichtingen op grond van artikel 2 EVRM na te leven en bij de huidige stand van de rechtspraak daaruit – zoals onder 2.4.2 is overwogen – ook niet volgt dat een publiekrechtelijke rechtspersoon moet kunnen worden vervolgd om aan die verplichtingen te voldoen, kan een wettelijke mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van publiekrechtelijke rechtspersonen en/of de feitelijk leidinggevers daarvan wel bijdragen aan een instrumentarium dat in zijn geheel beschouwd, in het licht van artikel 2 EVRM, als adequaat kan worden aangemerkt. In dat verband is van belang dat een initiatiefwetsvoorstel dat strekte tot – kort gezegd – de opheffing van strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers, op 10 november 2015 door de Eerste Kamer is verworpen (Handelingen I 10 november 2015, nr. 7, item 5). Tegen die achtergrond zal in de eerste plaats door de wetgever onder ogen moeten worden gezien of alsnog behoefte bestaat de mogelijkheden te verruimen om publiekrechtelijke rechtspersonen en/of de personen die feitelijk leiding hebben gegeven aan de betreffende gedraging strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen stellen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, M. Kuijer, C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2025.
Conclusie 02‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Economische zaak. OM-cassatie. Strafrechtelijke immuniteit gemeente. Middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging. De AG wijst op toepasselijke overwegingen uit Pikmeer II inzake vervolgbaarheid van decentrale overheden. Het standpunt dat vervolging van een gemeente mogelijk is ingeval sprake is van gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht, maar deze gedragingen inbreuk maken op het recht op leven a.b.i. art. 2 EVRM, getuigt volgens de AG van een onjuiste rechtsopvatting. Conclusie strekt tot verwerping.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02651 E
Zitting 2 september 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
GEMEENTE ZOETERMEER,
gevestigd te Zoetermeer,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 2 juli 2024 de dagvaarding deels nietig verklaard en het openbaar ministerie voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.
Het cassatieberoep is ingesteld door H.H.J. Knol, advocaat-generaal bij het gerechtshof Den Haag. Namens het openbaar ministerie heeft [naam 1] , plaatsvervangend advocaat-generaal bij het ressortsparket, een middel van cassatie voorgesteld. N. Gonzales Bos heeft namens de verdachte een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.1.
3. Uit artikel 437, eerste lid, Sv volgt dat indien het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, het op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht is (binnen een nader omschreven termijn) ‘een schriftuur in te dienen, houdende zijn middelen van cassatie’. Wie daartoe namens het openbaar ministerie bevoegd is, volgt niet uit dit artikel, en evenmin uit artikel 452 Sv. Het voorstel van het nieuwe wetboek bevat op dit punt een meer uitgewerkte regeling. ‘Een rechtsmiddel dat aan het openbaar ministerie is toegekend, wordt ingesteld door de officier van justitie of, in het geval het rechtsmiddel zich richt tegen een beslissing van het gerechtshof, de advocaat-generaal’ (artikel 5.2.2, eerste lid). ‘Op de indiening van schrifturen zijn de artikelen 5.2.2 en 5.2.4 van overeenkomstige toepassing’ (artikel 5.2.5, eerste lid). Daarmee volgt uit de voorgestelde regeling dat cassatieschrifturen uitsluitend door advocaten-generaal (waaronder tevens plaatsvervangend advocaten-generaal zijn te verstaan) kunnen worden ingediend. Bij de actualisering van het Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheden officier van justitie die in de memorie van toelichting in het vooruitzicht wordt gesteld, zou wellicht kunnen worden vastgelegd dat (ook) deze bevoegdheid, net als die tot het instellen en intrekken van het cassatieberoep, niet kan worden gemandateerd.2.
4. Het middel betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte, een gemeente. Voordat ik het middel bespreek, geef ik passages uit het bestreden arrest weer die aan deze einduitspraak ten grondslag liggen. Ook citeer ik passages uit het requisitoir.
Het bestreden arrest
5. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen (met overneming onder vernummering van voetnoten):
‘Procesgang
In eerste aanleg is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte.
Door de officier van justitie is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
de gemeente Zoetermeer in de periode 2004 tot en met 2009 te Zoetermeer meermalen opzettelijk
(een) handeling (en) met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten, te weten
- het toestaan van en/of
- het niet beëindigen van en/of
- het niet optreden tegen en/of
- het niet openbaar maken van en/of
- waarschuwen voor
niet vergunde emissies van ethyleenoxide (uit de inrichting van [A] B.V. en/of [B] B.V.),
terwijl zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden en/of konden ontstaan en toen niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen en/of na te laten, die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen en/of te beperken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat:
- het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd,
- het hof het openbaar ministerie; zoals hieronder nader uiteengezet, ontvankelijk zal verklaren in de vervolging van de verdachte,
- de verdachte van alle rechtsvervolging ontslagen zal worden voor zover het betreft het niet openbaar maken van en/of waarschuwen voor niet vergunde emissies van ethyleenoxide en
- dat de verdachte ter zake van hetgeen overigens is tenlastegelegd zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,00.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.
De geldigheid van de dagvaarding
Met de verdediging is het hof van oordeel dat de dagvaarding zover het betreft het niet openbaar maken van en/of waarschuwen voor niet vergunde emissies van ethyleenoxide, zoals achter het vierde respectievelijk het vijfde gedachtestreepje is tenlastegelegd, innerlijk tegenstrijdig is en niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) daaraan stelt, nu niet begrijpelijk is dat door het niet openbaar maken van en/of waarschuwen voor niet vergunde emissies van ethyleenoxide nadelige gevolgen voor het milieu zijn of konden ontstaan.
Derhalve zal het hof de dagvaarding in zoverre nietig verklaren. Voor het overige is de dagvaarding geldig.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich, mede overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoiraantekeningen, onder verwijzing naar een aantal uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)3.en de ‘Guide on Article 2 of the European Convention on Human Rights’ van het EHRM (2023), op het standpunt gesteld dat de verdachte in beginsel strafrechtelijke immuniteit toekomt omdat de tenlastegelegde gedragingen door de gemeente Zoetermeer zijn verricht in het kader van een exclusieve bestuurstaak die alleen door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht, doch dat die immuniteit in het onderhavige geval dient te worden doorbroken omdat zowel artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) , betreffende het recht op leven, alsmede artikel 8 EVRM, betreffende het op recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven nopen tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte, nu de gedragingen van de gemeente inbreuk hebben gemaakt op genoemde Verdragsbepalingen.
Voorts heeft de advocaat-generaal (samengevat) betoogd dat bij de beantwoording van de vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte dient te worden doorbroken mede betekenis toekomt aan de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2019 in de zogenoemde Urgenda-zaak4., alsmede aan de uitspraak van het EHRM van 9 april 2024 in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland5..
Standpunt verdediging
De verdediging heeft (mede) overeenkomstig de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota en onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde pleitnota met betrekking tot de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging betoogd dat de gemeente strafrechtelijke immuniteit toekomt, omdat de tenlastegelegde gedragingen door de gemeente Zoetermeer zijn verricht in het kader van een exclusieve bestuurstaak die alleen door bestuursfunctionarissen kan worden verricht.
Deze immuniteit kan, aldus de verdediging - anders dan door de advocaat-generaal is betoogd - niet worden doorbroken door de werking van artikel 2 EVRM, betreffende het recht op leven, nu geen sprake is van "a real and immediate risk" zoals bedoeld in EHRM 16 oktober 2003, Fadeyeva/Rusland6..
Aan voornoemde uitspraak van de Hoge Raad in de Urgenda-zaak noch aan de EHRM-uitspraak in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland, komt - aldus de verdediging - bij de beantwoording van de vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente Zoetermeer dient te worden doorbroken enige betekenis toe, omdat deze uitspraken enkel betrekking hebben op - kort gezegd - de zorgplicht die op de Staat rust om (op grond van artikelen 2 en 8 EVRM) bescherming te bieden aan burgers van hun recht op leven en hun recht op privé, familie- en gezinsleven. Die uitspraken zien niet mede op de voorwaarden waaronder de strafrechtelijk immuniteit van een verdachte lagere overheid, zoals de gemeente Zoetermeer, kan worden doorbroken.
Derhalve dient het openbaar ministerie, aldus de verdediging, niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging van de gemeente Zoetermeer.
Oordeel hof
Het hof overweegt - deels in navolging van de rechtbank - als volgt.
Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam
Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet, waaronder een gemeente, dient slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er wegens de hier te betrachten gelijkheid geen aanleiding immuniteit aan het openbaar lichaam te verlenen.7.
Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 24 september 2013, Trafigura/Probo Koala8., ruimte gelaten voor het oordeel dat in een voorliggend geval van strafrechtelijke immuniteit geen sprake kan zijn indien de gedragingen van het openbaar lichaam een inbreuk maken op het recht op leven, zoals bedoeld in artikel 2 EVRM in de betekenis die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven.
Doorbreking strafrechtelijke immuniteit
Uit de aangehaalde en ter terechtzitting in hoger beroep besproken rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder uit EHRM 16 oktober 2003, Fadeyeva/Rusland9.leidt het hof af dat een overheid adequaat dient op te treden in gevallen waarin sprake is van "a real and immediate risk to the life" van personen, ter bescherming van het recht op leven. De adequate reactie hoeft overigens niet altijd een strafrechtelijke te zijn. Als de dreigende schending niet-opzettelijk heeft plaatsgevonden is aan deze verplichting voldaan als voor de slachtoffers de mogelijkheid van civielrechtelijk, bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk rechtsherstel bestaat. In gevallen waarin mensen als gevolg van gevaarlijke (industriële) activiteiten of een natuurramp zijn overleden of in concreet levensgevaar zijn gebracht is een strafrechtelijk onderzoek wel noodzakelijk, ook in gevallen van niet-opzettelijk handelen.
Het niet-vervolgen en bestraffen van overheden kan een schending van artikel 2 EVRM opleveren, als de aan de ‘State officials or bodies' toe te rekenen schuld meer is dan een beoordelingsfout of onvoorzichtigheid in die zin dat de betreffende autoriteiten ‘fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity'.
Daaruit volgt dat in dergelijke gevallen, waarin als gevolg van ernstige nalatigheid van de betrokken overheidsinstanties dodelijke slachtoffers vallen of burgers (binnen de context van gevaarlijke situaties) aan levensbedreigende risico's worden blootgesteld, het niet-vervolgen of berechten van publiekrechtelijke rechtspersonen vanwege de hen toekomende strafrechtelijke immuniteit een schending van artikel 2 EVRM kan opleveren.
Aldus kan een schending van deze Verdragsbepaling leiden tot doorbreking van de immuniteit van een lagere overheid als de gemeente Zoetermeer.
Aan de door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad in de zogenoemde Urgenda-zaak, alsmede aan de uitspraak van het EHRM van 9 april 2024 in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland, komt bij de beantwoording van de hier voorliggende vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte gemeente dient te worden doorbroken naar het oordeel van het hof geen betekenis toe, nu deze - civielrechtelijke - uitspraken geen betrekking hebben op die vraag, maar op de vraag welke verantwoordelijkheid de Staat mede op grond van de artikelen 2 en 8 EVRM heeft in relatie tot het optreden tegen gevaarlijke klimaatverandering. De door de advocaat-generaal aangehaalde 'Guide on Article 2 of the European Convention on Human Rights', een uitgave van het EHRM die blijkens de "note to readers" (p. 5) enkel tot doel heeft "to inform legal practitioners about the fundamental judgments and decisions delivered by the Strasbourg Court", maakt dat oordeel niet anders.
Conclusie
Strafrechtelijke vervolging van een lagere overheid, zoals in de onderhavige zaak de verdachte gemeente Zoetermeer, is aldus rechtens alleen mogelijk in twee gevallen:
a) er is geen sprake van gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht en
b) er is wel sprake van dergelijke gedragingen, maar deze gedragingen maken een inbreuk op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM, welke inbreuk de strafrechtelijk immuniteit van de gemeente doorbreekt.
Beoordeling vraag strafrechtelijke immuniteit verdachte
Ad a) Kunnen de tenlastegelegde gedragingen niet anders dan door bestuursfunctionarissen worden verricht?
De tenlastegelegde gedragingen komen er samengevat op neer dat verdachte heeft ingestemd met handelen van [A] B.V. (hierna: [A] ) in strijd met de vergunningsvoorschriften en dat zij (de gemeente) daarvan geen kennis heeft gegeven aan omwonenden, naastgelegen bedrijven, politie of justitie noch anderszins actie heeft ondernomen.
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Ingevolge de bepalingen van de Wet milieubeheer, zoals deze wet destijds gold, was de bestuurlijke handhaving van ingevolge die wet verleende vergunningen opgedragen aan het College van Burgemeester en Wethouders en daarmee aan de gemeente. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte, in elk geval periodiek, met het handelen van [A] in strijd met de vergunningsvoorschriften meer of (veelal) minder expliciet heeft ingestemd.
De vraag die voorligt is of dit instemmen - of: gedogen - met de overschrijdingen een gedraging is die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kan worden verricht in het kader van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, waardoor het uitgesloten is dat derden op gelijke voet met het openbaar lichaam, de gemeente, aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.
Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord.
Gedogen (het niet handhaven), zo overweegt het hof met de rechtbank, is een discretionaire bevoegdheid die uitsluitend aan de gemeente (het College van Burgemeester en Wethouders) toekomt en waarvan na zorgvuldige belangenafweging gebruik kan worden gemaakt. Hoewel in casu niet of nauwelijks sprake is geweest van een zorgvuldige afweging is het naar het oordeel van het hof nog steeds een gedraging die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem slechts door een bestuursfunctionaris kan worden verricht. Het gedogen dat een regel of een voorschrift wordt overtreden, kan immers uitsluitend geschieden door een bestuursfunctionaris die met handhaving is belast.
Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de tenlastelegging genoemde gedragingen omschreven achter het eerste tot en met het derde gedachtestreepje, te weten het toestaan van en/of het niet beëindigen van en/of het niet optreden tegen niet vergunde emissies van ethyleenoxide niet anders worden gezien dan als gedragingen in het kader van de beslissing om het handelen van [A] te gedogen. Het gaat dan ook om gedragingen, voortvloeiend uit en samenhangend met de wettelijke aan de gemeente (het College van Burgemeester en Wethouders) opgedragen taak, waarvoor de gemeente bestuurlijke verantwoordelijkheid blijft dragen, terwijl de uitvoering van die taak niet door anderen dan gemeenteambtenaren of met hen gelijkgestelden kan worden verricht.
Ad b) Is sprake van een geval waarin de gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht een inbreuk opleveren op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM, welke inbreuk de strafrechtelijk immuniteit doorbreekt?
Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is geweest van ‘a real and immediate risk to the life' in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak die noopt tot een doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente, overweegt het hof, met de rechtbank, als volgt.
Het procesdossier bevat meerdere rapporten die ingaan op de vraag wat de gezondheidsrisico's van ethyleenoxide in het algemeen zijn en wat de ernstige gevolgen van het emitteren van die stof via de zogenaamde calamiteitenpijp door [A] kunnen zijn geweest. Eenduidige conclusies zijn uit die rapporten en onderzoeken echter niet te trekken, zoals ook door de advocaat-generaal is onderschreven. Wel is door verschillende internationale onderzoeksinstituten vastgesteld dat ethyleenoxide carcinogene effecten heeft, een extra kans op kanker geeft. Tegelijkertijd wordt ook algemeen aanvaard dat sommige stoffen met carcinogene effecten (moeten) worden gebruikt, met het oog waarop onder meer voor ethyleenoxide een maximaal toelaatbaar risico (MTR) is berekend. Hoewel de rapporten ook op dit punt niet allemaal eenduidig zijn, is aannemelijk dat dit MTR door de emissie van ethyleenoxide door [A] in de tenlastegelegde periode fors werd overschreden. Evenwel is het hof met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan. Evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van het bedrijf. Derhalve kan rechtens niet worden vastgesteld dat sprake is of is geweest van ‘a real and immediate risk to the life' van omwonenden en personen werkzaam in omliggende bedrijven van [A] . Artikel 2 EVRM dwingt naar het oordeel van het hof dan ook niet tot strafrechtelijke vervolging van de gemeente.
Hoeveel kritiek ook kan worden (en is) uitgeoefend op het (niet) handelen van de gemeente en hoeveel vraagtekens ook kunnen worden (en zijn) geplaatst bij het optreden van de betreffende bestuursfunctionaris, nu ‘a real and immediate risk to the life' niet kan worden vastgesteld, wordt de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente niet doorbroken en komt het hof dus ook niet toe aan de vraag of sprake is geweest van strafbare, ernstige nalatigheid aan de kant van de gemeente.
