Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.2.4
3.2.4 Filialen
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS487388:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 6, p. 8.
In min of meer gelijke bewoordingen de Toelichting op de Derde Nota van wijzigingen (Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 11, p. 4).
Inzicht 2012, p. 30.
Ondernemingsraad, artikelsgewijs commentaar, art. 1, aant. 2.
Honée 1982, p. 84.
Rood/Van der Heijden 2004, art 1 lid 1 en onder c, aant. 3.
Ik versta daaronder slechts het tot een groter verband behorende filiaal, bijvoorbeeld een eigen AH-vestiging van Albert Heijn Nederland. Onder een filiaal versta ik niet de door een zelfstandige ondernemer als franchisenemer geëxploiteerde supermarkt.
Niet op grond van de fictie van art. 2 lid 2 van het wetsontwerp derhalve
Ik proef hier ruimte voor de opvatting dat een filiaal geen onderneming in de zin der wet is.
HR 19 april 1974, NJ 1974, 423.
Wet op de ondernemingsraden, in: Rechtspersonen (losbladige), Deventer, art. 1, aant. 1.
Deze woorden ontleen ik aan de Memorie van Toelichting.
Het begrip filiaal duikt voor het eerst op in de Memorie van Antwoord bij het wetsontwerp 1969.1 Is de vestiging (of in de uiteindelijke wettekst: een onderdeel) een onzelfstandig onderdeel van een onderneming dat op grond van art 2 lid 3 WOR onderneming in de zin van de Wet kan zijn, een filiaal wordt aangeduid als een zelfstandig onderdeel van een onderneming. Hier maakt zich verwarring van mij meester. Ik ben geneigd een zelfstandig onderdeel van een onderneming als een zelfstandige in de maatschappij optredende eenheid te zien, mitsdien als een onderneming in de zin van de Wet.2 Zowel Inzicht3 als Van Het Kaar,4 daarbij verwijzend naar een uitspraak van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State van 5 oktober 1981, kwalificeren een filiaal van een grootwinkelbedrijf en een bijkantoor van een bankbedrijf in beginsel als een onderneming in de zin van de WOR. Honée noemde filialen in 1982 zelfs sprekende voorbeelden van ondernemingen, nu zij in de maatschappij een eigen, op zichzelf staande functie vervullen.5 Ook Rood kwalificeert een filiaal als een zelfstandige onderneming.6
Het is maar zeer de vraag of men een filiaal7 of een bijkantoor zo stellig en zonder meer als een onderneming in de zin van art. 1 lid 1 en onder c WOR kan kwalificeren. Vooropgesteld, de wetgever drukt zich in de Memorie van Antwoord ongelukkig uit; niet goed denkbaar is dat een onderneming, die toch in zijn geheel als zelfstandige eenheid in de maatschappij optreedt, onderdelen kan hebben die op zichzelf óók weer als zelfstandige eenheden in de maatschappij optreden, en daarmee dus ondernemingen zijn. Waar de wetgever de filialen min of meer per definitie een grote mate van zelfstandigheid toedicht en ze daarmee welhaast uit hun aard tot onderneming in de zin van de wet maakt, zal het van de feiten en omstandigheden van ieder individueel geval behoren af te hangen of zij dat daadwerkelijk zijn. Juister lijkt hetgeen in de toelichting bij de Derde Nota van wijzigingen valt te lezen:
‘De ondergetekenden hebben nl. overwogen, dat het woord “vestiging”, dat zij hebben gebruikt om de territoriaal verspreide onzelfstandige onderdelen van een onderneming aan te duiden, wellicht verwarring kan wekken, omdat dit woord in de dagelijkse praktijk ook gebruikt wordt, althans kan worden gebruikt, om wél als zelfstandige eenheid in de maatschappij optredende arbeidsgemeenschappen aan te duiden, die deel uitmaken van een bepaalde juridische eenheid, zoals bv. filialen van een grootwinkelbedrijf. Deze filialen zijn echter zelfstandige ondernemingen in de zin der wet.’.8
