Einde inhoudsopgave
Accountantsaansprakelijkheid (R&P nr. CA20) 2019/5.4.4.5
5.4.4.5 Het vermoeden van het bestaan van een csqn-verband
mr. J.E. Brink-van der Meer, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. J.E. Brink-van der Meer
- JCDI
JCDI:ADS305343:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Giesen en Maes spreken over een ‘notie’ die volgt uit het De Treek/Dezia arrest (HR 5 juni 2009, LJN BH2815 (De Treek/Dexia)), het Levob/Bolle arrest (HR 5 juni 2009, LJN BH2811 (Levob/Bolle)) en het World Online arrest (HR 27 november 2009, LJN BH2162 (VEB/World Online)). De Hoge Raad heeft nadien de aanname-benadering als een juiste rechtsopvatting bestempeld (HR 8 februari 2013, LJN BX7846, RvdW 2013/249 (Van Lanschot)). Giesen en Maes concluderen dat deze benadering naar geldend recht van toepassing is in gevallen waarin een informatieplicht wordt geschonden. Giesen & Maes (2014), p. 219 e.v.
Tevens kan de rechter naar aanleiding van de over en weer aangevoerde argumenten tot de conclusie komen de aanname in een concreet geval niet opgaat. Pijls & Van Boom (2010), p. 194 e.v., Schild (2009), p. 254 e.v. en Van Emden & De Haan (2014), paragraaf 2.2.
Giesen & Maes (2014), 219 e.v., met verwijzing naar Pijls & Van den Boom (2010), p. 196.
Klaassen merkt over de aanname-benadering op: ‘Het lijkt er veeleer op dat de Hoge Raad een nieuwe ‘regel’ formuleert, zij het met een beperkter bereik dan de omkeringsregel, die immers in meer algemene bewoordingen is geformuleerd en (ondanks de intussen door de Hoge Raad aangebrachte beperkingen) algemene betekenis heeft’. Klaassen (2013), p. 147.
Klaassen (2013), p.145.
Akkermans & Van Dijk (2012), p. 157 e.v.
Pijls & Van den Boom (2010), p. 196 e.v.
Schild (2009), p. 263.
Busch (2012), p. 76.
Gerechtshof ’s-Gravenhage 27 mei 2004, JOR 2004/206, r.o. 10.13 tot 10.18.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, (Vied’Or) r.o. 6.3, alsmede de annotatie van H. Beckman bij het arrest.
HR 13 oktober 2006, JOR 2006/296, (Vied’Or) r.o. 6.4.2, alsmede de annotatie van H. Beckman bij het arrest.
Rammeloo (2013), p. 42 e.v.
Klaassen (2013), p. 147.
Klaassen (2017), 3.56, (Nog) een variant op de omkeringsregel.
HR 27 november 2009, NJ 2014/201.
HR 5 juni 2009, NJ 2012/182.
HR 5 juni 2009, NJ 2012/183.
Klaassen (2013), p. 131 met verwijzing naar HR 3 februari 2012, NJ 2012, 95 (Rabobank Vaart en Vecht/X).
De rechter kan onder omstandigheden een csqn-verband aannemelijk achten tussen de beroepsfout en de schade.1 Het csqn-verband wordt dan tot uitgangspunt genomen, behoudens het geval van tegenbewijs (indien de wederpartij de afwezigheid van het csqn-verband aannemelijk weet te maken).2 Er is alsdan sprake van een bewijsvermoeden.3 Het bewijsvermoeden wordt ook wel de ‘aanname-benadering’4 of ‘informele’ toepassing van de omkeringsregel5 genoemd.
Het causaal verband wordt in overwegingen van de Hoge Raad aangenomen op grond van een ‘omkeringsregelachtige motivering’ of ‘de normatieve grondslag van de omkeringsregel’.6 Pijls en Van Boom spreken over ‘omkering van de bewijsleveringslast’.7 Schild rept van een ‘informele toepassing van de omkeringsregel8’ en Busch van een ‘ad hoc omkeringsregel’.9
De rechtbank en het hof hebben in de procedure die verband houdt met het Vie d’Or geschil naast de omkeringsregel tevens het bewijsvermoeden van het bestaan van een csqn-verband toegepast. De rechtbank heeft overwogen dat ‘aannemelijk is geworden dat, indien de accountants vanaf de aanvang van hun onrechtmatig handelen tijdens de werkzaamheden met betrekking tot de jaarrekening 1989 correct en zorgvuldig hadden gehandeld, de problemen bij Vie d’Or reeds in die tijd veel duidelijker en dwingender aan de oppervlakte waren gekomen en ook dat aannemelijk is dat de Verzekeringskamer, indien Vie d’Or de problemen niet zelf zou hebben opgelost, veel eerder ingrijpender maatregelen zoals het benoemen van een stille curator zou hebben getroffen’. De rechtbank heeft hiermee het bestaan van causaliteit aangenomen. De grieven hiertegen in hoger beroep slagen niet.10 De Hoge Raad casseert het oordeel van het hof, omdat het hof zonder nadere motivering aan het bewijsaanbod van de accountant voorbij is gegaan.11 Voorts acht de Hoge Raad het oordeel van het hof ter zake het bewijsvermoeden van het csqn-verband door het ontbreken van nadere motivering onbegrijpelijk.12
De rechter is geneigd het bewijsvermoeden van het csqn-verband alleen toe te passen bij een ‘uniforme beoordeling van een groot aantal geschillen’ ‘ én wanneer de effectieve rechtsbescherming in het geding is’.13 Klaassen spreekt over ‘een grote groep gedupeerden en -in het bijzonder wat betreft de effectenlease-over-eenkomsten- vele procedures waarin soortgelijke causaliteitskwesties spelen.14’ Het bewijsvermoeden van het csqn-verband is bijvoorbeeld toegepast bij15 het richtinggevende arrest inzake prospectusaansprakelijkheid, World Online,16 en bij de zogenoemde effectenlease-arresten, De Treek/Dexia17 en Levob/Bolle.18 Het bewijsvermoeden van het csqn-verband leent zich derhalve niet voor toepassing bij een claim van een opdrachtgever of een individuele derde jegens de accountant. Ik sluit echter niet uit dat een bewijsvermoeden van het csqn-verband bij aansprakelijkheid van accountants in de toekomst aan de orde kan komen bij een schending van de bijzondere zorgplicht jegens beleggers.19