Het vorenstaande leidt het hof - gelijk de rechtbank - tot de slotsom, dat de gemeente in dit geval strafrechtelijke immuniteit toekomt en dat het openbaar ministerie, voor zover de dagvaarding niet aan nietigheid lijdt, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart de dagvaarding nietig voor zover het betreft het niet openbaar maken van en/of waarschuwen voor niet vergunde emissies van ethyleenoxide, zoals achter het vierde respectievelijk het vijfde gedachtestreepje is tenlastegelegd.
Verklaart het openbaar ministerie voor het overige niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.’
Het requisitoir
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 18 juni 2024, houdt onder meer in dat het hof in raadkamer acht zal slaan ‘op alle in hoger beroep in het geding ingebrachte pleit- en requisitoiraantekeningen’. Het proces-verbaal houdt voorts in dat de advocaat-generaal het woord voert overeenkomstig haar overgelegde requisitoiraantekeningen. Deze houden onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘1. Gelukkig komen we vandaag ook toe aan de inhoudelijke behandeling van deze strafzaak tegen de gemeente Zoetermeer. Nu het stof is neergedaald, [A] BV is overgenomen door [C] BV en het bedrijf uit de gemeente Zoetermeer verdwenen is, is het goed om de wonden te likken en terug te kijken, wat er mis is gegaan. Herstellen is niet mogelijk, maar leren van de gemaakte fouten wel, niet alleen voor de gemeente Zoetermeer, maar hopelijk ook voor andere gemeenten, Provincies en andere openbare lichamen in Nederland. De gevolgen zijn namelijk zeer ernstig. Er zijn veel gevallen van kanker onder de bewoners in de directe omgeving van de plek waar [A] gevestigd was. Ook een werknemer is inmiddels, mogelijk aan de gevolgen van de uitstoot overleden. Het is een feit dat de medische wetenschap niet kan vaststellen, wat exact de oorzaak is van het ontstaan van kanker, maar ook staat vast dat vervuiling van lucht en leefomgeving daar in ernstige mate aan kan bijdragen. In dit geval weten we ook nog dat Ethyleenoxide een zeer giftige en carcinogene stof is.
(…)
I. Handelde de Gemeente ter uitvoering van haar exclusieve overheidstaak:
(…)
10. Conclusie ten aanzien van vraag I:
In casu hebben we te maken met een gemeente die optreedt als vergunningverlener en vergunninghandhaver. Dat is een specifiek aan de gemeente opgedragen taak, die ook door gemeenteambtenaren moet worden uitgevoerd. Het nalaten de naleving van de vergunning te handhaven is naar mijn mening een exclusieve overheidstaak in de zin van het Pikmeer Il-arrest, nu het niet alleen de zorgplicht van de gemeente is om haar burgers te beschermen tegen blootstelling aan giftige, gevaarlijke of ongezonde stoffen, maar ook het feitelijk handhaven van de in dat kader aan bedrijven in de gemeente, die onder haar verantwoordelijkheid vallen, gestelde regels een overheidstaak is, waarvan het is uitgesloten dat dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Het feit dat tegenwoordig de controle en handhaving door de gemeenten wordt opgedragen aan omgevingsdiensten maakt dat niet anders. De Omgevingsdienst is een gemeenschappelijke regeling, die in die hoedanigheid de taken van de gemeenten waarneemt.
II. Heeft de gemeente voldaan aan zijn positieve verplichting om (preventieve) maatregelen te treffen ter bescherming van het in artikel 2 (en/of 8) EVRM omschreven recht op leven en recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven van haar inwoners
(…)
17. De PG’s bij de Hoge Raad F.F. Langemeijer en M.H. Wissink hebben in hun conclusie van 13 september 2019 bij de zaak Urgenda ook een overzicht gegeven van de rechtspraak van het EHRM op de artikelen 2 en 8. De PG's geven een overzicht op de vier essentiële onderdelen van de jurisprudentie over de invulling van het Recht op Leven. Zij noemen dat de 4 hoofdlijnen. Bij de eerste hoofdlijn: Preventieve rechtsbescherming bespreken zij de termen "reëel risico" en onmiddellijkheidsbeginsel: termen, die de rechtbank in zijn vonnis, naar de mening van het OM onjuist heeft gehanteerd en/of geïnterpreteerd. Uit de arresten van het EHRM destilleren de PG’s in hun conclusie dat de overheid zich dient in te spannen om een aantasting van mensenrechten door derden of door andere externe factoren te voorkómen. Het betreft volgens de PG's juist geen resultaatsverplichting. Het feit dat iemand overlijdt, impliceert geen schending van het recht op leven. Het onmiddellijkheidsbeginsel moet volgens de conclusie ruim worden uitgelegd. De conclusie stelt dat het EHRM beslist heeft, dat ook risico's die dreigen op langere termijn, de overheid kunnen nopen tot het treffen van preventieve maatregelen. Het kan zelfs gaan om potentiële, niet onomstotelijk bewezen gezondheidsrisico's. Voldoende is dat door de handelwijze van de overheid een reëel risico wordt veroorzaakt.
18. Bij de bespreking van de tweede hoofdlijn: algemene rechtsbescherming stellen de PG's dat de positieve verplichtingen van de overheid moeten zorgen voor algemene bescherming van de gehele regio of de gehele maatschappij die door de betrokken handelwijze van de overheid getroffen is. Dat is in lijn met het effectiviteitsbeginsel: volgens vaste rechtspraak moeten de bepalingen van het EVRM zodanig worden uitgelegd en toegepast, dat de daarin gewaarborgde rechten praktisch en effectief zijn, zo stelt het EHRM. Dit beginsel past ook bij de "positieve verplichting".
19. Ook de derde hoofdlijn: toetsing van veiligheids- en milieubeleid is voor deze zaak van belang. Het betreft de uitleg aan de woorden van het EHRM in Osman: "margin of appreciation". Deze komt volgens het EHRM aan overheden toe bij de keuze van maatregelen ter uitvoering van hun positieve verplichtingen. Dat neemt niet weg dat de maatregelen tijdig moeten worden genomen en effectief moeten zijn. Er moet door de overheid adequaat zijn gehandeld en daarvan moet bewijs aangeleverd worden. Het EHRM neemt in het arrest Fadeyeva vs Rusland als criterium of de betrokken overheid kan aantonen dat het gevoerde milieubeleid aan de eis van due diligence voldeed. De PG's geven aan dat er vele arresten zijn gevolgd, waarin het due diligence-criterium door het EHRM is gehanteerd. Belangrijk lijkt te zijn of het milieubeleid consistent, deugdelijk onderbouwd en in lijn met de wet- en regelgeving is. Conclusie is volgens de PG's dat de "margin of appriciation" heel beperkt moet worden uitgelegd.
20. Dat is ook de inhoud van de vierde hoofdlijn: de common ground-methode: het internationaal milieurecht en ook ons nationaal milieurecht gaat uit van het voorzorgsbeginsel, dat voorschrijft dat gebrek aan wetenschappelijke zekerheid geen reden mag zijn voor het uitstellen van effectieve en proportionele maatregelen ter voorkoming van ernstige en onomkeerbare (milieu)schade.
21. In die lijn past het om preventieve, effectieve maatregelen te hemen, ook als niet onomstotelijk vaststaat dat door de uitstoot van ethyleenoxide omwonenden kanker krijgen.
22. De Hoge Raad heeft de conclusie in het advies van de PG's gevolgd in zijn arrest en geeft een betekenis aan de verschillende relevante zinsneden in de EHRM-jurisprudentie. In de eerste plaats geeft De Hoge Raad een oordeel over de vraag jegens wie de positieve verplichting van de overheid tot bescherming geldt:
"Art. 2 EVRM beschermt het recht op leven. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM behelst deze bepaling mede de positieve verplichting van een verdragsstaat om passende maatregelen te nemen om het leven te beschermen van eenieder die onder zijn rechtsmacht valt ("to take appropriate steps to safeguard the lives of those within its jurisdiction"). Deze verplichting geldt volgens die rechtspraak onder meer als sprake is van gevaarlijke industriële activiteiten, ongeacht of deze door de overheid zelf of door anderen worden verricht, en ook met betrekking tot natuurrampen. Het EHRM heeft diverse malen een schending van art. 2 EVRM aangenomen ter zake van het handelen of nalaten van een staat in het kader van een natuur- of milieuramp.
23. Vervolgens geeft de Hoge Raad een beslissing over de uitleg, die gegeven moet worden aan de woorden "real and immediate risk":
De gehoudenheid tot het nemen van passende maatregelen bestaat als er een 'real and immediate risk' voor personen is en de betrokken staat van dat gevaar op de hoogte is. Onder 'real and immediate risk' valt in dit verband te verstaan een gevaar dat reëel en direct is. Het begrip 'immediate' ziet niet op de onmiddellijkheid van het gevaar in de betekenis dat sprake moet zijn van een kort tijdsverloop tot de verwezenlijking ervan, maar in de betekenis dat sprake moet zijn van een gevaar dat de betrokken personen rechtstreeks bedreigt. De bescherming van art. 2 EVRM ziet ook op gevaren die zich pas op langere termijn kunnen verwezenlijken".
24. In het vervolg legt de Hoge Raad nogmaals uit wie door de overheid beschermd moeten worden:
"De bescherming van de art. 2 en 8 EVRM ziet niet alleen op specifieke personen, maar ook op de samenleving of bevolking als geheel. Van dat laatste is onder meer sprake als het gaat om milieugevaren. Bij milieugevaren die een geheel gebied bedreigen, bieden de art. 2 en 8 EVRM bescherming aan de ingezetenen van dat gebied.”
25. En tenslotte geeft de Hoge Raad uitleg aan de reikwijdte van de "preventieve maatregelen" en aan die van de "margin of appriciation":
"De verplichting om op grond van de art. 2 en 8 EVRM passende maatregelen te nemen, houdt mede in dat staten gehouden zijn om preventief maatregelen te nemen tegen het gevaar, ook als niet zeker is dat het gevaar zich zal verwezenlijken. Dit strookt met het voorzorgsbeginsel. Als duidelijk is dat het hiervoor in 5.2.2 en 5.2.3 bedoelde 'real and immediate risk' bestaat, hebben de staten, zonder dat hun daarbij een 'margin of appreciation’ toekomt, een verplichting tot het nemen van passende maatregelen. De staten hebben wel vrijheid bij de keuze van de te nemen maatregelen, zij het dat deze daadwerkelijk redelijk en geschikt moeten zijn. De Hoge Raad herhaalt hierbij het door het EHRM gehanteerde begrip "due diligence", in het strafrecht te vertalen met zorgplicht".
26. Hoewel het arrest inzake Urgenda niet door een strafkamer van de Hoge Raad is uitgesproken, zijn de bevindingen met betrekking tot de uitleg van de arresten van het EHRM vanzelfsprekend ook in deze zaak van belang.
27. Deze uitspraak van de Hoge Raad in 2019, is, voor zover het de interpretatie betreft, van eerdere uitspraken van het EHRM, bevestigd door de uitspraak van het EHRM in de zaak van de Klimaseniorinnen e.a. vs Zwitserland. In deze zaak concludeert het Europees Hof dat Zwitserland weliswaar een "wide margin of appriciation" toekomt bij het nakomen van haar positieve verplichtingen, maar vervolgens stelt het EHRM dat die marge beperkt wordt door een aantal regels, die erop neerkomen dat getoetst moet worden aan de daadwerkelijke effectiviteit van het resultaat van de maatregelen. Omdat daaraan niet was voldaan, werd Zwitserland in het ongelijk gesteld.
28. Conclusie AG:
Het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM) dienen door de overheid niet alleen gerespecteerd te worden maar zij verplichten de overheden om actief preventieve maatregelen te nemen ter bescherming van de burgers/inwoners tegen een inbreuk op deze mensenrechten door derden of de overheid zelf. Om een mogelijke inbreuk op dit recht op leven te voorkomen, dienen de maatregelen van de overheid effectief te zijn ter bescherming van de mensen in de hele regio. Het risico op inbreuk op het recht van leven kan veroorzaakt worden door industriële activiteiten.
Het risico dat noopt tot preventieve maatregelen kan ook een risico zijn dat zich mogelijk voordoet op langere termijn.
De overheid moet kunnen aantonen op welke wijze zij adequaat heeft opgetreden.
De feiten
29. Het bedrijf [A] steriliseert medische apparatuur. Daarbij wordt het zeer giftige en carcinogene middel ethyleenoxide gebruikt. Uit de veiligheidskaart blijkt dat het bij inademen keelpijn en hoesten, duizeligheid, hoofdpijn en misselijkheid veroorzaakt, alsmede slecht zien en bevriezingsverschijnselen op de huid. Verder vermeldt het veiligheidsblad dat de stof via inademing en opname via de huid in het lichaam wordt opgenomen. Een voor de gezondheid gevaarlijke concentratie in de lucht kan zeer snel worden bereikt. De directe gevolgen zijn longoedeem en bij hoge concentratie de dood. De gevolgen bij langdurige herhaalde blootstelling is dat het op lever, nieren en zenuwstelsel kan inwerken, eczeemachtige verschijnselen op de huid kan veroorzaken, kankerverwekkend is en schade kan toebrengen aan de erfelijke eigenschappen.
30. Vanzelfsprekend heeft het bedrijf een milieuvergunning. Deze was aangevraagd bij het bevoegd gezag, dat was destijds de gemeente Zoetermeer. Op grond van artikel 8.11 Wm moet een milieuvergunning verleend worden onder het stellen van voorschriften, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, tot een minimum te beperken. Daarbij wordt ervanuit gegaan dat in de inrichting de voor die inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken worden toegepast.
31. In 2001 heeft [A] een nieuwe Wm-vergunning aangevraagd. De aanvraag voor de nieuwe vergunning had vooral te maken met het niet kunnen halen van de door de gemeente in de eerdere milieuvergunning gestelde maximale uitstoot van ethyleenoxide van de wasinstallatie (scrubber). Deze was 8 mg/m3. De maximale uitstoot van de naverbrander was 2 mg/m3, hetgeen voor het bedrijf haalbaar was. Het bedrijf geeft aan van alles te hebben geprobeerd, maar niet lager te kunnen komen dan 15 mg/m3 lucht. Deze vergunningswijziging is door de gemeente geaccepteerd. De voorschriften blijven overigens gehandhaafd, dat wil zeggen dat emissie uit de sterilisatoren via de naverbrandingsinstallatie (icinerator) moet plaatsvinden en dan niet meer mag bedragen dan 2 mg/m3.
32. De regels zijn gegeven, de gemeente voldoet daarmee in principe aan haar positieve verplichting op grond van de JP van het EHRM inzake artikel 2. De effectiviteit van het optreden is echter afhankelijk van de controle op en handhaving van de regels.
Volgens de vergunning moet het bedrijf elk kwartaal analyseresultaten sturen naar de gemeente van representatieve monsters van de emissie van beide installaties. Uit het overzicht in het schriftelijk standpunt van het OM van 16 oktober 2017, met verwijzing naar onderliggende documentatie in het dossier, blijkt dat de gestelde maxima in de jaren 2004 - 2009 niet werden gehaald. Ook blijkt dat zeer regelmatig geen analyseresultaten naar de gemeente zijn gestuurd.
33. Feiten over de emissies:
De emissie uit de scrubber was vanaf februari 2004 t/m juni 2006 telkens boven de 15 mg/m3, zo ook 4 maanden in 2007, 5 maanden in 2008, waarbij aangetekend moet worden dat er van de tweede helft 2008 geen metingen zijn gestuurd naar de gemeente, en 5 maanden in 2009.
De emissie uit de icinerator was in 2004 een aantal malen te hoog. Bovendien was er in juni 2 dagen een storing, zodat helemaal niet via de naverbrander werd geëmitteerd. In 2005 was de icinerator van maart tot en met december kapot. Dat betrof 282 dagen. De productie ging gewoon door. De ethyleenoxide werd via de calamiteitenpijp uitgestoten, zonder te zijn verbrand, met toestemming van de gemeente. In 2006 was de icinerator het hele jaar kapot. 365 dagen breakdown. Dat betekent dat het hele jaar via de calamiteitenpijp werd geloosd. Ook in 2007 was de icinerator kapot. Er was een nieuwe icinerator, maar die functioneerde blijkbaar niet. Aantal breakdowndagen: 351. En hetzelfde geldt voor 2008; aantal breakdowndagen: 316. En ook zo in 2009; in totaal heeft de icinerator 22 dagen gewerkt in 2009.
34. De handelwijze van de gemeente:
Niet alleen vergunningverlening, maar ook het controleren op de naleving van de vergunningsvoorschriften en de handhaven van die vergunningsvoorschriften is een taak van de gemeente. Als een bedrijf niet voldoet aan de haar gestelde voorschriften, dient de gemeente effectief en adequaat op te treden om overtreding te stoppen en het bedrijf weer in de pas te laten lopen. Dat vraagt in elk geval het EHRM van de Gemeente, opdat de Gemeente niet een inbreuk maakt op het recht op leven van de inwoners.
