NJ 2006, 321
Art. 27 sub 3 EEX-Verdrag. Onverenigbaarheid van beslissingen. Tenuitvoerlegging in aangezochte Staat. Vorderingen in kort geding.
HvJ EG 06-06-2002, ECLI:EU:C:2002:342, m.nt. P. Vlas
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
- Datum
6 juni 2002
- Magistraten
Mrs. P.P. Jann, D.A.O. Edward, A. La Pergola, M. Wathelet, C.W.A. Timmermans; A-G
- Zaaknummer
C-80/00
- Conclusie
A-G P. Léger
- Noot
P. Vlas
- LJN
AX9593
- JCDI
JCDI:ADS115884:1
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2002:342, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 06‑06‑2002
ECLI:EU:C:2002:107, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 21‑02‑2002
- Wetingang
EEX-Verdrag art. 5 sub 3
Essentie
Art. 27 sub 3 EEX-Verdrag. Onverenigbaarheid van beslissingen. Tenuitvoerlegging in aangezochte Staat. Vorderingen in kort geding.
Samenvatting
1
Art. 27 sub 3 EEX-Verdrag (zoals nadien gewijzigd) moet aldus worden uitgelegd dat een buitenlandse beslissing in kort geding waarbij een schuldenaar wordt gelast bepaalde handelingen achterwege te laten, onverenigbaar is met een beslissing in kort geding in de aangezochte staat tussen dezelfde partijen waarbij het treffen van een dergelijke maatregel wordt geweigerd,
2
De rechter van de aangezochte staat moet erkenning van een beslissing van een rechter van een andere verdragsluitende staat weigeren, wanneer hij vaststelt ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.