Hier kan ik de wetgever volgen. Filialen zijn geen zelfstandige onderdelen van een onderneming. Zij kunnen dat wél zijn van een bepaalde juridische eenheid; van een ondernemer in de zin van de WOR derhalve, die in dat geval meerdere ondernemingenin stand houdt. Indien in de volgende passage in de Memorie van Antwoord het woord ‘onderneming’ wordt vervangen door ‘bepaalde juridische eenheid’, naderen we de kern van de vraag of een filiaal een onderneming is:
‘Inderdaad neemt bij een juridische eenheid [i.p.v. onderneming] met meerdere filialen, het filiaal de plaats in van de onderneming, … maar niet omdat zo’n filiaal een vestiging is9 , maar omdat zo’n filiaal reeds op grond van de definitie van onderneming als een afzonderlijke onderneming moet worden aangemerkt … Bij detailhandelszaken met filialen in verschillende plaatsen zullen deze filialen dus doorgaans10 reeds op grond van artikel 2, eerste lid, als afzonderlijke ondernemingen moeten worden beschouwd, ook al behoren zij toe aan dezelfde ondernemer. Men ziet in elke plaats het betrokken filiaal als zelfstandige zaak optreden.’.11
Hoewel ik daarvoor in de parlementaire stukken geen aanwijzingen heb getroffen, vraag ik mij af of de wetgever zich bij zijn denken over filialen niet (te zeer) heeft laten leiden door het begrip filiaal in de Handelsregisterwet. In díe wet dient, zoals de Hoge Raad in een arrest uit 1974 overwoog,12 onder een filiaal verstaan te worden een vestiging of kantoor van een onderneming, waar personeel werkzaam is dat zelfstandig naar buiten kan optreden bij het afsluiten van overeenkomsten of het verrichten van andere rechtshandelingen die karakteristiek zijn voor het bedrijf van de onderneming. De vraag of een filiaal een zelfstandige eenheid is, kon én kan echter voor toepassing van de Wet op de ondernemingsraden niet in zijn algemeenheid beantwoord worden. Zoals ik al aangaf, zal dat afhankelijk zijn van de concrete feiten en omstandigheden van het betreffende geval. In essentie komt het (mede) aan op de vraag of het filiaal, en voor een bijkantoor ligt dit niet anders, een ‘zelfstandige zaak’ is, of zij voldoende zelfstandig is ten opzichte van ‘het hoofdhuis’. De Bijl Nachenius geeft een aantal relevante factoren voor de beoordeling van die zelfstandigheid: de bevoegdheid zelf in te kopen, zelf prijzen vast te stellen, een eigen personeelsbeleid te voeren, zelf te bepalen wat de inrichting van het filiaal of het bijkantoor is, en het voeren van een boekhouding/administratie die geheel los staat van de centrale boekhouding/administratie.13 Nu kan men zich op basis van dergelijke factoren voorstellen dat de wetgever in 1970 een filiaal nog een zelfstandige zaak beschouwde,14 dat ligt heden ten dage bepaald anders. Het filiaal van Albert Heijn en het bijkantoor van de ABN AMRO Bank zijn onderdeel van een veel groter verband, van Albert Heijn Nederland resp. van de ABN AMRO Bank. Zij presenteren zich ook als zodanig in het maatschappelijk verkeer. In dat licht is een filiaal of een bijkantoor juist niet een naar buiten als zelfstandig handelend15 presenterende eenheid, en dus niet een onderneming in de zin van de WOR. Zou men desondanks voor een filiaal of voor een bijkantoor een eigen ondernemingsraad willen instellen, dan biedt art. 4 lid 1 WOR daartoe de mogelijkheid. Voorstelbaar is ook, en dat past evenzeer prima in het systeem van de wet, dat een (groter) filiaal een onderdeel is in de zin van art. 15 WOR, waarvoor een onderdeelcommissie kan worden ingesteld.