35. Dat handhavend optreden is niet gebeurd, integendeel: Uit de mails van de gemeenteambtenaar [betrokkene 1] aan [A] blijkt dat de gemeente, hoewel op de hoogte van de enorme en voortdurende overschrijdingen van de emissienormen en het bij tijd en wijle achterwege blijven van analyseresultaten, zodat de controlemogelijkheid van de gemeente illusoir werd, het bedrijf geen haarbreed in de weg heeft gelegd. Het bedrijf wordt zelfs gecomplimenteerd met zijn slechte resultaten. In 2004 betrof het vooral de emissiewaarden uit de wasinstallatie die niet voldeden. Toch kreeg het bedrijf mailtjes, waarin bijv stond op 2 juli 2004: "Wij zijn verheugd met de door uw bedrijf bereikte resultaten" , terwijl het kwartaaloverzicht van het eerste kwartaal 2004 overschrijdingen van het emissievoorschrift van 37% tot 80% lieten zien en op 11 augustus 2005 "zoals afgesproken ontvangen wij al jaren elk kwartaal de emissie-resultaten van zowel de naverbrander als de wasinstallatie. Ziet er heel goed uit". Maar het kwartaaloverzicht van 12 juli 2005 laat overschrijdingen van de wasinstallatie zien van 6% tot 67%, terwijl de icinerator vanaf maart 2005 al niet werkte. Er werden in heel 2005 dan ook geen metingen bij de naverbrandingsinstallatie verricht of toegestuurd aan de gemeente. En zo verder in 2006 op 27 oktober: "Wij zijn verheugd met de door uw bedrijf bereikte resultaten", terwijl de overschrijdingen in de wasinstallatie op dat moment blijkens de kwartaalrapportages tussen 32% en 67% lagen en de icinerator het hele jaar niet heeft gewerkt.
36. [betrokkene 1] verklaart dat de gemeente toestemming heeft gegeven om via de calamiteitenpijp te lozen en niet heeft overwogen om het proces stil te leggen. Hij verklaart ook dat hij wist dat de norm werd overschreden, door de kwartaalrapportages, die hij ontving. Hij verklaart geweten te hebben dat de icinerator eind 2006 en in 2007 met korte tussenpozen niet heeft gefunctioneerd. Dan werd via de calamiteitenpijp ethyleenoxide geloosd, "dat kon gebeuren omdat het bedrijf en ik weten dat het geen gevaar voor de volksgezondheid opleverde" . Bij de RC verklaarde [betrokkene 1] ook dat de gemeente het nut niet inzag om handhavend op te treden tegen [A] in verband met het langdurig gebruik van de calamiteitenpijp. Hij verklaart verder dat het een bewuste keuze van de gemeente was om niet te handhaven in verband met de overschrijdingen.
37. Conclusie AG:
Het is overduidelijk dat de gemeente op de hoogte was van de overschrijdingen bij de emissie van de wasinstallatie en het niet functioneren van de naverbrandingsinstallatie, zodat daar de ethyleenoxide onverbrand werd uitgestoten. Dit was in strijd met de door de gemeente zelf gestelde voorschriften. Toch heeft de gemeente niets gedaan om deze uitstoot te voorkomen dan wel te stoppen en de gevolgen daarvan tot een minimum te beperken.
De gemeente had daartoe wel de mogelijkheden. De gemeente had zelf met bestuursdwang het bedrijf stil kunnen leggen of via een dwangsom het bedrijf kunnen verplichten zich aan de regels te houden. Daarnaast had de gemeente aangifte kunnen doen tegen [A] , nu zij op de hoogte was van de gepleegde milieuovertredingen. In plaats daarvan leek de gemeente het strafwaardig gedrag van [A] aan te moedigen en te ondersteunen, met de hiervoor genoemde mails. De gemeente heeft dus geen effectief beleid gevoerd en heeft niet voldaan aan de positieve verplichting om op effectieve manier de inwoners van Zoetermeer te beschermen tegen de door [A] gemaakte inbreuk op hun recht op leven.
38. Nader over de gevaren van ethyleenoxide:
Ethyleenoxide is in de Nederlandse Emissie Richtlijn 2000 al ingedeeld als MVP 2 stof, dat wil zeggen dat er voor ethyleenoxide (ETO) een minimalisatieverplichting geldt. Sinds 2013 staat ETO op de Europees lijst van zeer zorgwekkende stoffen met een maximum uitstoot van 3 microgram per m3. Ethyleenoxide is een genotoxische carcinogene stof. Dat betekent dat de stof een volledige Carcinogene stof is, een initiator. De werking van deze groep stoffen wordt als stochastisch beschouwd, wat het ontbreken impliceert van een drempel, dat wil zeggen van een niveau van blootstelling waarbij en waar beneden onomkeerbare veranderingen in het DNA niet optreden. Bij deze werking neemt over een bepaald blootstellingstraject de kans op een effect toe met toenemende blootstelling. Het verschil in werkingsmechanisme tussen genotoxische en niet-genotoxische carcinogenen vindt zijn weerslag in de methode van risicoschatting. De risicoschatting voor genotoxische carcinogenen vindt plaats met behulp van lineaire extrapolatie, die voor niet-genotoxische carcinogenen behelst afleiding van een (waargenomen) ‘geen-nadelig-effect-niveau’ (drempel) en toepassing van een veiligheidsfactor.
39. Uit het rapport van dr ir Jan Baeyens en het NFI-rapport blijkt dat de emissie vanaf [A] in de gehele betrokken periode tot een afstand van 600 meter van het bedrijf hoger is geweest dan het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR). Het MTR in Nederland was in 2002 2,4 microgram per kubieke meter lucht.
40. In het rapport van M. van Bruggen e.a. in opdracht van het RIVM “risicobeoordeling emissie ethyleenoxide Zoetermeer" uit 2010 wordt niet veel nieuws vermeld, met uitzondering van de berekening en beschrijving van het aantal mensen dat gedurende de onderzoeksperiode 2006-2008 is blootgesteld aan een te hoge concentratie ethyleenoxide in de lucht. In elk geval zijn volgens het rapport tenminste 900 bewoners en 1150 werknemers blootgesteld aan tenminste 10 microgram/m3 lucht (in plaats van 2,4 of 3 microgram/m3).
41. Conclusie ten aanzien van risico blootstelling
Uit de veelzijdige informatie blijkt eensluidend dat ethyleenoxide een gevaarlijke genotoxische carcinogene stof is, waarvan getracht moet worden mensen er niet aan bloot te stellen.
Gelet op de JP van het EHRM rond het Recht op Leven, eerder genoemd, stelt het OM vast dat de gemeente Zoetermeer zeer grovelijk haar plicht heeft verzaakt om de inwoners van Zoetermeer te beschermen tegen de lichamelijke gevolgen van industriële activiteiten in de gemeente. Er was geen sprake van een eenmalige te grote uitstoot maar van een periode van 4 jaar waarin vrijwel het gehele jaar de bevolking in aanraking kwam met de niet verbrande en dus ongezuiverde ethyleenoxide.
42. Algehele conclusie
De gemeente Zoetermeer was weliswaar bij de controle en handhaving van de vergunningsvoorschriften werkzaam in de uitvoering van een exclusieve overheidstaak, maar door absoluut onvoldoende inspanningen te verrichten om te voorkomen dat de inwoners aan deze stof werden blootgesteld heeft zij niet voldaan aan de op haar rustende positieve verplichting om de inwoners van de gemeente te beschermen tegen de in de omgeving neerdalende genotoxische ethyleenoxide, die op termijn kanker kan veroorzaken bij inwoners van de gemeente. Er bestaat dus geen strafrechtelijke immuniteit voor de Gemeente.
Het telastegelegde feit, het verrichten of nalaten van handelingen met betrekking tot afvalstoffen, terwijl de gemeente wist dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan en zij toen niet aan haar verplichting heeft voldaan om alle maatregelen te nemen en/of na te laten die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken, acht ik op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen. De handelingen en het nalaten betroffen het toestaan van en het niet beëindigen en het niet optreden tegen en het niet openbaar maken van de niet vergunde emissies van ethyleenoxide uit het bedrijf van [A] BV. Van het laatste gedachtestreepje vraag ik vrijspraak. Dit feit is een overtreding van artikel 10.1, eerste lid van de Wm.’
Het middel
7. Het middel bevat de klacht dat het hof met het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico’s als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan en evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van [A] en dat derhalve rechtens niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ voor personen, en dat art. 2 EVRM gelet daarop niet dwingt tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte en het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
8. De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij zijn oordeel over de vraag of sprake is van ‘a real and immediate risk to the life’ miskent dat reeds het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid op verwezenlijking van het gevaar al kan maken dat op grond van het voorzorgsbeginsel passende maatregelen dienen te worden genomen.
9. De tweede deelklacht houdt in dat voor zover het hof, door te oordelen dat de hier bedoelde concrete en levensbedreigende risico’s zich concreet moeten hebben voorgedaan als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat vereist is dat risico’s voor het leven zich daadwerkelijk hebben verwezenlijkt, heeft miskend dat niet vereist is dat komt vast te staan dat dit het geval is, ook niet op de lange termijn.
10. De derde deelklacht houdt in dat voor zover het hof, door te oordelen dat concrete en levensbedreigende risico’s als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet moeten hebben voorgedaan, als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat moet komen vast te staan dat concreet aan te duiden (groepen van) personen zijn blootgesteld aan de betreffende uitstoot, heeft miskend dat ook gevaar dat zich richt op niet concreet aangeduide of aan te duiden (groepen van) personen positieve verplichtingen ingevolge artikel 2 EVRM in het leven kunnen roepen.
11. Het middel bevat voorts de klacht dat het oordeel van het hof dat geen sprake is van ‘a real and immediate risk to the life’ en dat art. 2 EVRM niet met zich meebrengt dat de strafrechtelijke immuniteit dient te worden doorbroken, in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is. Zonder nadere motivering zou niet zijn in te zien dat het gedurende een lange periode uitstoten van een (veel) te hoge concentratie van een kankerverwekkende stof in dit geval onvoldoende aanknopingspunten oplevert voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico’s als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan, dat dit (naar ik begrijp) een ‘real and immediate risk to the life’ oplevert en waarom art. 2 EVRM niet meebrengt dat de strafrechtelijke immuniteit dient te worden doorbroken.
12. Het middel neemt, met het hof, tot uitgangspunt dat vervolging van een gemeente mogelijk is ingeval sprake is van gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht, maar deze gedragingen inbreuk maken op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM. Voorafgaand aan de bespreking van het middel ga ik in op dit uitgangspunt.
Het recht op leven en de strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden
13. Het standpunt dat ruimte bestaat voor doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van decentrale overheden indien de gedragingen van het openbaar lichaam inbreuk maken op het recht op leven, wordt door het hof gebaseerd op een arrest van Uw Raad van 24 september 2013.10.Het openbaar ministerie had in hoger beroep met verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Öneryildiz tegen Turkije gesteld ‘dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Gemeente primair dient te worden getoetst aan het ruimere criterium dat in de Europese jurisprudentie is ontwikkeld’. Het hof overwoog daarop dat het van oordeel is ‘dat de vergelijking met de onderhavige zaak mank gaat, nu de beslissing van het EHRM ziet op het handelen van de centrale overheid (de Turkse Staat) en het voorts een schending van artikel 2 EVRM betreft. Reeds om die redenen gaat de stelling van het openbaar ministerie in de thans aan het hof voorliggende zaak niet op’.
14. Uw Raad citeerde de rechtsregel uit het arrest van 6 januari 1998 (Pikmeer II)11.en overwoog vervolgens als volgt:
‘3.3. Het eerste middel berust op de opvatting dat de hierboven vermelde jurisprudentiële regel in het onderhavige geval buiten toepassing moet blijven. Daartoe wordt met een beroep op rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder EHRM 30 november 2004, LJN AS2641, NJ 2005/210 (Öneryildiz tegen Turkije), aangevoerd dat art. 2 EVRM dwingt tot het openstellen van de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging en bestraffing van een overheidsorgaan ingeval dit zijn positieve verplichting om (preventieve) maatregelen te treffen ter bescherming van het recht op leven heeft verzaakt.
Het middel faalt reeds omdat in de feitelijke instanties niet is vastgesteld noch is aangevoerd dat door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van de verdachte inbreuk is gemaakt op het recht op leven, zoals bedoeld in art. 2 EVRM in de zin die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven, terwijl de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk ook geenszins voortvloeit uit (de omschrijving van) die gedragingen.’
15. Anders dan het hof kan ik in deze rechtsoverweging niet lezen dat Uw Raad ruimte zou hebben gelaten voor doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van decentrale overheden indien door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van de verdachte inbreuk is gemaakt op het recht op leven. Uw Raad stelt vast dat het middel reeds faalt ‘omdat in de feitelijke instanties niet is vastgesteld noch is aangevoerd dat door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van de verdachte inbreuk is gemaakt op het recht op leven’. Het woordje ‘reeds’ duidt erop dat, los van de omstandigheid dat niets omtrent een inbreuk op het recht op leven is vastgesteld of aangevoerd, een tweede reden meebrengt dat het middel faalt. Daar komt naar ik begrijp volgens Uw Raad nog (als derde reden) bij dat de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk ook niet voortvloeit uit de omschrijving van die gedragingen.
16. Die tweede reden is, vermoed ik, dat uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Öneryildiz tegen Turkije niet voortvloeit dat de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging en bestraffing van lagere overheden dient te worden geopend.12.De centrale overweging in dat arrest luidt als volgt (met weglating van verwijzingen):
‘93. However, in areas such as that in issue in the instant case, the applicable principles are rather to be found in those the Court has already had occasion to develop in relation notably to the use of lethal force, principles which lend themselves to application in other categories of cases.
In this connection, it should be pointed out that in cases of homicide the interpretation of Article 2 as entailing an obligation to conduct an official investigation is justified not only because any allegations of such an offence normally give rise to criminal liability (…), but also because often, in practice, the true circumstances of the death are, or may be, largely confined within the knowledge of State officials or authorities (…).
In the Court’s view, such considerations are indisputably valid in the context of dangerous activities, when lives have been lost as a result of events occurring under the responsibility of the public authorities, which are often the only entities to have sufficient relevant knowledge to identify and establish the complex phenomena that might have caused such incidents.
Where it is established that the negligence attributable to State officials or bodies on that account goes beyond an error of judgment or carelessness, in that the authorities in question, fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity (…), the fact that those responsible for endangering life have not been charged with a criminal offence or prosecuted may amount to a violation of Article 2, irrespective of any other types of remedy which individuals may exercise on their own initiative (…); this is amply evidenced by developments in the relevant European standards (…).’
17. Het gaat er derhalve om dat ‘those responsible’ worden vervolgd. Niet alleen de woordkeus maar ook de opbouw van de overweging, waarin eerst wordt gesproken over het nalaten van ‘State officials or bodies’ en ‘authorities’ en vervolgens bij de strafvervolging over ‘those responsible’, maakt het voor de hand liggend dat het EHRM heeft gedacht aan natuurlijke personen.13.Ik wijs er in dat verband ook op dat de stand van zaken betreffende strafrechtelijke aansprakelijkheid van lagere overheden in Europa (destijds) uiteenliep.14.Anders dan de steller van het middel meen ik derhalve dat uit deze uitspraak niet kan worden afgeleid dat ‘strafrechtelijke vervolging en bestraffing van overheidsorganen mogelijk moet zijn indien het overheidsorgaan wist of moest weten dat sprake was van "a real and immediate risk to the life" en opzettelijk nalaat de haar ter beschikking staande bevoegdheden aan te wenden om dit gevaar te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken’.
18. Een en ander neemt niet weg dat uit rechtspraak van het EHRM van latere datum zou kunnen blijken dat het EHRM onder omstandigheden (ook) tot strafvervolging van lagere overheden verplicht.
19. Het hof noemt de ontvankelijkheidsbeslissing in Fadeyeva tegen Rusland.15.Daarin overweegt het EHRM dat klaagster ‘did not face any “real and immediate risk” either to her physical integrity or life’ en verwijst voor de herkomst van dit criterium naar Osman tegen het Verenigd Koninkrijk.16.Het gestelde nadeel voor klaagster doet volgens het EHRM geen ‘issues’ onder artikel 2 EVRM rijzen ‘and is more appropriately dealt with in the context of Article 8.’ In het later gewezen arrest stelt het EHRM vast ‘that the authorities in the present case were certainly in a position to evaluate the pollution hazards and to take adequate measures to prevent or reduce them. The combination of these factors shows a sufficient nexus between the pollutant emissions and the State to raise an issue of the State's positive obligation under Article 8 of the Convention’ (rov. 92).17.Het EHRM concludeert dat de Staat ‘has failed to strike a fair balance between the interests of the community and the applicant's effective enjoyment of her right to respect for her home and her private life. There has accordingly been a violation of Article 8 of the Convention’ (rov. 134).
20. Op strafvervolging van ‘those responsible’ wordt in Fadeyeva tegen Rusland niet ingegaan. Een verplichting om lagere overheden onder omstandigheden strafrechtelijk te vervolgen kan niet op de beslissingen in deze zaak worden gebaseerd. De Engelstalige overwegingen waar het hof in de onderhavige zaak uit afleidt dat het niet vervolgen van overheden een schending van artikel 2 EVRM kan opleveren, zijn terug te leiden tot de geciteerde overweging uit het (door het hof niet genoemde) arrest Öneryildiz tegen Turkije. Aangegeven werd reeds dat het in de rede ligt die overwegingen aldus te interpreteren dat het EHRM bij de verplichting tot strafvervolging denkt aan vervolging van natuurlijke personen.
21. De advocaat-generaal noemt in het requisitoir ook andere uitspraken, waaronder Budayeva e.a. tegen Rusland.18.Dat arrest houdt onder meer het volgende in (met weglating van een deel van de verwijzingen):
‘138. The obligations deriving from Article 2 do not end there. Where lives have been lost in circumstances potentially engaging the responsibility of the State, that provision entails a duty for the State to ensure, by all means at its disposal, an adequate response – judicial or otherwise – so that the legislative and administrative framework set up to protect the right to life is properly implemented and any breaches of that right are repressed and punished (…).
139. In this connection, the Court has held that if the infringement of the right to life or to physical integrity is not caused intentionally, the positive obligation to set up an “effective judicial system” does not necessarily require criminal proceedings to be brought in every case and may be satisfied if civil, administrative or even disciplinary remedies were available to the victims (…).
140. However, in the particular context of dangerous activities, the Court considered that an official criminal investigation is indispensible given that public authorities are often the only entities to have sufficient relevant knowledge to identify and establish the complex phenomena that might have caused an incident. It held that where the authorities in question, fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity, the fact that those responsible for endangering life have not been charged with a criminal offence or prosecuted may amount to a violation of Article 2, irrespective of any other types of remedy which individuals may exercise on their own initiative (see Öneryıldız, cited above, § 93).
(…)
165. Having found that the question of State responsibility for the accident in Tyrnauz has never as such been investigated or examined by any judicial or administrative authority, the Court concludes that there has also been a violation of Article 2 of the Convention in its procedural aspect.’
22. Uit deze uitspraak blijkt niet dat het EHRM de benadering uit Öneryildiz tegen Turkije heeft aangescherpt. Integendeel, het EHRM geeft expliciet aan dat als ‘the infringement of the right to life or to physical integrity is not caused intentionally’ geen verplichting bestaat tot strafvervolging ‘in every case’. En de schending van het procedurele aspect van artikel 2 EVRM wordt vastgesteld op basis van het nalaten van elke vorm van onderzoek.
23. De advocaat-generaal noemt voorts Kolyadenko e.a. tegen Rusland.19.Daarin overweegt het EHRM onder meer (met weglating van een verwijzing):
‘199. The Court notes that despite its request the Government did not submit a copy of the file of the investigation in case no. 292025, and therefore its ability to assess the effectiveness of that investigation is limited. The Court further has doubts that this latter investigation, as such, can be regarded as an adequate judicial response to the events of 7 August 2001, given that its main purpose appears to have been to establish whether there were any abuses in town planning policies in the Pionerskaya river valley, rather than to pursue any further the relevant findings previously made by the investigation in case no. 916725, and to identify those responsible for the poor maintenance of the Pionerskaya river channel, which, as established by the investigation in case no. 916725, had been the main reason for the flood of 7 August 2001.
200. Indeed, according to the decision of 20 July 2004 (…), while establishing, with reference to the relevant laws and by-laws, that it was the authorities of the Primorskiy Region and the Water Company who were in charge of securing the safe operation of the Pionerskoye reservoir, including ensuring that the river channel downstream of the reservoir had an adequate throughput capacity (…), the investigation made no apparent attempts to find out whether any responsibility should be attached to those authorities – let alone to establish the identity of the particular officials responsible – for the poor state of the Pionerskaya river, and in particular its obviously inadequate throughput capacity during the flood of 7 August 2001.’
24. Ook uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat het EHRM van belang acht of het onderzoek (mede) strekt tot opheldering aan welke natuurlijke personen ‘responsibility should be attached’. Daarop wijst in het bijzonder ook de tussenvoeging waarin het EHRM benadrukt dat de identiteit van de ‘particular officials responsible’ niet is vastgesteld.
25. Andere uitspraken waaruit blijkt dat het EHRM de benadering uit Öneryildiz tegen Turkije heeft aangescherpt zie ik evenmin.
26. De advocaat-generaal heeft het standpunt dat de strafrechtelijke immuniteit van overheden dient te worden doorbroken ingeval de gedragingen van het openbaar lichaam inbreuk maken op het recht op leven in het requisitoir ook op een andere argumentatie gebaseerd, zo bleek. Gewezen wordt op het arrest van Uw Raad in de Urgenda-zaak en op de daaraan voorafgaande conclusie van plv. P-G Langemeijer en A-G Wissink.20.Met de advocaat-generaal kan worden ingestemd dat ‘de bevindingen met betrekking tot de uitleg van de arresten van het EHRM’ een breder belang hebben dan de Urgenda-zaak. Tegelijk is even duidelijk dat de civiele kamer van Uw Raad in die zaak andere rechtsvragen had te beantwoorden dan in deze zaak aan de orde zijn.
27. De eerste vraag die de civiele kamer van Uw Raad beantwoordde, was of de artikelen 2 en 8 EVRM de Staat verplichten tot het nemen van maatregelen (tegen de reële dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering). Uit rechtspraak van het EHRM inzake artikel 2 EVRM wordt afgeleid dat de gehoudenheid tot het nemen van passende maatregelen bestaat ‘als er een ‘real and immediate risk’ voor personen is en de betrokken staat van dat gevaar op de hoogte is’ (rov. 5.2.2). En dat in gevallen waarin de verwezenlijking van milieugevaren rechtstreeks gevolgen heeft voor het privéleven en voldoende ernstig is, bescherming kan worden ontleend aan artikel 8 EVRM (rov. 5.2.3). Uw Raad kwam op grond van een reeks overwegingen tot het oordeel dat de artikelen 2 en 8 EVRM met betrekking tot het gevaar van klimaatverandering aldus dienen te worden uitgelegd ‘dat deze bepalingen de verdragsstaten verplichten om tegen dat gevaar ‘het hunne’ te doen’ (rov. 5.8). En dat Urgenda als belangenorganisatie die in dit geding op de voet van artikel 3:305 BW opkomt voor de belangen van de ingezetenen van Nederland jegens wie de Staat verplicht is om passende maatregelen te nemen tegen de dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering, een beroep kan doen op deze verplichting (rov. 5.9.2).
28. Deze vragen speelden in verband met de grondslag van de zorgplicht die door het hof was aanvaard. De rechtbank had de zorgplicht om (kort gezegd) de uitstoot van broeikasgassen te beperken afgeleid uit de open norm van artikel 6:162 BW; het hof had daarvoor een verdragsrechtelijke basis gevonden in de artikelen 2 en 8 EVRM.21.In de conclusie worden, in een analyse van de rechtspraak van het EHRM die de basis vormt voor een waardering van dat oordeel, onder meer de arresten Öneryildiz tegen Turkije, Budayeva e.a. tegen Rusland en Fadeyeva tegen Rusland besproken die in het voorgaande al voorbij kwamen (randnummers 2.63-2.69). In de onderhavige zaak staat evenwel niet de vraag centraal of uit rechtspraak van het EHRM een zorgplicht om milieugevaren te voorkomen kan worden afgeleid. Waar het om gaat, is of de (positieve) verplichting om ‘those responsible for endangering life’ strafrechtelijk te vervolgen zich uitstrekt tot lagere overheden. Zoals aangegeven wijst de rechtspraak van het EHRM erop dat deze verplichting slechts ziet op verantwoordelijke natuurlijke personen.
29. De civiele kamer van Uw Raad ging voorts – onder meer – in op de vraag of het door het hof bekrachtigde bevel om de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen in 2020 met ten minste 25% te verminderen in vergelijking met het niveau van het jaar 1990 neerkwam op een niet toelaatbaar bevel tot wetgeving. En op de vraag of aan een dergelijk bevel niet in de weg stond ‘dat het niet de taak van de rechter is om de politieke afwegingen te maken die nodig zijn voor besluitvorming over reductie van de uitstoot van broeikasgassen’ (rov. 8.1). Uw Raad leidde uit de overwegingen waar de ontoelaatbaarheid van een bevel tot wetgeving op berust af ‘dat het de rechter uitsluitend niet is toegestaan om een bevel te geven wetgeving met een bepaalde, specifieke inhoud tot stand te brengen’ (rov. 8.2.6). Inzake de tweede vraag overwoog Uw Raad dat het aan de rechter is om te beoordelen of de regering en het parlement bij het gebruik van de vrijheid om de vereiste politieke afwegingen te maken ‘zijn gebleven binnen de grenzen van het recht, waaraan zij zijn gebonden’ (rov. 8.3.2).
30. De grenzen van het recht zijn, waar het de vervolging van lagere overheden betreft, neergelegd in het Pikmeer II-arrest.22.Na dat arrest is de discussie over de strafrechtelijke immuniteit van overheden niet verstomd.23.De Raad van State heeft advies uitgebracht over de strafrechtelijke immuniteit van de Staat.24.Over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat is nadien nog een rapport geschreven door de mrs. Roelvink, Bovens, Knigge en Kummeling.25.In vervolg op deze discussie heeft het Kamerlid Wolfsen een initiatiefwetsvoorstel ingediend.26.Dat strekte ertoe ‘de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers op te heffen’ en publiekrechtelijke rechtspersonen ‘op gelijke voet met andere rechtspersonen vervolgbaar’ te maken.27.Dat initiatiefwetsvoorstel is uiteindelijk in de Eerste Kamer met één stem verschil verworpen.28.Mede tegen deze achtergrond meen ik dat een beperking van de strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden op grond van (positieve) verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 2 en 8 EVRM een stevige basis dient te hebben in rechtspraak van het EHRM. Die basis ontbreekt naar het mij voorkomt.
Bespreking van het middel
31. Het middel neemt, zo bleek, met het hof tot uitgangspunt dat vervolging van een gemeente mogelijk is ingeval sprake is van gedragingen die niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht, maar deze gedragingen inbreuk maken op het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM. Uit het voorgaande volgt dat dit uitgangspunt naar het mij voorkomt getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Strafrechtelijke immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Grondwet dient te worden aangenomen als de betreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen.
32. Ik merk daarbij nog op dat dat de reikwijdte van een uitzondering op de strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden die verband houdt met het recht op leven als bedoeld in artikel 2 EVRM ook niet gemakkelijk zou zijn te bepalen, zoals arrest en cassatieschriftuur illustreren. Is voor de toepasselijkheid van die uitzondering voldoende dat de stof die is uitgestoten ernstige schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid heeft? Brengt de omstandigheid dat er goede gronden zijn voor het gebruik van die stoffen onder omstandigheden mee dat de uitzondering toch niet van toepassing is? Is vereist dat zich concrete en levensbedreigende risico’s hebben voorgedaan? Of zou, zoals de steller van het middel meent, het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid op verwezenlijking van het gevaar voldoende moeten zijn? En wanneer is die mogelijkheid dan voldoende reëel? Het gaat om strafrechtelijke aansprakelijkheid van lagere overheden; er mogen eisen worden gesteld aan de helderheid van de grenzen van strafrechtelijke immuniteit. Daarbij doet zich, als op artikel 2 EVRM een – niet rechtstreeks uit rechtspraak van het EHRM voortvloeiende - uitzondering op de strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden wordt gebaseerd, de vraag voor of uit artikel 8 EVRM niet een vergelijkbare – en even lastig te begrenzen - uitzondering dient te worden afgeleid.
33. Aanvaarding van een dergelijke uitzondering draagt voorts het risico in zich dat het (strafrechtelijk) verwijt dat de lagere overheid wordt gemaakt, daardoor in wezen verschuift. De tenlastelegging verwijt de gemeente Zoetermeer dat zij handelingen met betrekking tot afvalstoffen heeft verricht en/of nagelaten terwijl zij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat daardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstonden of konden ontstaan en toen niet aan haar verplichting heeft voldaan alle maatregelen te nemen of na te laten die redelijkerwijs van haar konden worden gevergd, teneinde die gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Een uitzondering op de strafrechtelijke immuniteit van lagere overheden die verband houdt met de artikelen 2 en 8 EVRM vergt dat ook vaststellingen in verband met schending van die grondrechten worden gedaan, en brengt mee dat de verdediging van de lagere overheid zich ook daarop dient te richten. Een en ander komt de helderheid van de procesvoering niet ten goede.
34. Het oordeel van het hof dat sprake is van gedragingen die naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht wordt in cassatie niet bestreden. Dat oordeel draagt de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging zelfstandig.
35. Dat brengt mee dat het middel faalt.
Afronding
36. Het middel faalt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
37. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑09‑2025
Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1132-1133. Zie artikel 3, tweede lid, Besluit regels landelijk parket en functioneel parket, alsmede ten aanzien van mandateren bevoegdheden officier van justitie. Nu volgt dit uit artikel 126, derde lid, Wet RO.
O.a. EHRM 30-11-04, nr. 48939/99 Öneryildiz vs. Turkije; EHRM 20- 03-08, nr. 15339/02 Buyadeva vs. Rusland; 28-02-12, nr 17423/05 Kolyadenko vs. Rusland.
zaaknummer 53600/20.
zaaknummer 55723/00.
vgl. HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342, NJ 1998/367, Pikmeer II), (HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:236, r.o. 3.5.
zaaknummer 55723/00.
HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:765, NJ 2014/241 m.nt. Reijntjes (Probo Koala).
HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342, NJ 1998/367 m.nt. De Hullu (Pikmeer II).
EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99 (Öneryildiz/Turkije).
Vgl. ook Kamerstukken I 2014/15, 30 538, D, p. 3 en (met een iets andere argumentatie) E. van Sliedregt, ‘Immuniteit van de Staat: de houdbaarheid voorbij?’, HNJV 2013-I, p. 165-166. Anders D. Roef, ‘De immuniteit van overheden: een stand van zaken in EVRM-perspectief’, Strafblad 2012, p. 192-193, met verwijzingen. Roef meent dat deze interpretatie ‘niet noodzakelijk voortvloeit uit de overwegingen van het Hof’.
Vgl. D. Roef, Strafbare overheden. Een rechtsvergelijkende studie naar de strafrechtelijke aansprakelijkheid van overheden voor milieuverstoring, Tilburg: Intersentia Uitgevers 2001, die ingaat op Frankrijk, België en Duitsland.
EHRM 16 oktober 2003, nr. 55723/00 (Fadeyeva/Rusland).
EHRM 28 oktober 1998, nr. 87/1997/871/1083 (Osman/Verenigd Koninkrijk), rov 116: ‘For the Court, and having regard to the nature of the right protected by Article 2, a right fundamental in the scheme of the Convention, it is sufficient for an applicant to show that the authorities did not do all that could be reasonably expected of them to avoid a real and immediate risk to life of which they have or ought to have knowledge’.
EHRM 9 juni 2005, nr. 55723/00 (Fadeyeva/Rusland).
EHRM 20 maart 2008, nrs. 15339/02 e.a. (Budayeva e.a./Rusland).
EHRM 28 februari 2012, nr 17423/05 e.a. (Kolyadenko e.a./Rusland).
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006.
Zie de conclusie, randnummer 2.1.
Zie het meest recent: HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1607, NJ 2024/17 m.nt. Wolswijk.
Zie K. Lindenberg & H.D. Wolswijk, ‘Hobbels en oneffenheden in de Pikmeer-rechtspraak’, BSb 2024/6, p. 315-323.
Zie daarover Kamerstukken II 2001/02, 25 294, nr. 15.
Kamerstukken II 2007/08, 30 538, nr. 6: zie het voorgestelde derde lid van art. 51 Sr.
Handelingen I 10 november 2015, p. 7-5-1 en 7-5-2.
Beroepschrift 11‑11‑2024
CASSATIESCHRIFTUUR
Parketnummer: 22-000955-18
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen het arrest van de economische kamer van het gerechtshof Den Haag van 2 juli 2024, waarbij het hof in de strafzaak tegen:
Gemeente Zoetermeer,
gevestigd op het adres: Stadhuisplein 1, 2711 EC Zoetermeer,
het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging.
Rekwirant kan zich met dit oordeel niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in artikel 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 2 EVRM, en/of art. 359, tweede lid, Sv jo art. 349, eerste lid, Sv doordat het hof, met het oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan en/of evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van [A] en dat derhalve rechtens niet kan worden vastgesteld dat sprake is of is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ voor personen, gelet waarop art. 2 EVRM niet dwingt tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van verdachte en het openbaar ministerie daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, immers heeft het hof, zoals hieronder nader zal worden toegelicht,
- —
bij zijn oordeel over de vraag of sprake is van ‘a real and immediate risk to the life’ miskend dat reeds het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid op verwezenlijking van het gevaar al kan maken dat, op grond van het voorzorgsbeginsel, passende maatregelen dienen te worden genomen, en/of — voor zover het, door te oordelen dat de hier bedoelde concrete en levensbedreigende risico's zich concreet moeten hebben voorgedaan, als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat is vereist dat risico's voor het leven zich daadwerkelijk hebben verwezenlijkt, miskend dat niet is vereist dat komt vast te staan dat dit het geval is, ook niet op de lange termijn, en/of
- —
voor zover het, door te oordelen dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet moeten hebben voorgedaan, als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat moet komen vast te staan dat concreet aan te duiden personen of groepen van personen zijn blootgesteld aan de betreffende uitstoot, miskend dat ook gevaar dat zich richt op niet concreet aangeduide of aan te duiden personen of groepen van personen positieve verplichtingen ingevolge artikel 2 EVRM in het leven kunnen roepen.
In ieder geval is het oordeel van het hof dat geen sprake is van ‘a real and immediate risk to the life’ en/of art. 2 EVRM niet met zich meebrengt dat de strafrechtelijke immuniteit dient te worden doorbroken, gelet op de feitelijke vaststellingen van het hof en op hetgeen door de advocaat-generaal naar voren is gebracht, niet zonder meer begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, nu (zoals hieronder nader zal worden toegelicht) zonder nadere motivering niet valt in te zien dat het gedurende een lange periode uitstoten van een (veel) te hoge concentratie van een kankerverwekkende stof in dit geval onvoldoende aanknopingspunten oplevert voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan en dat dit geen ‘real and immediate risk to the life’ oplevert en/of waarom art. 2 EVRM daarom niet met zich meebrengt dat de strafrechtelijke immuniteit dient te worden doorbroken.
Toelichting
1.
Deze zaak heeft betrekking op de strafrechtelijke vervolging van de gemeente Zoetermeer wegens overtreding van art. 10.1 van de Wet Milieubeheer in verband met het nalaten van handhavend optreden tegen, en zelfs instemmen met, forse overschrijdingen van uitstootnormen van giftige stoffen die waren opgenomen in een door diezelfde gemeente verleende vergunning aan het bedrijf [A] B.V.
De zaak staat niet op zichzelf. In het strafrechtelijk onderzoek Zuringspanner zijn vier verdachten vervolgd, te weten de rechtsopvolger van het bedrijf [A] B.V., twee werknemers van het bedrijf [A] B.V. en de gemeente Zoetermeer. Bij vonnissen van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2018 is de rechtsopvolger van [A] B.V. ontslagen van alle rechtsvervolging om de reden dat zij in redelijkheid er op mocht vertrouwen dat de gemeente instemde met het overschrijden van de emissies. De natuurlijke personen zijn, mede in verband met dat ontslag van alle rechtsvervolging, vrijgesproken.1. Tegen deze vonnissen heeft het openbaar ministerie geen hoger beroep ingesteld. Bij vonnis van 20 februari 2018 heeft de rechtbank in onderhavige zaak de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de gemeente Zoetermeer. In het hoger beroep dat het openbaar ministerie tegen dit vonnis heeft ingesteld, heeft het hof het hier bestreden arrest gewezen.
2.
Bij arrest van 2 juli 2024 heeft het hof Den Haag het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Het hof overweegt — voor zover van belang- het volgende:
‘De tenlastegelegde gedragingen komen er samengevat op neer dat verdachte heeft ingestemd met handelen van [A] B.V. (hierna: [A]) in strijd met de vergunningsvoorschriften en dat zij (de gemeente) daarvan geen kennis heeft gegeven aan omwonenden, naastgelegen bedrijven, politie of justitie noch anderszins actie heeft ondernomen.
(…)
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat verdachte, in elk geval periodiek, met het handelen van [A] in strijd met de vergunningsvoorschriften meer of (veelal) minder expliciet heeft ingestemd.
(…)
Uit de aangehaalde en ter terechtzitting in hoger beroep besproken rechtspraak van het EHRM, in het bijzonder uit EHRM 16 oktober 2003, Fadeyeva/Rusland leidt het hof af dat een overheid adequaat dient op te treden in gevallen waarin sprake is van ‘a real and immediate risk to the life’ van personen, ter bescherming van het recht op leven. De adequate reactie hoeft overigens niet altijd een strafrechtelijke te zijn. Als de dreigende schending niet-opzettelijk heeft plaatsgevonden is aan deze verplichting voldaan als voor de slachtoffers de mogelijkheid van civielrechtelijk, bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk rechtsherstel bestaat. In gevallen waarin mensen als gevolg van gevaarlijke (industriële) activiteiten of een natuurramp zijn overleden of in concreet levensgevaar zijn gebracht is een strafrechtelijk onderzoek wel noodzakelijk, ook in gevallen van niet-opzettelijk handelen. Het niet-vervolgen en bestraffen van overheden kan een schending van artikel 2 EVRM opleveren, als de aan de ‘State officials or bodies’ toe te rekenen schuld meer is dan een beoordelingsfout of onvoorzichtigheid in die zin dat de betreffende autoriteiten ‘fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity’. Daaruit volgt dat in dergelijke gevallen, waarin als gevolg van ernstige nalatigheid van de betrokken overheidsinstanties dodelijke slachtoffers vallen of burgers (binnen de context van gevaarlijke situaties) aan levensbedreigende risico's worden blootgesteld, het niet-vervolgen of berechten van publiekrechtelijke rechtspersonen vanwege de hen toekomende strafrechtelijke immuniteit een schending van artikel 2 EVRM kan opleveren. Aldus kan een schending van deze Verdragsbepaling leiden tot doorbreking van de immuniteit van een lagere overheid als de gemeente Zoetermeer.
Aan de door de advocaat-generaal aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad in de zogenoemde Urgenda-zaak, alsmede aan de uitspraak van het EHRM van 9 april 2024 in de zaak van de Verein KlimaSeniorinnen Schweiz and Others v. Switzerland, komt bij de beantwoording van de hier voorliggende vraag of de strafrechtelijke immuniteit van de verdachte gemeente dient te worden doorbroken naar het oordeel van het hof geen betekenis toe, nu deze — civielrechtelijke — uitspraken geen betrekking hebben op die vraag, maar op de vraag welke verantwoordelijkheid de Staat mede op grond van de artikelen 2 en 8 EVRM heeft in relatie tot het optreden tegen gevaarlijke klimaatverandering. De door de advocaat-generaal aangehaalde ‘Guide on Article 2 of the European Convention on Human Rights’, een uitgave van het EHRM die blijkens de ‘note tot readers’ (p. 5) enkel tot doel heeft ‘to inform legal practitioners about the fundamental judgments and decisions delivered by the Strasbourg Court’, maakt dat oordeel niet anders.
(…)
Bij de beantwoording van de vraag of in het onderhavige geval sprake is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ in de zin van de hiervoor aangehaalde rechtspraak die noopt tot een doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente, overweegt het hof, met de rechtbank, als volgt. Het procesdossier bevat meerdere rapporten die ingaan op de vraag wat de gezondheidsrisico's van ethyleenoxide in het algemeen zijn en wat de ernstige gevolgen van het emitteren van die stof via de zogenaamde calamiteitenpijp door [A] kunnen zijn geweest. Eenduidige conclusies zijn uit die rapporten en onderzoeken echter niet te trekken, zoals ook door de advocaat-generaal is onderschreven. Wel is door verschillende internationale onderzoeksinstituten vastgesteld dat ethyleenoxide carcinogene effecten heeft, een extra kans op kanker geeft. Tegelijkertijd wordt ook algemeen aanvaard dat sommige stoffen met carcinogene effecten (moeten) worden gebruikt, met het oog waarop onder meer voor ethyleenoxide een maximaal toelaatbaar risico (MTR) is berekend. Hoewel de rapporten ook op dit punt niet allemaal eenduidig zijn, is aannemelijk dat dit MTR door de emissie van ethyleenoxide door [A] in de tenlastegelegde periode fors werd overschreden. Evenwel is het hof met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan. Evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van het bedrijf. Derhalve kan rechtens niet worden vastgesteld dat sprake is of is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ van omwonenden en personen werkzaam in omliggende bedrijven van [A]. Artikel 2 EVRM dwingt naar het oordeel van het hof dan ook niet tot strafrechtelijke vervolging van de gemeente.’
3.
Achtereenvolgens komen de volgende onderwerpen aan de orde:
- —
het juridisch kader met betrekking tot immuniteit van de decentrale overheid en de uit het EHRM voortvloeiende eis om die immuniteit te kunnen doorbreken, te weten indien die decentrale overheid weet had of moest hebben van ‘a real and immediate risk to the life’ en heeft nagelaten hiertegen op te treden (punt 4.1 tot en met 5.2)
- —
het door het EHRM gecreëerde kader om te beoordelen of sprake is van ‘a real and immediate risk to the life (punt 6.1 tot en met 6.4.4)
- —
de invulling van het begrip ‘a real and immediate risk to the life’ door de Hoge Raad in de zaak Urgenda (punt 6.6.1 tot en met 6.6.3)
- —
een samenvatting van het door het EHRM en de Hoge Raad geschetste kader en het oordeel van het hof in onderhavige zaak (punt. en 8)
- —
een toelichting op de klacht dat het oordeel van het hof blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting (punt 9)
- —
een toelichting op de klacht dat het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd is (punt 10.1 tot en met 10.4)
4.1
Naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de immuniteit van een openbaar lichaam als bedoeld in hoofdstuk 7 Gw slechts dan te worden aangenomen als de desbetreffende gedragingen naar haar aard en gelet op het wettelijk systeem rechtens niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitvoering van de aan het openbaar lichaam opgedragen bestuurstaak, zodat uitgesloten is dat derden in zoverre op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen (HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA9342, NJ 1998/367, r.o. 5.7). Dat in onderhavig geval sprake was van een zodanige gedraging en dat de gemeente daarom in beginsel immuniteit toekomt, is niet door het openbaar ministerie bestreden en wordt in cassatie ook niet bestreden.
4.2
In zijn arrest KR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:765, NJ 2014/241, lijkt de Hoge Raad ruimte te hebben gelaten voor een doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van decentrale overheden indien door de aan de verdachte tenlastegelegde gedragingen inbreuk is gemaakt op het recht op leven, zoals in art. 2 EVRM in de zin die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven.2.
In die zaak had het openbaar ministerie betoogd dat de immuniteit van de gemeente Amsterdam buiten toepassing diende te blijven, omdat art. 2 EVRM dwingt tot de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging en bestraffing van een overheidsorgaan ingeval dit zijn positieve verplichting om (preventieve) maatregelen te treffen ter bescherming van het recht op leven heeft verzaakt.
De Hoge Raad verwierp het beroep omdat ‘in de feitelijke instanties niet is vastgesteld noch is aangevoerd dat door de in de tenlastelegging omschreven gedragingen van de verdachte inbreuk is gemaakt op het recht op leven, zoals bedoeld in art. 2 EVRM in de zin die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven, terwijl de mogelijkheid van een dergelijke inbreuk ook geenszins voortvloeit uit (de omschrijving van) die gedragingen.’
De Hoge Raad lijkt aldus de mogelijkheid niet uit te sluiten dat, indien wél kan worden vastgesteld dat inbreuk is gemaakt op art. 2 EVRM, de strafrechtelijke immuniteit van decentrale overheden kan worden doorbroken.
Nadien, in het kader van de behandeling van het niet door de Eerste Kamer aanvaarde initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met het opheffen van de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en hun leidinggevers (Kamerstukken 30 538) heeft de Minister van Veiligheid en Justitie zich op het standpunt gesteld dat de jurisprudentie van het EHRM niet dwingt tot opheffing van de strafrechtelijke immuniteiten van publiekrechtelijke rechtspersonen en dat aan de uit artikel 2 EVRM voortvloeiende positieve verplichting ook kan worden voldaan door vervolging in te stellen tegen de verantwoordelijke overheidsfunctionarissen.3. Dat neemt niet weg dat in voorkomende gevallen ruimte kan bestaan voor een doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van decentrale overheden in geval van schending van artikel 2 EVRM. Dat is in eerste aanleg en in hoger beroep ook door het openbaar ministerie betoogd. Het hof heeft dit in casu ook als zijn uitgangspunt genomen. Het daarop betrekking hebbende oordeel van het hof wordt in cassatie niet bestreden.
4.3
Dit middel komt op tegen het oordeel van het hof dat, kortgezegd, in het onderhavige geval rechtens niet kan worden vastgesteld dat sprake is of is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ van omwonenden en personen werkzaam in omliggende bedrijven van [A] en dat artikel 2 EVRM naar het oordeel van het hof dan ook niet tot strafrechtelijke vervolging van de gemeente dwingt.
4.4
Vooruitlopend op de nadere toelichting op het middel merkt rekwirant het volgende op. Het toetsingskader voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een ‘real and immediate risk to life’ ligt voornamelijk besloten in de rechtspraak van het EHRM. In het onderstaande zal dan ook worden geput uit die rechtspraak. Bij de bespreking daarvan komen vraagstukken van bewijs aan de orde. Hoewel die rechtspraak op onderdelen meer duidelijkheid geeft over deze vraagstukken,4. is de verduidelijking die kan worden gerealiseerd relatief, eenvoudigweg omdat de rechtspraak van het EHRM zich niet altijd goed lijkt te lenen voor een dergelijke, eenduidige interpretatie.
Bij de bespreking van de rechtspraak van het EHRM over het begrip ‘real and immediate risk to life’ houdt rekwirant bovendien voor ogen dat gevallen als het onderhavige, waarin sprake is van de uitstoot van giftige stoffen, door het hof niet alleen (kunnen) worden behandeld onder artikel 2 EVRM, maar ook onder artikel 8 EVRM, dat het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven beschermt.5. Het EHRM heeft in dit verband geoordeeld dat de positieve verplichtingen die uit die twee bepalingen voortvloeien in het geval van gevaarzettende activiteiten elkaar grotendeels overlappen.
In Budayeva vs. Rusland (EHRM 29 september 2008, nr 15339/02) overwoog het EHRM:
‘133.
It has been recognised that in the context of dangerous activities the scope of the positive obligations under Article 2 of the Convention largely overlap with those under Article 8 (see Öneryildiz, cited above, §§ 90 and 160). Consequently, the principles developed in the Court's case-law relating to planning and environmental matters affecting private life and home may also be relied on for the protection of the right to life.’
De vraag is echter of dit betrekking heeft op het bewijs en de interpretatie van de drempelwaarde die geldt om aanspraak te kunnen maken op bescherming van de in artikel 2 en artikel 8 EVRM gewaarborgde rechten. Vraagstukken die hiermee verband houden, worden vooral zichtbaar bij de bespreking onder punt 6.6.1 van HR 20 december 2009, ECLI:NL:HR:2019:2006, NJ 2020/41 (Urgenda), waarin het begrip ‘real and immediate risk to life’ wordt besproken tegen de achtergrond van (de gevolgen van) klimaatverandering.
5.1
Het hof heeft in onderhavige zaak als uitgangspunt genomen dat een doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente Zoetermeer mogelijk is indien door de aan de verdachte tenlastegelegde gedragingen inbreuk is gemaakt op het recht op leven, zoals in art. 2 EVRM in de zin die het EHRM daaraan in zijn rechtspraak heeft gegeven. De vaste jurisprudentie van het EHRM op dit punt laat zich als volgt beschrijven.
Uit artikel 2 EVRM kan onder omstandigheden een positieve verplichting voor een staat voortvloeien om op te treden als de autoriteiten wisten of moesten weten dat sprake was van ‘a real and immediate risk to life’. Dit kan gaan om gevaar afkomstig van personen (Osman vs. Verenigd Koninkrijk, EHRM 28 oktober 1998, nr. 23452/94), maar ook om gevaren die het gevolg zijn van milieurisico's. Een bekend voorbeeld van dat laatste is Öneryildiz vs. Turkije (EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99, NJ 2005/210), waarbij het ging om het gevaar van een methaanexplosie op een vuilnisbelt.
Is sprake van ‘a real and immediate risk to life’, dan is de staat gehouden op te treden en maatregelen te nemen om burgers tegen dit gevaar te beschermen. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan brengt art. 2 EVRM met zich mee dat de staat voorziet in een adequate reactie daarop. Als het gevaar niet opzettelijk is veroorzaakt, bijvoorbeeld door een inschattingsfout of onvoorzichtigheid, hoeft deze reactie niet noodzakelijkerwijs strafrechtelijk optreden te betreffen, maar kan dan bijvoorbeeld ook civiel, administratief of disciplinair van aard zijn.6.
Echter, er komt een moment dat art. 2 EVRM met zich mee brengt dat de mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging wel moet bestaan.7. In de zaak Öneryildiz vs. Turkije zegt het EHRM hierover:
‘93.
(…)
Where it is established that the negligence attributable to State officials or bodies on that account goes beyond an error of judgment or carelessness, in that the authorities in question, fully realising the likely consequences and disregarding the powers vested in them, failed to take measures that were necessary and sufficient to avert the risks inherent in a dangerous activity (see, mutatis mutandis, Osman, cited above, pp. 3159-60, § 116), the fact that those responsible for endangering life have not been charged with a criminal offence or prosecuted may amount to a violation of Article 2, irrespective of any other types of remedy which individuals may exercise on their own initiative (see paragraphs 48, 49 and 50 above); this is amply evidenced by developments in the relevant European standards (see paragraph 61 above).
94.
To sum up, the judicial system required by Article 2 must make provision for an independent and impartial official investigation procedure that satisfies certain minimum standards as to effectiveness and is capable of ensuring that criminal penalties are applied where lives are lost as a result of a dangerous activity if and to the extent that this is justified by the findings of the investigation (see, mutatis mutandis, Hugh Jordan v. the United Kingdom, no. 24746/94, §§ 105–109, ECHR 2001-III, and Paul and Audrey Edwards, cited above, §§ 69–73). In such cases, the competent authorities must act with exemplary diligence and promptness and must of their own motion initiate investigations capable of, firstly, ascertaining the circumstances in which the incident took place and any shortcomings in the operation of the regulatory system and, secondly, identifying the State officials or authorities involved in whatever capacity in the chain of events in issue.
95.
That said, the requirements of Article 2 go beyond the stage of the official investigation, where this has led to the institution of proceedings in the national courts; the proceedings as a whole, including the trial stage, must satisfy the requirements of the positive obligation to protect lives through the law.
96.
It should in no way be inferred from the foregoing that Article 2 may entail the right for an applicant to have third parties prosecuted or sentenced for a criminal offence (see, mutatis mutandis, Perez v. France[GC], no. 47287/99, § 70, ECHR 2004-I) or an absolute obligation for all prosecutions to result in conviction, or indeed in a particular sentence (see, mutatis mutandis, Tanli v. Turkey, no. 26129/95, § 111, ECHR 2001-III).
On the other hand, the national courts should not under any circumstances be prepared to allow life-endangering offences to go unpunished. This is essential for maintaining public confidence and ensuring adherence to the rule of law and for preventing any appearance of tolerance of or collusion in unlawful acts (see, mutatis mutandis, Hugh Jordan, cited above, §§ 108 and 136–140). The Court's task therefore consists in reviewing whether and to what extent the courts, in reaching their conclusion, may be deemed to have submitted the case to the careful scrutiny required by Article 2 of the Convention, so that the deterrent effect of the judicial system in place and the significance of the role it is required to play in preventing violations of the right to life are not undermined.’
5.2
Uit het bovenstaande leidt rekwirant af dat strafrechtelijke vervolging en bestraffing van overheidsorganen mogelijk moet zijn indien het overheidsorgaan wist of moest weten dat sprake was van ‘a real and immediate risk to the life’ en opzettelijk nalaat de haar ter beschikking staande bevoegdheden aan te wenden om dit gevaar te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
6.1
Het EHRM heeft in verschillende uitspraken een nadere invulling gegeven aan het toetsingskader om te beoordelen of sprake is van ‘a real and immediate risk to the life’. In zaken als onderhavige, waarin sprake is van industriële activiteiten, geldt daarbij als uitgangspunt dat deze naar hun aard gevaarlijk zijn.8.
6.2.1
In de eerste plaats is van belang dat artikel 2 EVRM zich niet louter uitstrekt tot gevallen waarin sprake is van overlijden van personen.
Dit volgt reeds uit de bewoordingen in de vaste rechtspraak van het EHRM met betrekking tot de materiele component van dat recht. In de al genoemde uitspraak Öneryildiz vs. Turkije overwoog het EHRM in dat verband als volgt:
‘89
The positive obligation to take all appropriate steps to safeguard life for the purposes of Article 2 (see paragraph 71 above) entails above all a primary duty on the State to put in place a legislative and administrative framework designed to provide effective deterrence against threats to the right to life (see, for example, mutatis mutandis, Osman, cited above, p. 3159, § 115; Paul and Audrey Edwards, cited above, § 54; Khan v. Turkey[GC], no. 22277/93, § 91, ECHR 2000-VII; Kiliç v. Turkey, no. 22492/93, § 62, ECHR 2000-III; and Mahmut Kaya v. Turkey, no. 22535/93, § 85, ECHR 2000-III).
90
This obligation indisputably applies in the particular context of dangerous activities, where, in addition, special emphasis must be placed on regulations geared to the special features of the activity in question, particularly with regard to the level of the potential risk to human lives. They must govern the licensing, setting up, operation, security and supervision of the activity and must make it compulsory for all those concerned to take practical measures to ensure the effective protection of citizens whose lives might be endangered by the inherent risks.’
6.2.2
In de zaak Budayeva e.a. vs. Rusland (EHRM 20 maart 2008, nrs. 15339/02, 21166/02, 20058/02, 11673/02 and 15343/02) was geklaagd over het feit dat de Russische autoriteiten niet hadden voldaan aan de ingevolge artikel 2 EVRM op hen rustende verplichting maatregelen te treffen om hen te beschermen tegen natuurrampen, in het bijzonder tegen gevaarlijke modderstromen. In juli 2000 deed zich een dergelijke modderstroom voor, waarbij meerdere personen de dood vonden. Die omstandigheid sloot niet uit dat ook klachten van degenen wier levens bij die overstroming weliswaar gespaard was gebleven, maar wel bedreigd was, door het EHRM binnen het bereik van artikel 2 EVRM werden gebracht:
‘146.
The Court will begin by noting that although only one of the present applications, brought by Ms Budayeva, concerns the death of a family member, the circumstances of the case in respect of the other applicants leave no doubt as to the existence of a threat to their physical integrity (see, mutatis mutandis, Makaratzis v. Greece [GC], no. 50385/99, §§ 52–55, ECHR 2004-XI).’
6.2.3
Uit Kolyadenko e.a. vs. Rusland (EHRM 28 februari 2012) volgt, onder verwijzing naar de zaken Budayeva e.a. vs. Rusland en Makaratzis vs. Griekenland (EHRM 20 december 2004, nr. 50385/99, een zaak die betrekking had op geweldgebruik door de politie), dat artikel 2 EVRM niet alleen van toepassing is op gevallen waarin sprake is van overlijden van personen, maar ook op gevallen waarin uitsluitend sprake is (geweest) van een risico voor het leven van personen. Het EHRM overwoog in Kolyadenko e.a. vs. Rusland:
‘151.
The Court reiterates in the above connection that Article 2 of the Convention does not solely concern deaths resulting from the use of force by agents of the State but also, in the first sentence of its first paragraph, lays down a positive obligation on States to take appropriate steps to safeguard the lives of those within their jurisdiction (see, among other authorities, Öneryildiz v. Turkey [GC], no. 48939/99, § 71, ECHR 2004-XII, and Budayeva and Others, cited above, § 128). Moreover, this Article, read as a whole, covers not only situations where certain action or omission on the part of the State led to a death complained of, but also situations where, although an applicant survived, there clearly existed a risk to his or her life (see, mutatis mutandis, Makaratzis v. Greece [GC], no. 50385/99, §§ 49–55, ECHR 2004-XI, and Budayeva and Others, cited above, § 146). It is therefore essential to determine in the present case whether the applicants' lives were endangered as a result of the events complained of.
152.
The Court observes that, as the parties agreed, the second, fourth and fifth applicants were away from their homes during the flood on 7 August 2001. Moreover, it appears that by the time they returned home in the evening there was already no water left in their flats (see paragraphs 37–38 above). Also, the aforementioned applicants never alleged that they had been caught by the flood in the places where they had spent the day in question. In such circumstances, the Court accepts the Government's argument that there was no evidence that any threat to the lives of the second, fourth and fifth applicants had ever existed as a result of the flood of 7 August 2001. Article 2 of the Convention is therefore inapplicable. It follows that the complaint brought by the second, fourth and fifth applicants under that Article is incompatible ratione personae with the provisions of the Convention within the meaning of Article 35 § 3 (a), and must be rejected in accordance with Article 35 § 4 thereof.
153.
On the other hand, the Court is unable to reach the same conclusion as regards the relevant complaint lodged by the first, third and sixth applicants. It notes in this connection that, as the parties agreed, these applicants were at home during the flood. The Court further takes into account these applicants' submission — undisputed by the Government — that the water arrived and rose very quickly (see paragraphs 32, 34, 36 and 39 above). Nor is it in dispute between the parties that the water reached a level of 1.20 metres in the first and third applicants' flats, and up to 1.50 metres in the sixth applicant's dwelling (see paragraph 40 above). In the Court's opinion, even a level of 1.20 metres can be regarded as sufficiently high to have put these applicants' lives at risk, given, in particular, that the first applicant was a disabled 63-year-old at the time, and the then 55-year-old sixth applicant, in her own submission, could not swim.
154.
As regards the third applicant, the Court is unable to agree with the Government that her life was not endangered because she managed to leave the flooded area on her own. The Court considers a situation where the third applicant had to wade, with her 21-month-old child in her arms, in seething, breast-deep, turbid water full of floating debris, as being dangerous to her life. The Court also takes into account the applicants' submission that the level of water in the street was even higher than inside their homes (see paragraphs 34 and 38 above), which matches the finding of the expert report of 24 January 2003 that over much of the flooded area the water had been 1.5-2 metres deep (see paragraph 75 above).
155.
Overall, in the Court's opinion, these circumstances leave no doubt as to the existence of an imminent risk to the lives of the first, third and sixth applicants, which brings their complaint on that account within the scope of Article 2 of the Convention. The fact that they survived and sustained no injuries has no bearing on this conclusion.’
6.3.1
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt voorts dat het bij ‘a real and immediate risk’ niet hoeft te gaan om een gevaar dat zich op korte termijn zal verwezenlijken. Ook een gevaar dat zich vermoedelijk niet op korte termijn zal verwezenlijken, kan een positieve verplichting op grond van art. 2 EVRM in het leven roepen om passende maatregelen te nemen. Evenmin blijkt dat vast moet staan dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk, ook al zou dat op langere termijn zijn, zal verwezenlijken.
6.3.2
Rekwirant verwijst hiervoor onder meer naar de hierboven aangehaalde uitspraak Öneryildiz vs. Turkije, waarin het EHRM bij de beoordeling onder meer betrok dat het gevaar voor de explosie die op 28 april 1993 plaatsvond al jaren daarvoor bekend was bij de autoriteiten. Uit de bewoordingen blijkt dat de verplichting voor de autoriteiten om maatregelen te nemen al ruim daarvoor ontstond:
‘100
The Court considers that neither the reality nor the immediacy of the danger in question is in dispute, seeing that the risk of an explosion had clearly come into being long before it was highlighted in the report of 7 May 1991 and that, as the site continued to operate in the same conditions, that risk could only have increased during the period until it materialised on 28 April 1993.
101
The Grand Chamber accordingly agrees with the Chamber (see paragraph 79 of the Chamber judgment) that it was impossible for the administrative and municipal departments responsible for supervising and managing the tip not to have known of the risks inherent in methanogenesis or of the necessary preventive measures, particularly as there were specific regulations on the matter. Furthermore, the Court likewise regards it as established that various authorities were also aware of those risks, at least by 27 May 1991, when they were notified of the report of 7 May 1991 (see paragraphs 13 and 15 above). It follows that the Turkish authorities at several levels knew or ought to have known that there was a real and immediate risk to a number of persons living near the Ümraniye municipal rubbish tip. They consequently had a positive obligation under Article 2 of the Convention to take such preventive operational measures as were necessary and sufficient to protect those individuals (see paragraphs 92 and 93 above), especially as they themselves had set up the site and authorised its operation, which gave rise to the risk in question.
102
However, it appears from the evidence before the Court that the city council in particular not only failed to take the necessary urgent measures, either before or after 14 March 1991, but also — as the Chamber observed — opposed the recommendation to that effect by the Prime Minister's Environment Office (see paragraph 15 above). The Environment Office had called for the tip to be brought into line with the standards laid down in regulations 24 to 27 of the Regulations on Solid-Waste Control, the last-mentioned of which explicitly required the installation of a ‘vertical and horizontal drainage system’ allowing the controlled release into the atmosphere of the gas accumulated (see paragraph 56 above).’
6.3.3
Ook uit de zaak Taskin vs. Turkije (EHRM 10 november 2004, nr. 46117/99) kan worden afgeleid dat het bij ‘a real and immediate risk’ niet hoeft te gaan om een gevaar dat zich op korte termijn zal verwezenlijken, terwijl evenmin blijkt dat de eis wordt dat gesteld dat vaststaat dat dit risico zich zal verwezenlijken.
In deze zaak was geklaagd over schending van artikel 8 EVRM in verband met de verlening van een vergunning om de giftige stof cyanide te gebruiken om goud te winnen uit erts.
Omdat de hoogste bestuursrechter de beslissing tot verlening van een vergunning om de mijn te exploiteren al had vernietigd (in verband met de belangen van het recht op leven en het recht op een gezonde leefomgeving en de positieve verplichtingen die daaruit voor de Staat voortvloeien), ziet deze uitspraak niet op de materiele component van artikel 8 EVRM, maar op de procedurele component daarvan. De Staat had, kortgezegd, klager een effectieve uitoefening van zijn rechten onthouden door, ondanks de voornoemde beslissing van de rechter, een ministerieel besluit te nemen op grond waarvan de exploitatie van de mijn alsnog doorgang kon blijven vinden en deze beslissing niet bekend te maken.
Een positieve verplichting op grond van art. 8 EVRM kon in deze zaak worden aangenomen op grond van gezondheidsrisico's als gevolg van milieuverontreiniging die zich pas na 20–50 jaar zou kunnen voltrekken. In verband met het risico voor een gezonde leefomgeving en het recht op leven had de Turkse rechter, blijkens de uitspraak van het EHRM, het volgende vastgesteld:
‘26.
(…)
‘In the light of the technical and legal conclusions and bearing in mind the State's obligation to protect the right to life [and] to a healthy environment …, it is appropriate to overturn the judgment appealed against, given that the gold mine's disputed operational methods entail the risks set out in the environmental impact report and the expert reports and that, should those risks be realised, human health would be clearly affected, directly or indirectly, through environmental damage …’
6.3.4
Ook in de zaak eerdergenoemde zaak Budayeva vs. Rusland ging het om levensgevaar (als gevolg van mogelijke modderstromen) waarvan bij de autoriteiten al langer bekend was dat dit gevaar zich zou kunnen verwezenlijken. Nu de autoriteiten ondanks dit voorzienbare levensgevaar hadden nagelaten om maatregelen te nemen, oordeelde het EHRM dat art. 2 EVRM was geschonden.9.
6.4.1
Het EHRM heeft ook onder ogen gezien dat staten soms activiteiten moeten ondernemen waarbij enig gevaar voor het leven onontkoombaar is. Te denken valt aan militaire activiteiten. Indien sprake is van een dergelijke gevaarlijke activiteit, die georganiseerd is door of moet worden goedgekeurd door de staat en waarbij het accepteren van enige mate van (levens)gevaar noodzakelijk of onontkoombaar is, geldt dat de positieve verplichting op grond van art. 2 EVRM dan inhoudt dat via een systeem van regels en controles moet worden verzekerd dat dit gevaar tot een minimum beperkt blijft.
6.4.2
In Stoyanovi vs. Bulgarije (EHRM 9 november 2010, nr. 42980/04) overwoog het EHRM hieromtrent:
‘59.
(…)
The test imposed in the context of the duty to prevent and suppress offences against the person is that it must be established that the authorities knew or ought to have known at the time of the existence of a real and immediate risk to the life of an identified individual or individuals from the criminal acts of a third party and that they failed to take measures within the scope of their powers which, judged reasonably, might have been expected to avoid that risk (see Osman v. the United Kingdom, 28 October 1998, § 116, Reports of Judgments and Decisions 1998-VIII). This approach has been applied also to areas where risks to life have arisen due to dangerous situations, such as the settlement of people in slum dwellings next to a massive rubbish dump and naturally-occurring hazards such as mudslides, where the authorities, knowing about the potential danger, are under obligations to respond with due regard to protection of the right to life. In this context, the Court has found failures on a substantive level, in the failures to take the necessary measures to inform and safeguard the population, and also on procedural level, due to inadequate investigatory and judicial response permitting the cause of the disaster to be established, for the persons responsible to be held accountable and for compensatory relief to be available to the victims (see Öneryildiz v. Turkey [GC], no. 48939/99, ECHR 2004-XII, and Budayeva and Others v. Russia, nos. 15339/02, 21166/02, 20058/02, 11673/02 and 15343/02, ECHR 2008-… (extracts))
(…)
61.
Positive obligations will vary therefore in their application depending on the context. It is primarily the task of the domestic systems to investigate the cause of fatal accidents and to establish facts and responsibility. In the present case, which concerns an accident during a military training exercise, the Court notes that while it may indeed be considered that the armed forces' activities pose a risk to life, this is a situation which differs from those ‘dangerous’ situations of specific threat to life which arise exceptionally from risks posed by violent, unlawful acts of others or man-made or natural hazards. The armed forces, just as doctors in the medical world, routinely engage in activities that potentially could cause harm; it is, in a manner of speaking, part of their essential functioning. Thus, in the present case, parachute training was inherently dangerous but an ordinary part of military duties. Whenever a State undertakes or organises dangerous activities, or authorises them, it must ensure through a system of rules and through sufficient control that the risk is reduced to a reasonable minimum. If nevertheless damage arises, it will only amount to a breach of the State's positive obligations if it was due to insufficient regulations or insufficient control, but not if the damage was caused through the negligent conduct of an individual or the concatenation of unfortunate events (see, for comparison, Kalender v. Turkey, no. 4314/02, §§ 43–47, 15 December 2009).’
6.4.3
In Binişan vs. Roemenië (EHRM 13 oktober 2014, nr. 39438/05) oordeelde het EHRM soortgelijk:
‘72.
The Court reiterates that whenever a State undertakes or organises dangerous activities, or authorises them, it must ensure through a system of rules and sufficient control that the risk is reduced to a reasonable minimum. If damage nevertheless arises, it will only amount to a breach of the State's positive obligations if it was due to insufficient regulations or insufficient control, but not if the damage was caused through the negligent conduct of an individual or the concatenation of unfortunate events (see, for comparison, Kalender v. Turkey, no. 4314/02, §§ 43–47, 15 December 2009). The Court also reiterates that a State's responsibility can be engaged on account of a failure to take preventive measures, provided that the authorities knew or ought to have known of the existence of a real and immediate risk to life.’
6.4.4
Ten slotte wijst rekwirant op Mučibabić vs. Servië (EHRM 12 oktober 2016, nr. 34661/07), waarin dit principe ook werd toegepast op gevaar als gevolg van industriële productie. Het EHRM overwoog:
‘126.
The Court notes that the applicant's son, together with ten others, died in an accident which was caused by the covert production of rocket fuel, which is, per se, a dangerous activity that creates a potentially explosive atmosphere during which a source of ignition may cause an explosion and put people's safety at risk. Whenever a State undertakes or organises dangerous activities, or authorises them, it must ensure through a system of rules and sufficient control that the risk is reduced to a reasonable minimum (see Biniş an v. Romania, no. 39438/05, §§ 72–74, 20 May 2014).’
6.5
Met betrekking tot het vraagstuk van bewijs van de potentiele schadelijkheid is het EHRM bereid gebruik te maken van een ‘presumption of fact’. Het deed dit in Fadeyeva vs. Rusland (EHRM 9 juni 2005, nr. 55723/00), een zaak die betrekking had op luchtvervuiling met giftige stoffen en waarin, net als in onderhavig geval, sprake was van overschrijding van het maximaal toelaatbaar risico. Het EHRM overwoog in dat verband als volgt:
‘87.
In summary, the Court observes that over a significant period of time the concentration of various toxic elements in the air near the applicant's home seriously exceeded the MPLs. The Russian legislation defines MPLs as safe concentrations of toxic elements (see paragraph 49 above). Consequently, where the MPLs arc exceeded, the pollution becomes potentially harmful to the health and well-being of those exposed to it. This is a presumption, which may not be true in a particular case. The same may be noted about the reports produced by the applicant: it is conceivable that, despite the excessive pollution and its proved negative effects on the population as a whole, the applicant did not suffer any special and extraordinary damage.
88.
In the instant case, however, the very strong combination of indirect evidence and presumptions makes it possible to conclude that the applicant's health deteriorated as a result of her prolonged exposure to the industrial emissions from the Severstal steel plant. Even assuming that the pollution did not cause any quantifiable harm to her health, it inevitably made the applicant more vulnerable to various illnesses. Moreover, there can be no doubt that it adversely affected her quality of life at home. Therefore, the Court accepts that the actual detriment to the applicant's health and well-being reached a level sufficient to bring it within the scope of Article 8 of the Convention.’
In Verein Klimaseniorinnen Schweiz e.a. vs. Zwitserland (EHRM 9 april 2024, nr. 53600/20) overwoog het EHRM in aanvulling op het bovenstaande als volgt:
‘428.
A mere allegation that the State failed to comply with certain domestic rules and environmental or technical standards is not in itself sufficient to ground the assertion that the applicant's rights have been affected in a manner giving rise to an issue under the Convention (compare, for instance, Fägerskiöld v. Sweden (dec.), no. 37664/04, 26 February 2008, and Ivan Atanasov v. Bulgaria, no. 12853/03, § 75, 2 December 2010). Nevertheless, the Court attaches importance to the fact that the situation complained of breached the relevant domestic law (see, for instance, Yevgeniy Dmitriyev v. Russia, no. 17840/06, § 33, 1 December 2020). Moreover, in some cases, the Court may need to have regard to the relevant international standards concerning the effects of environmental pollution when ascertaining whether the rights of an individual have been affected (see, for instance, Oluić v. Croatia, no. 61260/08, § 60, 20 May 2010; Hardy and Maile v. the United Kingdom, no. 31965/07, § 191, 14 February 2012; and Thibaut v. France (dec.), nos. 41892/19 and 41893/19, § 42, 14 June 2022).
429.
The Court also relies on studies and reports by relevant international bodies as regards the environmental impacts on individuals (see Taătar, cited above, § 95). As regards climate change, the Court points to the particular importance of the reports prepared by the IPCC, as the intergovernmental body of independent experts set up to review and assess the science related to climate change, which are based on comprehensive and rigorous methodology, including in relation to the choice of literature, the process of review and approval of its reports as well as the mechanisms for the investigation and, if necessary, correction of possible errors in the published reports. These reports provide scientific guidance on climate change regionally and globally, its impact and future risks, and options for adaptation and mitigation.
430.
Lastly, the Court attaches particular importance to the findings of the domestic courts and other competent authorities in establishing the factual circumstances of the case (see, for instance, Taşkin and Others, cited above, § 112). As a general rule, where domestic proceedings have taken place, it is not the Court's task to substitute its own assessment of the facts for that of the domestic courts and it is for the latter to establish the facts on the basis of the evidence before them. However, it reiterates in this connection that, while sensitive to the subsidiary nature of its role and cautious about taking on the role of a first-instance tribunal of fact, the Court is nevertheless not bound by the findings of domestic courts and may depart from them where this is rendered unavoidable by the circumstances of a particular case. It is the Court's function to review the reasoning adduced by domestic judicial authorities from the point of view of the Convention and to determine whether the national authorities have struck a fair balance between the competing interests at stake (see Pavlov and Others, cited above, § 76, with further references).’
6.6.1
Bovenstaande en andere rechtspraak van het EHRM werken door in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2009, ECLI:NL:HR:2019:2006, NJ 2020/41 (Urgenda). De Hoge Raad heeft zich in dit arrest uitgelaten over positieve verplichtingen die uit de artikelen 2 en 8 EVRM voortvloeien in verband met de gevolgen van klimaatverandering. De Hoge Raad wijdt in dat arrest meerdere overwegingen aan de betekenis van het begrip ‘a real and immediate risk to life’, zoals dat wordt toegepast in de rechtspraak van het EHRM.
Anders dan het hof, meent rekwirant dat deze overwegingen wel degelijk van belang zijn voor de beoordeling van onderhavige zaak. Het begrip zelf ziet immers niet op de vraag of strafrechtelijke vervolging en bestraffing mogelijk moet zijn, maar op de vraag of het door artikel 2 EVRM gewaarborgde recht op leven in het geding is (geweest). Het begrip ‘a real and immediate risk to life’ moet daarom in beginsel los worden gezien van de vraag naar de aard en de inhoud van de positieve verplichtingen die uit het EVRM voortvloeien indien wordt geoordeeld dat het recht op leven in het geding is (geweest). Naar de mening van rekwirant zijn de algemene overwegingen van de civiele kamer van de Hoge Raad over de betekenis van het begrip ‘a real and immediate risk to life’ dan ook van toepassing in onderhavige zaak.
De Hoge Raad overwoog:
‘(a) Betekenis van de art. 1, 2 en 8 EVRM; positieve verdragsverplichtingen
5.2.1
Art. 1 EVRM bepaalt dat de verdragsluitende partijen van eenieder die ressorteert onder hun rechtsmacht, de rechten en vrijheden verzekeren die zijn vastgesteld in de Eerste Titel van het Verdrag. De bescherming van het EVRM betreft dus de personen die onder de rechtsmacht van de staten vallen. In het geval van Nederland gaat het daarbij in de eerste plaats, en voor zover in deze zaak van belang, om de ingezetenen van Nederland.
5.2.2
Art. 2 EVRM beschermt het recht op leven. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM behelst deze bepaling mede de positieve verplichting van een verdragsstaat om passende maatregelen te nemen om het leven te beschermen van eenieder die onder zijn rechtsmacht valt (‘to take appropriate steps to safeguard the lives of those within its jurisdiction’). Deze verplichting geldt volgens die rechtspraak onder meer als sprake is van gevaarlijke industriële activiteiten, ongeacht of deze door de overheid zelf of door anderen worden verricht, en ook met betrekking tot natuurrampen. Het EHRM heeft diverse malen een schending van art. 2 EVRM aangenomen ter zake van het handelen of nalaten van een staat in het kader van een natuur- of milieuramp. De gehoudenheid tot het nemen van passende maatregelen bestaat als er een ‘real and immediate risk’ voor personen is en de betrokken staat van dat gevaar op de hoogte is. Onder ‘real and immediate risk’ valt in dit verband te verstaan een gevaar dat reëel en direct is. Het begrip ‘immediate’ ziet niet op de onmiddellijkheid van het gevaar in de betekenis dat sprake moet zijn van een kort tijdsverloop tot de verwezenlijking ervan, maar in de betekenis dat sprake moet zijn van een gevaar dat de betrokken personen rechtstreeks bedreigt. De bescherming van art. 2 EVRM ziet ook op gevaren die zich pas op langere termijn kunnen verwezenlijken.
5.2.3
Art. 8 EVRM beschermt het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven. Deze bepaling heeft ook betrekking op milieukwesties. Het EVRM houdt weliswaar geen recht in op bescherming van de leefomgeving in het algemeen, maar in gevallen waarin de verwezenlijking van milieugevaren rechtstreeks gevolgen heeft voor het privéleven en voldoende ernstig is, kan volgens de rechtspraak van het EHRM bescherming worden ontleend aan art. 8 EVRM, zelfs zonder dat hiervoor is vereist dat de gezondheid van de betrokken persoon wordt bedreigd. Volgens die rechtspraak behelst art. 8 EVRM in milieukwesties de positieve verplichting van een verdragsstaat om redelijke en passende maatregelen (‘reasonable and appropriate measures’) te nemen ter bescherming van individuen tegen mogelijk ernstige milieuschade (‘serious damage to their environment’). Het EHRM heeft in diverse gevallen van milieuschade een schending van art. 8 EVRM aangenomen. De gehoudenheid tot het nemen van maatregelen bestaat als het risico aanwezig is van een ernstige milieuverontreiniging die het welzijn van personen kan aantasten (‘may affect individuals well-being and prevent them from enjoying their homes in such a way as to affect their private and family life adversely’). Dat risico behoeft niet op korte termijn te bestaan.
5.2.4
De positieve verplichting die voortvloeit uit art. 8 EVRM, overlapt volgens het EHRM wat betreft activiteiten die gevaarlijk zijn voor de omgeving, grotendeels met die welke voortvloeit uit art. 2 EVRM. De rechtspraak over eerstgenoemde verplichting is daarom ook van toepassing op laatstgenoemde verplichting. Van een staat worden bij voor de omgeving gevaarlijke activiteiten op grond van art. 8 EVRM dezelfde maatregelen verwacht als die welke hij zou moeten nemen op grond van art. 2 EVRM. In het navolgende zullen de verplichtingen die uit de art. 2 en 8 EVRM voortvloeien, dan ook gezamenlijk worden weergegeven.
5.3.1
De bescherming van de art. 2 en 8 EVRM ziet niet alleen op specifieke personen, maar ook op de samenleving of bevolking als geheel. Van dat laatste is onder meer sprake als het gaat om milieugevaren. Bij milieugevaren die een geheel gebied bedreigen, bieden de art. 2 en 8 EVRM bescherming aan de ingezetenen van dat gebied.
5.3.2
De verplichting om op grond van de art. 2 en 8 EVRM passende maatregelen te nemen, houdt mede in dat staten gehouden zijn om preventief maatregelen te nemen tegen het gevaar, ook als niet zeker is dat het gevaar zich zal verwezenlijken. Dit strookt met het voorzorgsbeginsel. Als duidelijk is dat het hiervoor in 5.2.2 en 5.2.3 bedoelde ‘real and immediate risk’ bestaat, hebben de staten, zonder dat hun daarbij een ‘margin of appreciation’ toekomt, een verplichting tot het nemen van passende maatregelen. De staten hebben wel vrijheid bij de keuze van de te nemen maatregelen, zij het dat deze daadwerkelijk redelijk en geschikt moeten zijn.
De verplichting op grond van de art. 2 en 8 EVRM om passende maatregelen te nemen tegen een dreigend gevaar, kan zien op zowel zogenoemde mitigatiemaatregelen (maatregelen om de verwezenlijking van het gevaar te voorkomen) als adaptatiemaatregelen (maatregelen om de gevolgen van die verwezenlijking op te vangen of te verzachten). Welke maatregelen in het gegeven geval passend zijn, hangt blijkens de rechtspraak van het EHRM af van de omstandigheden van dat geval.
5.3.3
De rechter kan onderzoeken of de maatregelen die een staat neemt, redelijk en geschikt zijn. Het beleid dat een staat bij het nemen van maatregelen voert, moet consistent zijn en de staat moet de maatregelen tijdig nemen. Een staat moet bij zijn beleid ‘due diligence’ in acht nemen. De rechter kan nagaan of het gevoerde beleid voldoet aan deze eisen. In de rechtspraak van het EHRM is meermalen geoordeeld dat het beleid van een staat is tekortgeschoten dan wel dat een staat onvoldoende heeft onderbouwd dat dit niet het geval is. In de uitspraak Jugheli e.a./Georgië overweegt het EHRM bijvoorbeeld:
‘76.
The Court reiterates that it is not its task to determine what exactly should have been done in the present situation to reduce the impact of the plant's activities upon the applicants in a more efficient way. However, it is within the Court's jurisdiction to assess whether the Government approached the problem with due diligence and gave consideration to all the competing interests. In this respect the Court reiterates that the onus is on the State to justify, using detailed and rigorous data, a situation in which certain individuals bear a heavy burden on behalf of the rest of the community (see Fadeyeva, cited above, § 128). Looking at the present case from this perspective, the Court notes that the Government did not present to the Court any relevant environmental studies or documents informative of their policy towards the plant and the air pollution emanating therefrom that had been affecting the applicants during the period concerned.’
5.3.4
De art. 2 en 8 EVRM mogen niet ertoe leiden dat een onmogelijke of in de gegeven omstandigheden onevenredige last op de staten wordt gelegd. Als een staat redelijke en geschikte maatregelen heeft genomen, brengt het enkele feit dat deze maatregelen het gevaar niet hebben kunnen afwenden, niet mee dat hij is tekortgeschoten in de op hem rustende verplichting. De verplichtingen die voorvloeien uit de art. 2 en 8 EVRM zien op de door een staat te nemen maatregelen, niet op (het garanderen van) het behalen van het daarmee te bereiken resultaat.
(…)
5.6.2
Op grond van het hiervoor in 5.2.1–5.3.4 overwogene is geen andere conclusie mogelijk dan dat de Staat op grond van de art. 2 en 8 EVRM gehouden zou zijn om maatregelen te nemen tegen de reële dreiging van een gevaarlijke klimaatverandering, als dit slechts een nationaal probleem zou betreffen. Gelet op het hiervoor in 4.2–4.7 overwogene gaat het hierbij immers om een real and immediate risk als hiervoor in 5.2.2 bedoeld en is hierbij het risico aanwezig van een ernstige aantasting van het leven en welzijn van ingezetenen van Nederland. Dit geldt onder meer voor de mogelijkheid van een sterke stijging van de zeespiegel, waardoor Nederland voor een deel onbewoonbaar kan worden. De omstandigheid dat dit risico zich eerst over enkele decennia zal kunnen realiseren en geen specifieke (groep van) personen betreft maar grote delen van de bevolking, brengt, anders dan de Staat aanvoert, niet mee dat de art. 2 en 8 EVRM geen bescherming zouden bieden tegen deze dreiging (zie hiervoor in 5.3.1 en het slot van 5.2.2 en 5.2.3). Dit strookt met het voorzorgsbeginsel (zie hiervoor in 5.3.2). Reeds het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid van verwezenlijking van dit risico brengt derhalve mee dat passende maatregelen dienen te worden genomen.’
6.6.2
Uit bovenstaande volgt dat de Hoge Raad bevestigt dat van ‘a real and immediate risk to life’ ook sprake kan zijn indien het gevaar zich niet op korte termijn zal verwezenlijken, zoals hiervoor uiteengezet onder punt 6.3.1 tot en met 6.3.4. ‘Immediate’ ziet niet op de onmiddellijkheid van het gevaar in de zin van een kort tijdsverloop tot de verwezenlijking ervan, maar ziet op onmiddellijkheid in de zin van een gevaar dat de betrokken personen rechtstreeks bedreigt, aldus de Hoge Raad.
De Hoge Raad overweegt ook uitdrukkelijk dat niet nodig is dat het gevaar zich überhaupt zal verwezenlijken. Dat blijkt ook uit de hiervoor aangehaalde uitspraken van het EHRM. In geen van die zaken stond immers vast dat het gevaar zich daadwerkelijk zou verwezenlijken, alleen dat er een (groot) risico was dat het zich zou kunnen verwezenlijken. Een andersluidende opvatting zou ook niet houdbaar zijn. Volledige zekerheid dat een gevolg intreedt is immers vrijwel nooit aanwezig en deze opvatting zou dus feitelijk met zich meebrengen dat de staat geen verplichtingen heeft tot het moment dat het daadwerkelijk fout gaat, op welk moment het nemen van maatregelen al te laat is.
6.6.3
De Hoge Raad plaats zowel artikel 2 als artikel 8 EVRM nadrukkelijk onder de werking van het voorzorgsbeginsel en verwijst daarbij naar Tatar vs. Roemenië (EHRM 27 januari 2009, nr. 67021/01). In deze zaak was geklaagd over schending van artikel 2 EVRM, terwijl het EHRM de zaak behandelde onder artikel 8 EVRM.10. Het EHRM overwoog:
‘120.
Pour ce qui est des suites de l'accident de janvier 2000, la Cour observe qu'il ressort des éléments du dossier que l'activité industrielle en question n'a pas été arrêtée par les autorités, qui ont continué à utiliser la même technologie (voir le paragraphe 8 ci-dessus, in fine). En ce sens, la Cour rappelle l'importance du principe de précaution (consacré pour la première fois par la Déclaration de Rio), qui ‘ a vocation à s'appliquer en vue d'assurer un niveau de protection élevée de la santé, de la sécurité des consommateurs et de l'environnement, dans l'ensemble des activités de la Communauté ’. ’
In zijn beoordeling van het gevaar dat uitgaat van een sterke stijging van de zeespiegel bespreekt de Hoge Raad de reikwijdte van de bescherming van artikel 2 EVRM en artikel 8 EVRM gezamenlijk en overweegt de Hoge Raad dat reeds ‘het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid van verwezenlijking van dit risico’ meebrengt dat passende maatregelen dienen te worden genomen.
7.
Uit het voorgaande maakt rekwirant op dat het, om te komen tot de vaststelling dat sprake is van een ‘real and immediate risk to life’, niet noodzakelijk is dat dodelijke slachtoffers zijn gevallen, dat het betreffende risico zich niet op korte termijn hoeft te verwezenlijken en dat evenmin behoeft komen vast te staan dat het betreffende risico zich daadwerkelijk zal verwezenlijken.
De Hoge Raad verstaat onder ‘real and immediate risk’ een gevaar dat reëel en direct is, waarbij sprake moet zijn van een gevaar dat de betrokken personen rechtstreeks bedreigt. Daarbij hoeft het niet te gaan om een specifieke groep van personen. Met inachtneming van het voorzorgsbeginsel vormt, zo begrijpt rekwirant, reeds het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid van verwezenlijking van het betreffende gevaar voldoende grondslag voor aanvaarding van uit artikel 2 EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen.
8.
Aan de gemeente was, na de beslissing tot partiële nietigheid en kort gezegd, tenlastegelegd dat zij de hogere uitstoot dan volgens de (door de gemeente zelf verleende) vergunning toegestane uitstoot heeft toegestaan en/of deze niet heeft beëindigd en/of hier niet tegen heeft opgetreden.
Het hof heeft vastgesteld dat verdachte in de tenlastegelegde periode heeft ingestemd met het handelen van [A], welk handelen in strijd was met de vergunningsvoorschriften. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat voor wat betreft de vraag wat de gezondheidsrisico's zijn van het via de calamiteitenpijp uitstoten van (te hoge concentraties) ethyleenoxide, hier geen eenduidige conclusies over zijn te trekken. Wel is volgens het hof door onderzoeksinstituten vastgesteld dat ethyleenoxide carcinogene effecten heeft, maar tegelijkertijd wordt ook algemeen aanvaard dat dergelijke stoffen moeten worden gebruikt en dat daarom een maximaal toelaatbaar risico is berekend. Hoewel aannemelijk is dat dit maximaal toelaatbare risico in de tenlastegelegde periode fors werd overschreven, bestaan er volgens het hof onvoldoende aanknopingspunten voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan. Evenmin is gebleken van extra gevallen van kanker in de nabije omgeving van het bedrijf. Het hof meent dat daarom niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van ‘a real and immediate risk to the life’ en dat art. 2 EVRM daarom niet dwingt tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit van de gemeente.
9.
Al het voorgaande brengt rekwirant tot de volgende klachten in cassatie:
- a.
Het hof heeft, bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ‘a real and immediate risk to life’ ten onrechte niet vooropgesteld dat reeds het bestaan van een voldoende reële mogelijkheid op verwezenlijking van het gevaar al kan maken dat, op grond van het voorzorgsbeginsel, passende maatregelen dienen te worden genomen. Daarmee heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
- b.
Voor zover het hof, door te oordelen dat de hier bedoelde risico's zich concreet moeten hebben voorgedaan, als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat is vereist dat risico's voor het leven zich daadwerkelijk hebben verwezenlijkt, miskent dit oordeel dat niet is vereist dat komt vast te staan dat dit het geval is, ook niet op de lange termijn. In onderhavige geval zou het oordeel van het hof er op neer komen dat vast moet komen te staan dat als gevolg van de verhoogde uitstoot personen daadwerkelijk kanker hebben gekregen en/of zijn komen te overlijden én dat dit om méér personen gaat dan wanneer wél volgens het maximaal toelaatbare risico zou zijn uitgestoten. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
- c.
Voor zover het hof, door te oordelen dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet moeten hebben voorgedaan, als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat moet komen vast te staan dat concreet aan te duiden personen of groepen van personen zijn blootgesteld aan de betreffende uitstoot, miskent dit oordeel dat ook gevaar dat zich richt op niet concreet aangeduide of aan te duiden personen of groepen van personen positieve verplichtingen ingevolge artikel 2 EVRM in het leven kunnen roepen. Het oordeel van het hof getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting.
Het hof kon daarom niet volstaan met de gevolgtrekking dat, nu dit concrete gevaar en concrete slachtoffers niet konden worden vastgesteld, reeds daarom het bestaan van een ‘real and immediate risk to life’, die tot doorbreking van de strafrechtelijke immuniteit kan leiden, niet rechtens kon worden vastgesteld.
Het feit dat de uitstoot van een bepaalde hoeveelheid ethyleenoxide wél is toegestaan en dat ten behoeve daarvan een maximaal toelaatbaar risico is vastgesteld, maakt dat op zichzelf niet anders. Zoals hiervoor is uiteengezet onder punt 6.4.1 tot en met 6.4.4, geldt dat in zo'n geval, waarin inherent sprake is van enig risico voor de gezondheid of voor het leven, van belang is in hoeverre de gemeente alles gedaan heeft om het gevaar te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
10.1
Daarnaast is het oordeel van het hof dat onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan en dat rechtens niet kan worden vastgesteld dat sprake is van ‘a real and immediate risk to life’, mede tegen de achtergrond wat hierover door de advocaat-generaal naar voren is gebracht, niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Daartoe is het volgende van belang.
10.2
Het hof heeft vastgesteld dat door verschillende internationale onderzoeksinstituten is vastgesteld dat ethyleenoxide carcinogene effecten heeft en dat het aannemelijk is dat het maximaal toelaatbare risico door de emissie van ethyleenoxide door [A] in de tenlastegelegde periode fors werd overschreden.
De advocaat-generaal heeft op de terechtzitting van het hof van 18 juni 2024 het woord gevoerd overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir.11. Dit requisitoir houdt met betrekking tot deze emissie nog het volgende in:
‘De emissie uit de scrubber was vanaf februari 2004 t/m juni 2006 telkens boven de 15 mg/m3 , zo ook 4 maanden in 2007, 5 maanden in 2008, waarbij aangetekend moet worden dat er van de tweede helft 2008 geen metingen zijn gestuurd naar de gemeente, en 5 maanden in 2009.
De emissie uit de icinerator was in 2004 een aantal malen te hoog. Bovendien was er in juni 2 dagen een storing, zodat helemaal niet via de naverbrander werd geëmitteerd. In 2005 was de icinerator van maart tot en met december kapot. Dat betrof 282 dagen. De productie ging gewoon door. De ethyleenoxide werd via de calamiteitenpijp uitgestoten, zonder te zijn verbrand, met toestemming van de gemeente. In 2006 was de icinerator het hele jaar kapot. 365 dagen breakdown. Dat betekent dat het hele jaar via de calamiteitenpijp werd geloosd. Ook in 2007 was de icinerator kapot. Er was een nieuwe icinerator, maar die functioneerde blijkbaar niet. Aantal breakdowndagen: 351. En hetzelfde geldt voor 2008; aantal breakdowndagen: 316. En ook zo in 2009; in totaal heeft de icinerator 22 dagen gewerkt in 2009.’12.
Daarnaast houdt het requisitoir in:
‘38.
Ethyleenoxide is in de Nederlandse Emissie Richtlijn 2000 al ingedeeld als MVP 2 stof, dat wil zeggen dat er voor ethyleenoxide (ETO) een minimalisatieverplichting geldt13.. Sinds 2013 staat ETO op de Europees lijst van zeer zorgwekkende stoffen met een maximum uitstoot van 3 microgram per m3.
(…)
39.
Uit het rapport van dr ir Jan Baeyens14. en het NFI-rapport15. blijkt dat de emissie vanaf [A] in de gehele betrokken periode tot een afstand van 600 meter van het bedrijf hoger is geweest dan het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR). Het MTR in Nederland was in 2002 2,4 microgram per kubieke meter lucht.
40.
In het rapport van M. van Bruggen e.a. in opdracht van het RIVM ‘risicobeoordeling emissie ethyleenoxide Zoetermeer’ uit 2010 wordt niet veel nieuws vermeld, met uitzondering van de berekening en beschrijving van het aantal mensen dat gedurende de onderzoeksperiode 2006–2008 is blootgesteld aan een te hoge concentratie ethyleenoxide in de lucht. In elk geval zijn volgens het rapport tenminste 900 bewoners en 1150 werknemers blootgesteld aan tenminste 10 microgram/m 3 lucht (in plaats van 2,4 of 3 microgram/m3).’
Het kan als feit van algemene bekendheid gelden dat kanker een groot gezondheidsrisico met zich meebrengt en een potentieel dodelijke ziekte is.
10.3
Tegen de achtergrond van het onder punt 5.1 tot en met 7 geschetste juridisch kader, alsmede tegen de achtergrond van hetgeen de advocaat-generaal naar voren heeft gebracht, te weten dat tenminste 900 bewoners en 1150 werknemers zijn blootgesteld aan tenminste 10 microgram/m3 (in plaats van 2,4 of 3 microgram/m3), is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk dat het gedurende een lange periode uitstoten van een (veel) te hoge concentratie van een kankerverwekkende stof in dit geval onvoldoende aanknopingspunten oplevert voor de vaststelling dat concrete en levensbedreigende risico's als gevolg van de uitstoot van ethyleenoxide door [A] zich concreet hebben voorgedaan en dat dit geen ‘real and immediate risk to life’ oplevert en/of waarom artikel 2 van het EVRM daarom niet met zich meebrengt dat de strafrechtelijke immuniteit dient te worden doorbroken. Dit geldt temeer nu sprake was van het gedurende langere tijd toestaan van forse overtredingen van nota bene door de gemeente zelf opgestelde voorschriften, welke overtredingen ook periodiek aan de gemeente bekend werden gemaakt en de gemeente dus niet alleen de gelegenheid, maar op grond van haar eigen regels ook de verplichting had om maatregelen te nemen.
10.4
Daarnaast merkt rekwirant nog op dat het hof in zijn oordeel heeft gewezen op het feit dat enige uitstoot van ethyleenoxide is toegestaan, op grond waarvan een maximaal toelaatbaar risico is vastgesteld. Rekwirant meent dat, indien een dergelijke hoeveelheid wordt overschreden, er in beginsel vanuit gegaan zal kunnen worden dat dit op zijn minst genomen een reëel risico met zich meebrengt voor een groter gevaar voor de gezondheid van personen en in het geval van kankerverwekkende stoffen dus een groter levensgevaar.
Steun voor die benadering bij het vaststellen van ‘a real and immediate risk to life’ wordt gevonden in de hiervoor onder punt 6.5 aangehaalde uitspraak van het EHRM in Fadeyeva vs. Rusland (EHRM 9 juni 2005, nr. 55723/00), waarbij het ging om luchtvervuiling met giftige stoffen.16. Daaruit volgt dat voor het vaststellen van de potentiële schadelijkheid van een te hoge uitstof van een giftige stof ook gebruik kan worden gemaakt van ‘a presumption of fact’.
Ook tegen die achtergrond is niet zonder meer begrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd waarom het hof meent dat in dit geval geen sprake is van ‘a real and immediate risk to the life’, op grond waarvan de immuniteit van de gemeente Zoetermeer dient te worden doorbroken.
Indien dit cassatiemiddel, of een onderdeel daarvan, doel treft, zal het bestreden arrest van 2 juli 2024 van het Gerechtshof Den Haag niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook dit arrest te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 11 november 2024
mr. G.K. Schoep
plaatsvervangend advocaat-generaal bij het Ressortsparket
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑11‑2024
Vgl. Rechtbank Den Haag 20 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1658; ECLI:NL:RBDHA:2018:1660; ECLI:NL:RBDHA:2018:1662; ECLI:NL:RBDHA:2018:1663.
HR 24 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:765, NJ 2014/241, r.o. 3.3.
Kamerstukken I 2014–2015, 30 538 D, p. 3.
Vgl. J.H. Gerards, General Principles of The European Convention on Human Rights, Cambridge: Cambridge University Press 2023, p. 185.
Vgl. in dit verband bijvoorbeeld expliciet de ontvankelijkheidsbeslissing in Tatar v. Romania, nr. 67021/01, par. 46 en 47.
Öneryildiz vs Turkije, EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99, NJ 2005/210, par. 91–92.
Zie in dat verband ook de conclusie van A-G Machielse van 31 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1298, nr. 5.
Öneryildiz vs Turkije, EHRM 30 november 2004, nr. 48939/99, NJ 2005/210, par. 71.
Budayeva vs Rusland, EHRM 29 september 2008, nr 15339/02, par. 147–160.
Zie de ontvankelijkheidsbeslissing in noot 5.
Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 18 juni 2024, p. 7.
Requisitoir zaak Zuringspanner, p. 7–8.
NeR september 2004, p. 73.
DD17.
DD315-27.